Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:251

Zaaknummer

25-658/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de deken. Niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een onpartijdige en onzorgvuldige klachtbehandeling. Verweerster kon ervoor kiezen geen inhoudelijk oordeel (visie) te geven. Zij heeft dat later alsnog gedaan. Het is de voorzitter niet gebleken dat verweerster het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag

van 3 december 2025 in de zaak 25-658/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

over:

verweerster

in haar hoedanigheid van deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 26 september 2025 met kenmerk R 2025/089 en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 25. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klaagster van 20 oktober 2025.

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

Eerste tuchtklacht en aanwijzingsverzoek

1.1 Op 26 juni 2023 heeft klaagster bij de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland een klacht ingediend over mr. S.

1.2 Op 31 juli 2023 heeft een stafjurist, namens verweerster, aan klaagster geschreven:

“Ik wil graag de klacht met u bespreken, wat u wel en niet van de klachtprocedure bij de deken kunt verwachten, hoe het aanwijzen van een advocaat in zijn werk gaat en hoe het verdere verloop van de klachtenprocedure zal gaan.

Ik zal u morgen om 14:00 bellen.”

1.3 Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en geschreven:

“De klachtprocedure is mij wel bekend. Ik heb reeds eerder een klacht over een advocaat betrokken bij een incasso zaak aan u voorgelegd. Het resultaat is dat deze zaak (hoofdsom 20,21 euro) na zeven jaar nog steeds niet afgehandeld is. De belangrijkste vraag aan u is, wat is de toegevoegde waarde van een advocaat?

Ik spreek u morgen om 14.00 uur.”

1.4 Op 1 augustus 2023 heeft klaagster verzocht om aanwijzing van een advocaat (op grond van artikel 13 Advocatenwet).

1.5 Bij e-mail van 4 augustus 2023 is de ontvangst van de klacht van 26 juni 2023 bevestigd en is mr. S om reactie gevraagd. In de e-mail is voor informatie verwezen naar onder andere de Leidraad dekenale klachtbehandeling.

1.6 Bij e-mail van 18 september 2023 heeft verweerster het verzoek om aanwijzing gemotiveerd afgewezen.

1.7 Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en aan verweerster geschreven:

“Aangezien u mijn verzoek een andere advocaat toe te wijzen reeds heeft afgewezen, bevreemdt mij uw reactie.

Met reden is een klachtenprocedure opgestart, graag verneem ik van u wat de stand van zaken procedure is. (…)

Volgens uw procedure onderzoekt de deken de klacht en bemiddelt als daartoe mogelijkheden zijn. Wordt geen oplossing gevonden dan zendt de deken de klacht door naar de bevoegde raad van discipline.

Ik concludeer naar aanleiding van uw bericht dat er geen passende oplossing is gevonden. Uiteraard verneem ik dit graag schriftelijk van de deken.”

1.8 Klaagster heeft beklag ingesteld tegen de afwijzende beslissing van verweerster van 18 september 2023.

1.9 In reactie op een bericht van klaagster van 20 september 2023, heeft verweerster op 21 september 2023 aan haar het volgende geschreven:

“Als ik u goed begrijp gaat u met mij de discussie aan over de juistheid van het besluit en vraagt u om verduidelijking van het besluit, terwijl u tegelijkertijd ook beklag heeft ingediend tegen het besluit bij het hof. Dat is verwarrend. Het hof zal mij vragen om mijn verweer tegen uw beklag. Ik zal mijn reactie geven in dat verweer en niet nu al daarop vooruitlopend.”

1.10 Op 22 september 2023 heeft klaagster het beklag ingetrokken.

1.11 Na reactie van mr. S, repliek van klaagster en dupliek van mr. S heeft een stafjurist, namens verweerster, bij e-mail van 25 september 2023 de stukkenwisseling in het kader van het onderzoek naar de klacht beëindigd. In haar e-mail aan klaagster en mr. S heeft verweerster onder meer geschreven:

“Ik zal de klacht nader onderzoeken en mijn bevindingen daarover geven (dekenoordeel) in de aanbiedingsbrief. Voordat ik de aanbiedingsbrief opmaak en naar de raad van discipline stuur, dient [klaagster] het griffierecht te betalen. (…)

Indien het griffierecht niet vóór 23 oktober a.s. is ontvangen, neem ik aan dat u uw klacht niet wenst door te zenden aan de raad van discipline en deze laat rusten. Het dossier zal dan buiten behandeling worden gesteld.

Als [klaagster] nog wil bespreken mij of ik denk dat het zin heeft de klacht voor te leggen aan de raad van discipline, voordat zij het griffierecht betaalt, kan zij altijd telefonisch contact opnemen via onderstaand telefoonnummer.”

1.12 Op 24 oktober 2023 heeft een stafjurist, namens verweerster, aan klaagster en mr. S bevestigd dat klaagster het griffierecht niet heeft voldaan en dat het dossier om die reden wordt gesloten.

