Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:257
Zaaknummer
250325
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd. Het is niet duidelijk geworden dat enige procedure een redelijke kans van slagen zou hebben.
Uitspraak
van 8 december 2025
in de zaak 250325
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 16 september 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat een procedure tegen de Nederlandse Staat met als doel om een wetswijziging of nieuwe wetgeving te bewerkstelligen weinig kansrijk is. Daarvoor bestaan andere mogelijkheden, waarvoor klager geen advocaat nodig heeft. Voor zover klager de Nederlandse staat aansprakelijk wil stellen omdat hij naar zijn mening ten onrechte is veroordeeld, heeft hij zijn verzoek onvoldoende onderbouwd.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 23 september 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Verder bevat het dossier het verweer van de deken. Klager is in de gelegenheid gesteld te repliceren, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
1.4 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 beklag en verweer
Gronden van het beklag
2.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Hij voert aan dat hij een zaak wil starten tegen de Nederlandse Staat namens hemzelf en minimaal 30.000 andere slachtoffers vanwege door de overheid aangerichte schade wegens het schenden van mensenrechten en het uitvoeren van onrechtmatige daden. De zaak moet op dezelfde manier worden opgepakt als de kindertoeslagaffaire.
2.2 Omdat klager zonder resultaat heeft geprobeerd hiervoor zelf een advocaat te vinden, heeft hij aan de deken gevraagd hem een advocaat toe te wijzen. De deken heeft het verzoek te goedkoop afgewezen, omdat klager zogenaamd ook zonder advocaat zou kunnen zorgen voor een wetswijziging. Dat is echter onjuist, omdat klager sinds 2018 al vele brieven heeft verzonden aan de Tweede Kamer, alle politieke partijen en zelfs de Koning en de minister. Niemand pakt het probleem serieus op, terwijl een van de vorige ministers heeft geconstateerd dat deze wetgeving al jaren door politie, Openbaar Ministerie en justitie verkeerd wordt nageleefd. Aan deze corruptie moet een eind gemaakt worden. Het wordt tijd dat van alle slachtoffers alle schades vergoed worden zoals het schonen van hun zogenaamde strafblad, en dat er een vergoeding komt voor de onterechte straffen die door de zogenaamde rechtspraak zijn uitgedeeld, aldus klager.
Verweer
2.3 De deken heeft uit het aanwijzingsverzoek begrepen dat het verzoek betrekking heeft op wetgeving omtrent kindermisbruik en dat klager stelt daarvan (met vele anderen) slachtoffer te zijn geweest. Kennelijk wenst klager dat deze wetgeving wordt afgeschaft. Ook vindt klager blijkbaar dat hij zelf ten onrechte is veroordeeld (omdat hij stelt zelf ook slachtoffer te zijn van de gestelde onjuiste wetgeving).
2.4 De stafjurist heeft bij klager nadere informatie opgevraagd over zijn veroordeling(en) en hem daarbij gevraagd om aan te geven wat daaraan onrechtmatig is. Ook heeft de stafjurist gewezen op een brief van een door klager benaderde advocaat, die hem heeft geschreven dat naar haar oordeel - en nadat zij alle stukken had bestudeerd - de wetgever aan zet is en het pad via een rechtszaak weinig perspectief biedt. De stafjurist heeft klager gevraagd om aan te geven waarom hij het niet eens is met dit oordeel. Op de vraag de veroordelingen naar het bureau te sturen en aan te geven waarom hij van mening is dat de veroordelingen onrechtmatig waren, heeft klager nooit geantwoord. Klager heeft in zijn reactie alleen zijn eigen visie gegeven op nudisme en kinderporno en verwezen naar publicaties in media.
2.5 De deken meent dat klager zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en dat zij niet kan beoordelen of klager werkelijk bijstand van een advocaat nodig heeft. Zij kan uit het verzoek niet afleiden of en zo ja, waarom de Nederlandse Staat onrechtmatig heeft gehandeld en welke schade is aangericht. Niet gebleken is dat klager ten onrechte is veroordeeld. Zoals de door klager benaderde advocaat hem heeft laten weten, lijkt het meer te gaan om een door klager gewenste aanpassing van wetgeving. Om dat te bereiken is een gerechtelijke procedure niet zinvol.
3 BEOORDELING
Toetsingskader
3.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Overwegingen van het hof
3.2 De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager ligt om concreet, aan de hand van feiten aan te geven wat er wanneer is gebeurd, wat daarbij volgens klager op welk moment en waarom fout is gegaan en wat de schade is, die klager daardoor meent te hebben geleden. Ook dient de klager aan de hand van de onderliggende documenten voldoende aanknopingspunten aan de deken aan te leveren om de haalbaarheid van een procedure te kunnen inschatten.
3.3 Dat alles heeft klager niet gedaan. Ook het hof kan uit de van klager ontvangen gegevens niet veel meer opmaken dan dat klager van mening is dat sprake is van maatschappelijke misstanden op grond waarvan in zijn visie ten onrechte (strafrechtelijke?) veroordelingen plaatsvinden. Het hof leest het verzoek en het beklag van klager eveneens zo dat klager een wijziging van de wetgeving beoogt, zoals ook de deken heeft begrepen. Het hof is met de deken van oordeel dat een gerechtelijke procedure daarvoor niet het geëigende middel is. De deken heeft mogen beslissen dat klager zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en dat niet duidelijk is geworden dat enige procedure een redelijke kans van slagen zou hebben.
3.4 Het beklag is op grond van het voorgaande ongegrond.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 16 september 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. M.S.A. van Dam en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 8 december 2025.
