Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

05-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:254

Zaaknummer

240163

Inhoudsindicatie

Het beroep van klager is gericht tegen een beslissing van de raad waarin de raad de

Inhoudsindicatie

klacht van klager gegrond heeft verklaard. 

Inhoudsindicatie

Op grond van art. 56 lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet  kan slechts hoger beroep worden ingesteld tegen een beslissing van een raad waarbij de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard. Voor klager staat tegen de beslissing van de raad dan ook geen hoger beroep open.  Klager kan dan ook niet worden ontvangen in zijn hoger beroep.

Uitspraak

Beslissing van 5 december 2025

in de zaak 240163

 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

 

klager

 

tegen:

 

verweerster

 

1 INLEIDING

1.1 Klager klaagt over de rechtsbijstand door zijn advocaat tijdens zijn echtscheiding. De raad heeft geoordeeld dat verweerster in haar informatieplicht tuchtrechtelijk tekort is geschoten in haar zorgplicht richting klager omdat zij heeft verzaakt op rechtsmiddelen te wijzen na de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 9 maart 2021. Gelet hierop is klachtonderdeel b) gegrond verklaard. Voor het overige is de klacht ongegrond. De raad heeft geen maatregel opgelegd.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

 

2 DE PROCEDURE

Bij de Raad van Discipline

2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 23-821/AL/MN) een beslissing gewezen op 29 april 2024. In deze beslissing is één klachtonderdeel van klager gegrond verklaard. Aan verweerster is geen maatregel opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht.  

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:109 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 27 mei 2024 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerster.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 10 oktober 2025. Daar is verweerster verschenen. Zij heeft haar standpunt toegelicht. Klager is niet verschenen.

 

3 FEITEN

In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.

 

4 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)  (..)

b)  geen uitleg en/of advies te geven naar aanleiding van de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 9 maart 2021, waardoor zij klager het recht om in cassatie te gaan heeft ontnomen;

c)  (..)

 

5 BEOORDELING RAAD

Over klachtonderdelen b) -en c)- heeft de raad overwogen dat uitgangspunt is dat een advocaat gehouden is om een cliënt na ontvangst van een uitspraak te informeren over de inhoud daarvan en te adviseren over mogelijke rechtsmiddelen die daartegen open staan. Verweerster heeft het arrest van 9 maart 2021 op 22 maart 2021 aan klager gestuurd. Klager heeft de dag erna teleurgesteld gereageerd. Weliswaar heeft klager in die e-mail niet aangegeven of hij nog behoefte had aan het door verweerster voorgestelde overleg over het arrest, maar dat ontsloeg verweerster volgens de raad niet van haar verplichting om klager tijdig vóór het verstrijken van de cassatietermijn -op 9 juni 2021- nog te wijzen op de mogelijkheid om tegen het arrest cassatie in te stellen. Het is de raad niet gebleken dat verweerster klager tijdig op die keuze heeft gewezen. De raad is van oordeel dat verweerster op dat punt tuchtrechtelijk tekortgeschoten in haar zorgplicht richting klager omdat zij heeft verzaakt om klager op zijn rechtsmiddelen te wijzen en heeft klachtonderdeel b) daarom gegrond verklaard.

 

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

6.1 Klager heeft aangevoerd dat hij door het gedrag van verweerster niet in cassatie kon. Klager stelt dat verweerster geen toelichting op het arrest heeft gegeven. Vanwege de gevolgen van de tyfoon die de Filipijnen in december 2020 heeft getroffen was klager in maart 2021, en de periode daarna, niet in staat om contact op te nemen of in hoger beroep of in cassatie te gaan.

Verweer verweerster

6.2 V erweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. De strekking van het verweer is dat de beslissing van de raad dient te worden bekrachtigd. Verweerster stelt dat zij zich sinds zij de zaak van klager in 2017 heeft overgenomen, heeft ingezet om zijn belangen te behartigen. Zij heeft het arrest van 9 maart 2021 op 22 maart 2021 aan klager gemaild met een korte toelichting. In de reactie van klager van 23 maart 2021 wordt zij vervolgens van ’diefstal’ beschuldigd en dat ging haar te ver. Zij heeft het mede daarom erbij gelaten. Klager is daardoor niet in zijn belangen geschaad.

 

7 BEOORDELING HOF

7.1 Het beroep van klager is gericht tegen een beslissing van de raad waarin de raad de

klacht van klager gegrond heeft verklaard.  

7.2 Het hof overweegt dat klager op grond van art. 56 lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet  slechts hoger beroep kan instellen van een beslissing van een raad waarbij de klacht geheel of ten dele ongegrond is verklaard. In dit geval is het klachtonderdeel waartegen klager beroep heeft ingesteld gegrond verklaard. Voor klager staat tegen de beslissing van de raad dan ook geen hoger beroep open.  

7.3 Klager kan dan ook niet worden ontvangen in zijn hoger beroep.

 

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het hoger beroep van klager tegen de beslissing van 29 april 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 23-821/AL/MN, niet-ontvankelijk.

 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en J. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.

 

griffier                                                                                                       voorzitter             

 

De beslissing is verzonden op 5 december 2025 .