1.13 Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en onder meer geschreven:

“Aangezien mijn ervaringen met uw organisatie zeer teleurstellend zijn zal ik de procedure niet continueren. Ik verwijs in deze naar de afhandeling van een klacht die ik reeds eerder aan u heb voorgelegd. Ik heb naar aanleiding van deze ervaring geen vertrouwen in een voorspoedige afhandeling van mijn huidige klacht over de betrokken advocaat.

Inmiddels zijn er voldoende redenen om de handelswijze van de deken te beklagen: Zoals het verstrekken van tegenstrijdige informatie over het toewijzen van een andere advocaat, een niet ondertekende beslissing sturen via de e-mail en een te lange duur voorbehandeling klacht.”

1.14 Namens verweerster is daarop diezelfde dag als volgt gereageerd:

“Ik kan uw email in het licht van deze en uw vorige klachten niet goed plaatsen.

Ik weet ook niet over welke beslissing u het heeft. U kunt mij het beste hierover bellen.”

Awb-klacht

1.15 Op 24 oktober 2023 heeft klaagster een klacht ex hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen verweerster ingediend:

“Hierbij dien ik een klacht in naar aanleiding van de beslissing van de Deken (…), die op 18 september 2023 is genomen inzake het verzoek om toewijzing van een andere advocaat ingevolge artikel 10 van de Advocatenwet. Op 20 juli 2023 ontving ik reeds een afwijzing van dit verzoek. De deken van de Orde van Advocaten is van mening dat er gegronde redenen zijn om niet in te gaan op het verzoek.

Het beklag betreft het ontbreken van de handtekeningen binnen het wettelijke kader voor (elektronische) handtekeningen. (…) Ondanks verzoek om ondertekening beslissing (20 september 2023) heeft de deken geen gehoor gegeven aan het verzoek.”

1.16 Op 30 oktober 2023 is namens verweerster de ontvangst van de klacht bevestigd en is klaagster, gelet op artikel 8 van het Klachtenreglement van de Orde Noord-Nederland in de gelegenheid gesteld te worden gehoord op 23 november 2023.

1.17 Klaagster heeft diezelfde dag per e-mail laten weten dat zij afziet van de hoorzitting.

1.18 Bij brief van 22 november 2023 heeft de adjunct-secretaris, namens verweerster, klaagsters Awb-klacht gemotiveerd ongegrond verklaard.

1.19 Klaagster heeft diezelfde dag om 18:04 uur als volgt gereageerd:

“Ik kan mij niet herinneren dat ik uitgenodigd ben voor een hoorzitting. Daarom graag meer inzicht in de procedure. Op het moment dat een bestuursrechter betrokken wordt ingevolgde de AWB dien ik gehoord te worden.

Derhalve neem ik geen kennis van uw beslissing.”

1.20 Diezelfde dag om 18:31 uur heeft klaagster onder meer geschreven:

“Op 30 oktober 2023 heb ik afgezien van het recht om gehoord te worden.

Onder punt 4 van uw beslissing wordt vermeld dat ik de klacht tegen de deken heb ingetrokken. De ingediende klacht bij het Hof van Discipline is ingetrokken vanwege het ontbreken van rechtsgeldige documenten, zoals een ondertekende beslissing. Daarentegen is de klacht bij de bestuursrechter niet ingetrokken. (….)

De wijze van corresponderen naar klagers door de Orde van Advocaten die rechtsbescherming behoeven vind ik op zijn minst kwalijk. Ik mag verwachten dat de Orde van Advocaten een kwaliteitsstandaard hanteert. Er wordt niet adequaat gereageerd op het verzoek om een vervangende advocaat, echter bent u druk doende met het schrijven van zogenaamde beslissingen die zonder ondertekening worden verstuurd via de e-mail.

Ik heb niet de indruk dat u de ernst van mijn situatie inziet.”

1.21 Op 23 november 2023 heeft de adjunct-secretaris op klaagsters berichten gereageerd en onder meer geschreven:

“Als u het niet eens bent met de beslissing, kunt u zich tot de ombudsman wenden. Ik verwijs u naar de beslissing waarin u hier informatie over kunt vinden.

Ik sluit dit dossier en zal op verdere correspondentie in dit dossier niet meer reageren. Als u nog vragen heeft, kunt u telefonisch contact opnemen via onderstaand telefoonnummer.”

1.22 Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en geschreven:

“Vanwege de ondertekening beslissing, namens de deken en niet door een bestuursrechter, heb ik niet de indruk dat mijn klacht over het handelen van de deken aan een bestuursrechter is voorgelegd. De deken heeft de klacht zelf afgehandeld.

Ik hecht dan ook geen enkele waarde aan deze zogenaamde afhandeling klachtprocedure op grond van de AWB.”

Tweede tuchtklacht

1.23 Op 19 juli 2024 heeft klaagster een nieuwe c.q. aanvullende klacht ingediend tegen mr. S. Zij schrijft dat er recent nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen.

