Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:269
Zaaknummer
25-272/AL/MN
Zaaknummer
25-273/AL/MN
Zaaknummer
25-274/AL/MN
Inhoudsindicatie
ongegrond verzet
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 8 december 2025
in de zaken in de zaken 25-272/AL/MN, 25-273/AL/MN en 25-274 /AL/MN
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 2 juni 2025 op de klachten van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 17 september 2023 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) drie klachten ingediend over verweerder.
1.2 Op 23 april 2025 heeft de raad de klachtdossiers met de kenmerken Z 2268581/FB/SD (25-272), Z 2268588/FB/SD (25-273) en Z 2268589/HH/SD (25-274) van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 2 juni 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) deze klachten deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Op 2 juli 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter in zijn drie klachtzaken.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 3 november 2025 . Daarbij was klager aanwezig.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift .
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
I) de voorzitter heeft de beslissing gebaseerd op aantoonbaar onjuiste feiten;
II) de voorzitter heeft verwezen naar eerdere tuchtklachten van klager en die zonder gedegen inhoudelijke analyse samengevat om als context te gebruiken om de onderhavige klachten te diskwalificeren. Iedere tuchtklacht staat op zichzelf, heeft zijn eigen feitencomplex en is gebaseerd op afzonderlijke gedragingen van de beklaagde advocaat. Door de onderhavige drie klachten van klager samen te voegen heeft de voorzitter ten onrechte de suggestie gewekt dat sprake is van herhaling of misbruik, terwijl daar evident geen sprake van is. De beslissing van de voorzitter over de onderhavige klachten van klager is in strijd met het fundamentele beginsel van een eerlijk proces;
III) de voorzitter heeft ten onrechte de onderhavige drie klachten zonder duidelijke motivering en zonder juridische grondslag of motief tegelijk behandeld en beoordeeld alsof het één samenhangend geschil betrof, hetgeen evident niet het geval is. Dat is niet alleen misleidend maar ook onzorgvuldig handelen van de voorzitter;
IV) in strijd met vaste rechtspraak heeft de voorzitter geoordeeld dat klager misbruik maakt van klachtrecht waarvan alleen sprake is in hoogst uitzonderlijke gevallen. Door klager daarvan te beschuldigen heeft de voorzitter niet alleen in strijd met vaste rechtspraak geoordeeld maar ook onrechtvaardig richting klager;
V) de voorzitter heeft aantoonbaar onjuist en zonder motivering en deugdelijke juridische grondslag overwogen dat sprake is van ne bis in idem zoals neergelegd in artikel 47b Advocatenwet;
VI) de voorzitter heeft de klachten van klager ‘weinig kernachtig’ en ‘een lastig te doorgronden geheel’ genoemd en daarmee de kern van de klachten van klager weggewuifd zonder inhoudelijke beoordeling. Daarmee heeft de voorzitter in strijd met het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel geen oog gehad voor de belangen van klager bij een inhoudelijke zorgvuldige beoordeling van zijn klachten over verweerder.
2.2 Tegen de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. Voor zover klager in zijn verzetschrift heeft gewezen op onjuiste feiten in de beslissing van de voorzitter, is de raad van oordeel dat die feiten niet relevant zijn voor de beoordeling door de raad.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. A.E. Mulder en S.H.G. Swennen, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 december 2025
