Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:270
Zaaknummer
25-485/AL/MN
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over een advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 8 december 2025
in de zaak 25-485/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: O.J. de Rooij
over
verweerder
gemachtigde: mr. W.A.M. Rupert
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 21 juli 2025 met kenmerk Z 2345353/MK/SD.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
Over het aanleveren van de stukken door klaagster
1.1 Met de gemachtigde van klaagster is door en namens de deken veelvuldig gecorrespondeerd over de wijze van het aanleveren van de stukken. Deze werden namelijk steeds aangeleverd met (gekleurde) links waar op geklikt moet worden om de tekst te kunnen lezen en waarin meestal ook weer verder doorgeklikt moet worden. Herhaaldelijk is de gemachtigde gewezen op het feit dat deze wijze van aanleveren niet toegestaan is en daarnaast zeer veel extra werk betekent voor de lezer. Voordat de gemachtigde van klaagster repliceerde, is hem gewezen op het risico van zijn wijze van aanleveren van stukken. Desondanks is de repliek weer opgesteld met links in de tekst. Om deze reden heeft verweerder aangegeven dat hij op de repliek niet kan reageren omdat deze grotendeels uit links bestaat en omdat verweerder niet weet naar welke website hij na aanklikken zou worden geleid.
1.2 Op 21 juli 2025 heeft de deken deze klachtzaak bij de raad ingediend. De griffier van de raad heeft aan de deken laten weten dat de klacht niet in behandeling zal worden genomen vanwege - kort gezegd - de hierboven genoemde wijze van aanleveren van de stukken door klaagster. De griffier van de raad heeft verzocht om dit klachtdossier op de gebruikelijke wijze samen te (laten) stellen en de klacht daarna weer bij de raad in te dienen.
1.3 Vervolgens heeft de deken klaagster wederom meermaals in de gelegenheid gesteld om te voldoen aan het verzoek van de raad over de wijze van aanleveren van stukken. Klaagster heeft daaraan niet, althans niet geheel, voldaan. De deken heeft de klacht daarna wederom bij de raad ingediend. De griffier heeft daarop aan partijen en de deken laten weten dat de raad de klacht in behandeling zal nemen en dat in de beslissing op de klacht ook een beslissing zal worden genomen over de wijze waarop (de gemachtigde van) klaagster de klacht heeft aangeleverd en van welke stukken al dan niet zullen worden kennisgenomen.
Over de klacht van klaagster
1.4 Klaagster is in een civiele procedure gedagvaard door haar toenmalige advocaat mr. U. die betaling van openstaande nota's vorderde. Klaagster was bij [naam] voor rechtsbijstand verzekerd voor een maximaal bedrag van € 6.000 per gebeurtenis of per reeks van met elkaar samenhangende gebeurtenissen. De nota's van de advocaat overstegen de dekking die [naam] verleende, reden waarom klaagster voor betaling van het meerdere gedagvaard werd door haar advocaat. Klaagster heeft daarop [naam] in de procedure in vrijwaring opgeroepen ter zake van de betaling van deze meerkosten.
1.5 Verweerder heeft in de procedure voor [naam] opgetreden. De civiele procedure heeft gediend voor respectievelijk de kantonrechter, het gerechtshof en de Hoge Raad. Klaagster is tijdens een deel van de procedure bijgestaan door een advocaat, mr. Z. Tijdens de procedure bij het Hof heeft deze advocaat zich aan de zaak onttrokken.
1.6 Verweerder heeft het hof op 14 december 2022 bericht dat partijen een regeling hebben getroffen in de vrijwaringszaak, welke regeling meebrengt dat de vrijwaringszaak tussen partijen doorgehaald kon worden.
1.7 De regeling tussen partijen is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 22 december 2022. De overeenkomst (al ondertekend door [naam]) is door [naam] op 22 december 2022 ter ondertekening naar klaagster gestuurd. Klaagster heeft deze overeenkomst niet ondertekend. Er is tussen partijen discussie ontstaan over een deel van de inhoud van de overeenkomst. [naam] heeft daarop de overeenkomst door middel een schriftelijke verklaring aan klaagster ontbonden.