1.24 Op 29 juli 2024 heeft een stafjurist, namens verweerster, de ontvangst van de klacht (geregistreerd onder nummer 2024 KNN087 – zaak 2359507) aan klaagster en mr. S bevestigd. In de e-mail is onder meer opgenomen:

“De klacht die door [klaagster] is ingediend, is een voortzetting van de klacht die in juni 2023 is ingediend (dossier 2246106). Dit dossier is op 24 oktober 2023 gesloten wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht door [klaagster]. Dit dossier met nummer 2246106 zal worden toegevoegd aan dit nieuwe dossier. Het gaat om de navolgende stukken: (…)

Ik verzoek [mr. S] uiterlijk 26 augustus a.s. te reageren op het klachtformulier met bijlagen van 19 juli jl. (…). In beginsel zal deze klacht verkort worden behandeld. Dat betekent dat na ontvangst van het verweer er geen tweede schriftelijke ronde zal plaatsvinden. (…)

Indien [klaagster] meent dat de klacht moet worden doorgezonden aan de raad van discipline, dan dient zij € 50,- griffierecht te betalen (…). Pas na betaling van het griffierecht zal de klacht ter kennis van de raad van discipline worden gebracht. Het griffierecht moet binnen vier weken na de dagtekening dezes zijn bijgeschreven op het bekendgemaakte rekeningnummer, derhalve vóór 27 augustus a.s.

Indien het griffierecht niet vóór 27 augustus a.s. is bijgeschreven, neem ik aan dat [klaagster] haar klacht niet wenst door te zenden aan de raad van discipline en deze laat rusten. Het dossier zal dan buiten behandeling worden gesteld.”

1.25 Op 2 september 2024 heeft een stafjurist, namens verweerster, aan klaagster laten weten dat klaagster het griffierecht niet heeft voldaan, dat de klacht daarom niet ter kennis van de raad van discipline zal worden gebracht en dat het dossier buiten behandeling zal worden gesteld.

1.26 Klaagster heeft daarop diezelfde dag gereageerd en onder meer geschreven:

“Met betrekking tot de op grond van de Advocatenwet ingediende klacht inzake het handelen van de betrokken advocaat(zaaknummer 2023 KNN074 - Zaak 2246106) breng ik het volgende onder uw aandacht.

In uw e-mail van 25 september 2023 stelt u dat de klacht nader wordt onderzocht en dat uw bevindingen zullen worden opgenomen in een aanbiedingsbrief. U geeft daarbij aan dat klager het verschuldigde griffierecht dient te voldoen alvorens de aanbiedingsbrief kan worden opgemaakt en naar de Raad van Discipline kan worden verzonden.

Op uw website wordt aangegeven dat de lokale deken eerst een vooronderzoek instelt in het kader van de tuchtprocedure, met als doel te bezien of de klacht in der minne kan worden geschikt. Indien een minnelijke oplossing uitblijft, of indien klager het oneens is met de conclusies van het vooronderzoek, kan klager verzoeken om doorzending van de klacht naar de Raad van Discipline. De deken is in dat geval verplicht de klacht door te sturen, waarna klager het griffierecht verschuldigd is.

Echter, tot op heden zijn de conclusies van het vooronderzoek niet met de belanghebbenden gedeeld. Indien deze conclusies reeds zijn opgesteld, verneem ik graag een afschrift daarvan per ommegaande.

Voorts wil ik u informeren dat, gelet op nieuwe informatie, de klacht opnieuw aan u is voorgelegd onder dossiernummer 2024 KNN087 - Zaak 2359507.”

1.27 Namens verweerster is diezelfde dag gereageerd en onder meer geschreven

“De e-mail van 25 september 2023 waarnaar u verwijst behoort tot het dossier met nummer 2246106. Dit dossier is op 24 oktober 2023 gesloten vanwege het niet betalen van het griffierecht.

Op 24 juli 2024 is er telefonisch contact met u geweest en is er afgesproken dat de huidige klacht (dossier 2359507) beschouwd werd als een voortzetting van de eerdere klacht die u had ingediend. In navolging hierop heeft de deken op grond van artikel 46c Advocatenwet een nader onderzoek ingesteld en is mr. [S] gevraagd om verweer te voeren. Dit verweer is op 22 augustus jl. ontvangen. Hierdoor bericht ik u volledigheidshalve dat na ontvangst van het verweer de schriftelijke stukkenwisseling in het kader van het onderzoek naar de klacht als geëindigd wordt beschouwd. De standpunten over en weer zijn thans voldoende toegelicht.

Ik meld u expliciet dat het niet de bedoeling is dat u (beiden) nog nadere brieven en/of stukken inbrengt. Deze zullen in beginsel niet worden toegevoegd aan het klachtdossier dan wel geretourneerd. In dat kader bericht ik u dan ook dat uw e-mail van 22 augustus 2024 13:54 uur niet wordt toegevoegd aan het dossier. Ik verwijs u naar artikel 2.4 van de Leidraad dekenaal klachtonderzoek.

