Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

08-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:268

Zaaknummer

25-263/AL/MN

Inhoudsindicatie

ongegrond verzet

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 8 december 2025

in de zaak 25-263/AL/MN

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 2 juni 2025 op de klacht van:

 

klager

 

over

 

verweerster

 

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 19 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 22 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2389600 van de deken ontvangen.

1.3 Bij beslissing van 2 juni 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 1 juli 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.

1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 3 november 2025 . Daarbij was alleen verweerster  aanwezig.

1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift .

 

2 VERZET

2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:

I) de voorzitter heeft miskend dat tussen verweerster en mr. L van de [naam bank] sprake was van behoorlijke irritatie over en weer, wat een minnelijke regeling in de weg stond. Klager betwist dat hij het was die de totstandkoming van een regeling heeft tegengewerkt. De voorgestelde regeling was voor klager niet acceptabel;

II) ten onrechte heeft de voorzitter de kwaliteit van de door verweerster verleende dienstverlening getoetst terwijl een duidelijke opdrachtbevestiging van verweerster ontbrak. De raad wordt verzocht om een neutrale partij in te schakelen om daarover een second opinion te geven;

III) ten onrechte wordt door de voorzitter een negatief beeld van klager geschetst terwijl het verweerster is geweest die in haar zorgplicht is tekortgeschoten.

2.2 Tegen de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.

 

3 feiten en klacht

Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. Voor zover klager in verzet tegen een aantal vastgestelde feiten is opgekomen, maakt dat het oordeel van de raad over de beslissing van de voorzitter niet anders.

 

4 BEOORDELING

4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. De raad ziet geen aanleiding om een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de opdrachtbevestiging van verweerster, zoals klager heeft verzocht.

4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. F.M.C. Boesberg, voorzitter, mrs. A.E. Mulder en S.H.G. Swennen, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025.

 

Griffier                                                                              Voorzitter

 

Verzonden op: 8 december 2025