Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:241
Zaaknummer
25-162/DH/RO
Inhoudsindicatie
Verzetbeslissing. Verzetgronden slagen niet. Geen aanleiding om aan de juistheid van de beslissing van de voorzitter te twijfelen. Verzet ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 24 november 2025 in de zaak 25-162/DH/RO naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 30 april 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 23 juli 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. Op 6 en 11 september 2024 heeft klager zijn klacht aangevuld. 1.2 Op 13 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/028 van de deken ontvangen. 1.3 Op 7 april 2025 heeft de raad aanvullende stukken van klager ontvangen. 1.4 Op 30 april 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht van klager kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op dezelfde datum verzonden aan partijen. 1.5 Op 30 mei 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum digitaal ontvangen. 1.6 De raad heeft het verzet inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 oktober 2025. Klager was daarbij in persoon aanwezig, vergezeld door een vriendin. Verweerster is, samen met haar kantoorgenoot, via een videoverbinding (Teams) verschenen. 1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET 2.1 In zijn verzetschrift heeft klager, zakelijk weergegeven, gesteld dat hij het niet eens is met de beslissing van de voorzitter van 30 april 2025. Volgens klager heeft de voorzitter in de in punten 4.2 tot en met 4.10 van de beoordeling van de klacht onjuiste feiten opgenomen. Daarbij gaat klager inhoudelijk in op het arbeidsrechtelijke geschil met zijn voormalige werkgever en het handelen van verweerster als toenmalige advocaat van de werkgever. Ook wijst klager op diverse door hem overgelegde producties. 2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHTOMSCHRIJVING 3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 4 BEOORDELING 4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. 4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling van de klachtonderdelen de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval zoals die uit de stukken blijken. De door klager in zijn verzetschrift en ter zitting genoemde aanvullende feiten over het arbeidsgeschil met zijn voormalige werkgever maken niet dat de voorzitter in zijn beslissing van onjuiste of onvolledige feiten is uitgegaan. De voorzitter heeft de voor zijn beslissing relevante feiten vastgesteld. In hetgeen klager in aanvulling daarop naar voren heeft gebracht ziet de raad geen grond voor een andersluidend oordeel. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. 4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. BESLISSING De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, voorzitter, mrs. D.G.M. van den Hoogen en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op 24 november 2025