U stelt in uw e-mail van vanmiddag dat “indien een minnelijke oplossing uitblijft, of indien klager het oneens is met de conclusies van het vooronderzoek, klager kan verzoeken om doorzending van de klacht naar de Raad van Discipline” en dat “tot op heden de conclusies van het vooronderzoek niet met de belanghebbenden zijn gedeeld”. Hierdoor bericht ik u dat conform artikel 4 van de Leidraad dekenaal klachtonderzoek de deken bepaalt wanneer het onderzoek is geëindigd en dat de deken zijn verwachting kan uitspreken. Ook op de website staat dat de deken aan het eind van het onderzoek kan laten weten wat hij van de klacht vindt. Dit is evenwel geen verplichting.

Hierdoor bericht ik u dat er op dit moment geen bevindingen zullen worden gedeeld. U wordt bij uitzondering in de gelegenheid gesteld binnen één week na heden, derhalve uiterlijk 9 september a.s., alsnog het griffierecht te voldoen. (…) Na betaling van het griffierecht zal het dossier worden doorgezonden aan de raad van discipline.”

1.28 Op 9 september 2024 heeft een stafjurist, namens verweerster, aan klaagster de ontvangst van haar e-mail van 7 september 2024 bevestigd, waarin klaagster heeft aangegeven dat zij de klacht tegen mr. S niet wenst voort te zetten. Om die reden zal worden overgegaan tot sluiting van het dossier.

1.29 Klaagster heeft daarop diezelfde dag gereageerd en onder meer geschreven:

“Ik heb besloten de klachten over het handelen van de betrokken advocaat niet voort te zetten. De reden hiervoor is dat ik geen vertrouwen heb in een onpartijdig en rechtvaardig oordeel door de Orde van Advocaten.

Het verbaast mij dat de deken van mening is dat het griffierecht eerst voldaan dient te worden voordat er conclusies en aanbevelingen worden gedeeld met het Hof van Discipline. Daarnaast vind ik het opmerkelijk dat de deken geen schikkingsvoorstel heeft gedaan en geen conclusies met de belanghebbenden heeft gedeeld. Het feit dat de deken heeft besloten de zaak te escaleren zonder mij, als klager, hiervan op de hoogte te stellen, is eveneens bijzonder.

Het lijkt erop dat ik als klager geen deel uitmaak van deze procedure, wat ik als zeer onrechtvaardig ervaar.”

Derde tuchtklacht

1.30 Op 9 maart 2025 heeft klaagster aan verweerster geschreven:

“Naar aanleiding van recente ontwikkelingen verzoek ik u hierbij om heropening van het dossier met betrekking tot zaak 2024 KNN087 / zaak 2359507. Graag ontvang ik uw bevestiging van ontvangst en verneem ik op korte termijn uw standpunt omtrent de voortzetting van de procedure.”

1.31 Op 24 april 2025 heeft een stafjurist, namens verweerster, (in zaak 2477714) aan klaagster onder meer geschreven:

“U heeft op 26 juni 2023 een klacht ingediend tegen mr. [S]. Deze klacht bestaat uit de volgende klachtonderdelen: (…)

Aan u en aan mr. [S] is de gelegenheid geboden tot hoor en wederhoor (middels verweer, repliek en dupliek) naar aanleiding van uw klacht. U heeft uw klacht in juli 2024 aangevuld. Ook hierop is verweer ontvangen van mr. [S].

Ik heb u per e-mail van 10 april 2025 verzocht kenbaar te maken wat de nieuwe ontwikkelingen zijn in uw klacht. Uit uw reactie hierop concludeer ik dat er geen nieuwe ontwikkelingen zijn ten opzichte van uw (aangevulde) klacht in 2024 en dat u deze klacht wenst voort te zetten.

Aangezien er geen inhoudelijke aanvulling is, zal ik uw klacht niet voor verweer doorsturen naar mr. [S]. (…)

De deken begrijpt dat u ontevreden bent over de situatie. Uit het klachtdossier heeft de deken echter geen onderbouwing kunnen vinden van de door u naar voren gebrachte klachtonderdelen. Op basis van het klachtdossier heeft de deken evenmin aanleiding te veronderstellen dat het handelen van verweerder afweek van handelen van een redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoot. De deken verwacht op grond van de thans voorliggende stukken niet dat de tuchtrechter verweerder een tuchtrechtelijk verwijt zal maken.

Indien u meent dat de klacht moet worden doorgezonden aan de raad van discipline dient u € 50,- griffierecht te betalen (…).. Pas na betaling van het griffierecht zal de klacht ter kennis van de raad van discipline worden gebracht. Het griffierecht moet binnen vier weken na de dagtekening dezes zijn bijgeschreven op het bekendgemaakte rekeningnummer, derhalve uiterlijk 22 mei a.s. (…)

Indien het griffierecht niet uiterlijk 22 mei a.s. is bijgeschreven, neem ik aan dat u uw klacht niet wenst door te zenden aan de raad van discipline en deze laat rusten. Het dossier zal dan buiten behandeling worden gesteld.”