1.8 Klaagster heeft de overeenkomst later met vermelding van de datum van 5 februari 2023 ondertekend met vermelding van eigen aanvullingen en opmerkingen op de originele overeenkomst rechts bovenaan de pagina en met vermelding “onder protest”.
1.9 Klaagster heeft zich nadien gewend tot een andere advocaat. Tussen verweerder en de advocaat van klaagster is vervolgens verder gecorrespondeerd.
1.10 Op 25 mei 2024 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) voor zowel klaagster als voor [naam] op te treden in een zaak en vervolgens zonder instemming van klaagster, die op dat moment geen eigen advocaat had, het hof schriftelijk te berichten dat de eerder tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst ontbonden was;
b) in rechte bewust feitelijke informatie te verstrekken waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat deze onjuist is.
c) in strijd met artikel 17 Handvest EU klaagster door zijn handelen de vruchten van de eerder gesloten vaststellingsovereenkomst te onthouden waardoor klaagster onnodig kosten heeft gemaakt.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd.
4 BEOORDELING
Klachtdossier
4.1 De voorzitter stelt het volgende voorop. Klaagster heeft vele stukken aangeleverd met links waarop geklikt moet worden om de tekst te kunnen lezen en waarin meestal ook weer verder doorgeklikt moet worden. Klaagster is vele malen door de deken en daarna ook door de raad erop gewezen dat deze wijze van aanleveren niet is toegestaan en haar meermaals in de gelegenheid gesteld om zijn stukken op de gebruikelijke wijze samen aan te leveren. Klaagster heeft dat niet, althans niet geheel gedaan. De voorzitter zal bij het oordeel van de klacht alleen de stukken betrekken die op papier staan en de documenten of websites die door middel van de links zijn te benaderen, buiten beschouwing laten.
Maatstaf
4.2 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klaagster. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.
Klachtonderdeel a)
4.3 De voorzitter is van oordeel dat uit de stukken niet blijkt dat verweerder voor zowel klaagster als [naam] als advocaat is opgetreden. Omdat klaagster na 6 december 2022 niet meer door een advocaat werd bijgestaan, kon alleen verweerder als advocaat communiceren met het hof over wat tussen partijen was afgesproken. Verweerder heeft dit met instemming van klaagster - dan wel de gemachtigde van klaagster - aan het hof bericht. Via een rolbericht van 30 januari 2023 - eveneens op verzoek van klaagster, dan wel de gemachtigde van klaagster - heeft verweerder na de ontbinding van de overeenkomst, ten behoeve van klaagster, het hof verzocht om de procedure te hervatten in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip van de doorhaling. Ook toen beschikte klaagster niet over een eigen advocaat. Gelet op deze gang van zaken is niet gebleken dat verweerder tuchtredelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.4 Klaagster klaagt, zo begrijpt de voorzitter, dat verweerder ten onrechte aan het hof heeft doorgegeven dat de overeenkomst tussen partijen was ontbonden. Uit de stukken volgt dat verweerder, namens zijn cliënt, de overeenkomst heeft ontbonden. Niet is gebleken dat verweerder hierover onjuiste informatie aan de rechter heeft verstrekt. Klaagster had deze gang van zaken eventueel aan de civiele rechter kunnen voorleggen. De tuchtrechter beoordeelt alleen of een advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarvan is geen sprake. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c)
4.5 De voorzitter is ten aanzien van dit klachtonderdeel van oordeel dat gelet op de onderbouwing van het door klaagster gemaakte verwijt en de andere stukken in het klachtdossier niet vast is komen te staan dat verweerder (op een tuchtrechtelijke wijze) in strijd met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft gehandeld of anderszins vanwege zijn betrokkenheid bij deze vaststellingsovereenkomst een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dit klachtonderdeel wordt daarom ook kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 december 2025