1.32 Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en onder meer geschreven:

“Tot op heden ben ik door de deken niet geïnformeerd over de bevindingen naar aanleiding van mijn klacht van juni 2023. Er is geen uitspraak gedaan, noch is er een minnelijke regeling voorgesteld. U stelt dat voor het vervolg van de procedure griffierecht verschuldigd is. Echter, het is voor mij onduidelijk tegen welke beslissing ik thans in beroep zou moeten gaan, nu er geen formeel besluit voorligt.

De deken is volledig op de hoogte gesteld van de relevante feiten. (…)

Gezien het voorgaande meen ik dat de deken een buitengewoon coulante houding aanneemt jegens het handelen van de betrokken advocaat, hetgeen naar mijn mening niet strookt met de ernst van de situatie.”

1.33 Diezelfde dag heeft een stafjurist als volgt gereageerd:

“In de e-mail van 24 april 2025 heeft de deken haar voorlopige bevindingen naar aanleiding van het onderzoek uiteengezet. Een definitief oordeel over uw klacht kan alleen de tuchtrechter geven. De behandeling van uw klacht eindigt dus niet als het onderzoek van de deken is afgerond. Er is daarom thans geen sprake van een beslissing waarvan u in beroep zou moeten gaan zoals u in uw e-mail schetst. U kunt de klacht voorleggen aan de tuchtrechter door het griffierecht uiterlijk 22 mei a.s. te voldoen.

Indien u nadere toelichting wenst over de bevoegdheden van de deken en de wijze waarop u uw klacht kunt voortzetten dan ben ik graag bereid dit telefonisch toe te lichten.”

1.34 Op 30 april 2025 heeft klaagster aan verweerster geschreven:

´Volgens de informatie op de website van de Nederlandse orde van advocaten geldt het volgende: indien een klacht niet in onderling overleg wordt opgelost, of indien de klager zich niet kan verenigen met de uitkomst van het vooronderzoek door de deken, dan heeft de klager het recht om doorzending van de klacht naar de Raad van Discipline te verlangen. In dat geval is de deken gehouden de klacht aanhangig te maken bij de tuchtrechter, met dien verstande dat de klager in dat stadium griffierechten is verschuldigd.

Mogelijk is het aan uw aandacht ontsnapt, maar ik ben tot op heden niet op de hoogte gesteld van de conclusies van het vooronderzoek. Zonder kennisneming van deze conclusies kan ik geen geïnformeerd standpunt innemen over de verdere behandeling van de klacht.

Ik verzoek u derhalve mij alsnog onverwijld te voorzien van de volledige inhoudelijke bevindingen van het vooronderzoek, zodat ik zo nodig formeel kan verzoeken om doorzending van de klacht naar de Raad van Discipline.”

1.35 Op 1 mei 2025 heeft een stafjurist, namens verweerster, gereageerd en onder meer geschreven:

“Bij e-mail van 30 april jl. (…) heeft u verzocht om de volledige inhoudelijke bevindingen van het vooronderzoek van de deken. Ik verwijs u graag naar de e-mail van mijn collega d.d. 2 september 2024 (…). In dat bericht is meegedeeld dat de deken zijn verwachting kan uitspreken en dat dit geen verplichting is.

Daar komt bij dat de deken bij e-mail van 24 april jl. reeds heeft laten weten wat hij van de klacht vindt (…). Alle schriftelijke stukken uit de klachtdossiers met nummers 2246106 en 2359507 zijn aan onderhavig dossier toegevoegd.

Het staat u ondanks de verwachting van de deken uiteraard vrij uw klacht aan de tuchtrechter voor te leggen. Het is immers uiteindelijk niet aan de deken maar aan de tuchtrechter om een definitief oordeel over uw klacht te vellen.

Indien u wenst dat de klacht wordt doorgezonden aan de raad van discipline (tuchtrechter) dan dient zoals gezegd uiterlijk 22 mei a.s. het griffierecht ad € 50,- te zijn bijgeschreven op het bekendgemaakte rekeningnummer. Indien het griffierecht niet uiterlijk 22 mei a.s. is bijgeschreven, neem ik aan dat u uw klacht niet wenst door te zenden aan de raad van discipline en deze laat rusten. Het dossier zal dan buiten behandeling worden gesteld.”

1.36 Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en onder meer geschreven:

“In de e-mail d.d. 2 september 2024 stelt de deken dat er geen bevindingen met klager zullen worden gedeeld. Aansluitend wordt medegedeeld dat eerst het griffierecht voldaan dient te worden alvorens de procedure – mogelijk – kan worden voortgezet.

Volgens artikel 4.4 van de Leidraad geldt dat de deken een verwachting mag uitspreken ten aanzien van het oordeel van de Raad van Discipline, de deken onthoudt zich echter van commentaar. Voorts wordt gesteld dat, alvorens een klacht aan de tuchtrechter – de Raad van Discipline – kan worden voorgelegd, een griffierecht van € 50,-- verschuldigd is.

Het is echter onduidelijk op welke rechtsgrond klager toegang zou kunnen verkrijgen tot de tuchtrechtelijke beoordeling van de klacht, nu eerdere procedurele stappen niet zijn nageleefd. Zo is in strijd met artikel 4 van het Klachtreglement geen poging ondernomen tot afdoening in der minne. Evenmin is klager overeenkomstig artikel 8 de gelegenheid geboden om te worden gehoord.

Gezien het voorgaande is er geen sprake geweest van een behoorlijke en zorgvuldige klachtbehandeling, hetgeen een schending oplevert van het beginsel van fair trial en daarmee de fundamentele beginselen van behoorlijk bestuur.”

1.37 Op 12 mei 2025 heeft een stafjurist, namens verweerster, gereageerd en onder meer geschreven:

Graag verwijs ik u naar mijn bericht van 24 april jl. (…) waarin de bevindingen van de deken met u zijn gedeeld. Wij wachten eventuele betaling van het griffierecht af.

Ten aanzien van uw opmerking dat in strijd met artikel 4 van het Klachtreglement geen poging is ondernomen tot afdoening in der minne, verwijs ik u naar mijn bericht d.d. 1 mei jl. (…) in dossier 2481329. Op de klachtenprocedure is de Leidraad dekenaal klachtonderzoek van toepassing en niet het Klachtenreglement.

1.38 Op 26 mei 2025 heeft een stafjurist, namens verweerster, aan klaagster bericht dat het griffierecht niet is voldaan en dat het dossier om die reden zal worden gesloten.

Tuchtklacht andere advocaat

1.39 Op 21 maart 2025 heeft klaagster bij verweerster een klacht ingediend tegen advocaat mr. B. De klacht is geregistreerd onder nummer 2481319.

1.40 Op 30 april 2025 heeft een stafjurist, namens verweerster, de ontvangst van het verweer van mr. B bevestigd, evenals de reactie daarop van klaagster. In de e-mail staat vervolgens:

“Hierbij merk ik op dat het niet de bedoeling is dat u zonder verzoek van de deken reageert op elkaars stukken. Aangezien [klaagster] meteen al heeft gereageerd op het verweer van mr. [B], geef ik mr. [B] de kans op haar reactie te reageren. Daarna zal de deken zich over de klacht buigen. Nieuwe stukken worden niet meer geaccepteerd, tenzij de deken er in het kader van haar nader onderzoek zelf om vraagt.”

1.41 Klaagster heeft diezelfde dag gereageerd en geschreven:

“Ten aanzien van het reageren elkaars stukken, zonder dat hier een verzoek van de deken aan ten grondslag lag. Uw Klachtenreglement voorziet niet in een dergelijke ongevraagde reactie op elkaars stukken.

1.42 Diezelfde dag heeft een stafjurist, namens verweerster, gereageerd en geschreven:

“U verwijst in uw e-mail van zojuist naar het Klachtenreglement van de orde van advocaten Noord-Nederland. Een klacht tegen een advocaat wordt echter behandeld conform de Leidraad dekenaal klachtonderzoek (zie bijlage). In artikel 2.4 staat 'Stukken of reacties die ongevraagd worden toegestuurd, worden niet in behandeling genomen'.”

1.43 Klaagster heeft daarop als volgt gereageerd:

“Uit de beschikbare documentatie blijkt dat zowel een leidraad als een klachtenreglement van toepassing zijn. Ter bevordering van de rechtszekerheid is het van belang dat eenduidige en consistente informatie wordt verstrekt. Thans is onduidelijk welk document als primair richtsnoer dient te worden beschouwd.”

1.44 Op 1 mei 2025 heeft een stafjurist, namens verweerster, gereageerd:

“Op klachten die zijn ingediend ex hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht is het Klachtenreglement van de orde van advocaten Noord-Nederland van toepassing. Op klachten in het kader van tuchtrecht (Advocatenwet) is de Leidraad dekenaal klachtonderzoek van toepassing.

De onderhavige klachtenprocedure wordt derhalve behandeld conform de Leidraad dekenaal klachtonderzoek.”

Klacht tegen verweerster

1.45 Op 26 mei 2025 heeft klaagster bij het Hof van Discipline een klacht ingediend over verweerster.

1.46 Bij beslissing van 12 juni 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam.

2 KLACHT

2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende.

a) Gebrek aan onpartijdige en zorgvuldige klachtbehandeling

Klaagster stelt dat zij geen vertrouwen meer heeft in een objectieve en rechtvaardige behandeling van haar klacht door verweerster. Verweerster heeft de klacht niet objectief en evenwichtig onderzocht. Er zijn in klaagsters optiek tekortkomingen in de toepassing van de beginselen van zorgvuldigheid, transparantie, hoor en wederhoor (art. 8 Klachtreglement) en het streven naar een minnelijke afdoening (art. 4 Klachtreglement).

b) Ontbreken van inhoudelijke terugkoppeling en betrokkenheid

Ondanks herhaalde verzoeken en aanvullende informatie heeft klaagster geen inhoudelijke terugkoppeling ontvangen over conclusies, aanbevelingen of een schikkingsvoorstel inzake dossier 2024 KNN087 – Zaak 2359507. Klaagster had deze informatie nodig om een geïnformeerde beslissing te nemen over doorzending naar de Raad van Discipline. Het op 24 april 2025 verstrekte voorlopige oordeel bevatte geen concrete bevindingen, onderbouwing of weging van argumenten.

c) Procedure onduidelijkheid omtrent griffierecht

Verweerder heeft klaagster bericht dat eerst het griffierecht voldaan moet worden alvorens verdere conclusies aan het Hof van Discipline kunnen worden voorgelegd. Deze werkwijze roept vragen op over de juiste toepassing van de procedure. Inzage in het vooronderzoek is afhankelijk gesteld van voorafgaande betaling van het griffierecht, terwijl de Advocatenwet uitsluitend voorschrijft dat het griffierecht vóór doorzending verschuldigd is.

d) Afwijzing heropeningsverzoek zonder heldere motviering

Klaagsters verzoeken tot heropening zijn zonder duidelijke inhoudelijke motivering afgewezen, terwijl tegelijkertijd een nieuw zaaknummer is toegekend. Hierdoor is onduidelijk wat de formele status van klaagsters klacht is.

2.2 Klaagster stelt dat door deze handelwijze haar recht op een eerlijke en zorgvuldige klachtbehandeling is geschonden, in strijd met de wettelijke en reglementaire bepalingen, het beginsel van fair trial (art. 6 EVRM) en de vereisen van transparantie en motiveringsplicht. Verweerster heeft bij de behandeling van klachten 2359507 en 2477714 in strijd gehandeld met de kernbeginselen van een behoorlijke klachtbehandeling, zoals neergelegd in het Klachtreglement, de Leidraad dekenaal klachtonderzoek en de algemene beginselen van behoorlijk bestuurd.

3 VERWEER

3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij stelt dat er vaak met klaagster is gebeld en gemaild. Verweerster stelt dat klaagster in een telefoongesprek van 18 september 2023 heeft aangegeven dat zij geen prijs stelde op een inhoudelijk oordeel van verweerster aangezien “wij er toch niets van snapten”. Verweerster ziet niet waar de klachtbehandeling onzorgvuldig of niet objectief genoeg geweest zou zijn. Het is verweerster onduidelijk waarvan klaagster graag een terugkoppeling had ontvangen. Verweerster ging ervanuit dat klaagster hiermee doelde op een voorlopig oordeel ten aanzien van het onderzoek. Er was immers geen voorlopig oordeel gegeven, omdat klaagster (aanvankelijk) had meegedeeld daar geen prijs op te stellen. Uiteindelijk is, naar aanleiding van klaagsters verzoek om terugkoppeling, op 24 april 2025 wel een voorlopig oordeel gegeven. De betaling van het griffierecht is een wettelijk vereiste. Klaagster heeft haar klacht tegen mr. S driemaal voorgelegd en steeds is de oude klacht h

3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 De klacht heeft betrekking op het handelen van verweerster in haar hoedanigheid van deken. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.

4.2 Als deken oefent verweerster – in beginsel – niet haar beroep van advocaat uit, maar houdt zij toezicht op de naleving van (onder meer) de Advocatenwet. Mede gelet hierop zijn er naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende aanknopingspunten met haar beroep van en praktijk als advocaat en zal getoetst worden of verweerster in haar functie van deken zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.

4.3 De voorzitter merkt daarbij op dat de tuchtrechter niet toetst aan de Awb, maar alleen aan artikel 46 Advocatenwet.

Klachtonderdeel a)

4.4 Klaagster verwijt verweerster dat er geen sprake is geweest van een onpartijdige en zorgvuldige klachtbehandeling. De voorzitter kan dat op grond van de in het klachtdossier aanwezige correspondentie, zoals weergegeven bij de feiten, niet vaststellen. Klaagster wijst erop dat er tekortkomingen zijn in onder meer de beginselen van hoor en wederhoor en het streven naar een minnelijke afdoening, waarbij zij wijst op het Klachtreglement. Bij de behandeling van tuchtklachten tegen advocaten is echter niet het Klachtreglement, maar de Leidraad dekenale klachtbehandeling van toepassing, zoals een stafjurist op 30 april en 1 mei 2025 ook aan klaagster heeft vermeld. Verweerster heeft terecht opgemerkt dat zowel klaagster als mr. S meermaals de gelegenheid hebben gekregen hun standpunt kenbaar te maken. Voor zover klaagster verweerster ook verwijt dat er geen bemiddeling heeft plaatsgevonden, geldt dat verweerster hiertoe niet verplicht is.

4.5 Voor zover dit verwijt er ook op ziet dat brieven en/of beslissingen “namens de deken” zijn ondertekend door medewerkers, zonder fysieke of digitale handtekening, geldt dat dit niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Verweerster heeft terecht opgemerkt dat haar medewerkers namens de deken en onder verantwoordelijkheid van deze deken werkzaamheden verrichten. Daarmee wordt het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad.

4.6 Voor zover klaagster klaagt dat de communicatie rondom de toewijzing van een advocaat niet eenduidig was, geldt dat de voorzitter klaagster niet kan volgen in haar stelling dat haar verzoek tweemaal werd afgewezen. Dit blijkt niet uit de overgelegde correspondentie. Als klaagster het niet eens was met de afwijzing (of de motivering daarvan), had zij beklag kunnen instellen bij het Hof van Discipline (zoals zij aanvankelijk heeft gedaan, maar ook weer heeft ingetrokken).

4.7 Klaagster lijkt ook te wijzen op de afhandeling van de Awb-klacht, waarbij namens verweerster op de klacht is beslist. Dat is conform het Klachtreglement. Klaagster is erop gewezen dat zij zich zo nodig kon wenden tot de Nationale Ombudsman als zij niet tevreden was over de afhandeling van de klacht. Ook hier is het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad.

4.8 Klaagster heeft verder niet concreet gemaakt welke tekortkomingen er zijn op het gebied van onder meer hoor en wederhoor, zorgvuldigheid en transparantie. Dat verweerster bij de klachtbehandeling het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, is de voorzitter niet gebleken. Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b)

4.9 Klaagster verwijt verweerster dat zij, ondanks herhaalde verzoeken, geen inhoudelijke terugkoppeling heeft ontvangen over conclusies en/of aanbevelingen. Verweerster heeft toegelicht dat er in 2023 voor is gekozen geen inhoudelijk oordeel op de klacht te geven, omdat klaagster telefonisch had aangegeven dat verweerster er niets van snapte. Dat mocht zij doen. Verweerster kan een verwachting of oordeel op de klacht geven, maar is daartoe niet verplicht. Dat zij dat in dit geval niet heeft gedaan, is dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Uit de correspondentie blijkt dat klaagster later wel een inhoudelijk oordeel van de deken wenste. Verweerster heeft toen (op 24 april 2025) wel haar visie met klaagster gedeeld. Klaagster vindt die visie onvoldoende. Het is echter aan verweerster om te bepalen hoe zij haar visie op de klacht vormgeeft en onderbouwt. Dat zij daarmee het vertrouwen in de advocaat heeft geschaad, is de voorzitter niet gebleken. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c)

4.10 Klaagster verwijt verweerster dat de procedure rondom het griffierecht onduidelijk was. Zij is echter steeds gewezen op het feit dat griffierecht moest worden betaald voordat de klacht zou worden doorgezonden aan de raad (zoals blijkt uit de e-mails van 25 september 2023, 29 juli 2024 en 24 april 2025). Daarbij is steeds een duidelijke termijn gesteld en is vermeld dat het dossier gesloten zou worden gesteld als geen griffierecht zou worden betaald.

4.11 Voor zover dit klachtonderdeel er ook op ziet dat verweerster geen inhoudelijke terugkoppeling heeft gegeven voor betaling van het griffierecht, wordt verwezen naar hetgeen is overwogen bij klachtonderdeel b).

4.12 Dit klachtonderdeel is gelet daarop kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel d)

4.13 Klaagster verwijt verweerster dat haar verzoeken tot heropening zonder duidelijke motivering zijn afgewezen, terwijl tegelijkertijd een nieuw zaaknummer werd toegekend. De voorzitter kan klaagster ook hierin niet volgen. Na indiening van de tweede klacht is klaagster op 29 juli 2024 duidelijk geïnformeerd over de gang van zaken: het eerdere dossier (eindigend op nummer 106) was gesloten, maar het dossier werd toegevoegd aan het nieuwe dossier. Daarbij is een opsomming gegeven van de stukken. Hetzelfde is volgens verweerster in 2025 gebeurd bij de derde klacht. Naar het oordeel van de voorzitter was daarmee voor klaagster voldoende duidelijk wat de status was van haar klachten. Verweerster heeft met deze wijze van handelen het vertrouwen in de advocatuur niet geschaad. Ook dit verwijt is kennelijk ongegrond.

Tot slot

4.14 De voorzitter is dan ook van oordeel dat verweerster bij de klachtbehandeling voldoende duidelijk, zorgvuldig en transparant is geweest. Dat zij daarbij op enige wijze het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, is niet gebleken. De klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.

 

Griffier Voorzitter

Verzonden op: 3 december 2025