Rechtspraak
Uitspraakdatum
08-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2025:168
Zaaknummer
25-649/DB/ZWB
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. Niet gebleken dat de in de opdrachtbevestiging omschreven werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd, er onnodige werkzaamheden zijn verricht en vragen over de aanpak niet werden beantwoord. Ook van het neerleggen van de zaak kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Naar het oordeel van de raad blijkt uit de overgelegde correspondentie genoegzaam dat klaagster het noodzakelijke vertrouwen in verweerster was kwijt geraakt en dat verweerster haar werkzaamheden op zorgvuldige wijze heeft neergelegd. In alle onderdelen ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch van 8 december 2025
in de zaak 25-649/DB/ZWB
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster gemachtigde: mr. M. Boender-Radder, advocaat te ’s-Gravenhage
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 21 maart 2025 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: “de deken”).
1.2 Op 24 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-033 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 27 oktober 2025. Verschenen is verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. B, advocaat. Klaagster is niet verschenen.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier, de e-mail met bijlagen van klaagster van 7 oktober 2025, de e-mail met bijlagen van de gemachtigde van verweerster van 22 oktober 2025 en de reactie daarop van klaagster van 23 oktober 2025, behoudens voor zover klaagster in haar nagezonden berichten de klacht heeft uitgebreid.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 30 januari 2024 heeft klaagster zich gewend tot verweerster met het verzoek om haar bij te staan in de echtscheidingsprocedure die door klaagsters echtgenoot, hierna: “de man”, aanhangig was gemaakt. Tot het gemeenschappelijk vermogen van klaagster en de man behoort onder andere het Domaine LT, een combinatie van een camping en gîte. De exploitatie van de camping is ondergebracht in een Franse B.V., waarvan klaagster en de man ieder voor 50% aandeelhouder zijn.
2.3 Verweerster heeft de opdracht bij brief van 1 februari 2024 aan klaagster bevestigd. In de opdrachtbevestiging is vastgelegd dat verweerster in de gerechtelijke procedure namens klaagster verweer zou voeren, dat zij in de procedure de wijze van verdeling zou vragen en dat zij in de tussentijd zou proberen om in goed overleg met de wederpartij afspraken te maken over de exploitatie, de verkoop en alle overige onderwerpen die verband hielden met de scheiding. Verder is in de opdrachtbevestiging vastgelegd wat klaagster en verweerster hadden besproken ten aanzien van de exploitatie en de verdeling van het Domaine. Tot slot is in de opdrachtbevestiging het uurtarief van verweerster vastgelegd.
2.4 Verweerster heeft met de advocaat van de man gecorrespondeerd en telefoongesprekken gevoerd over het tot stand brengen van een regeling. Omdat het niet lukte om overeenstemming te bereiken heeft verweerster klaagster geadviseerd om de onderhandelingen te staken. Bij e-mail van 31 mei 2024 heeft verweerster aan klaagster de afspraak bevestigd dat niet verder met de advocaat van de man zou worden gecommuniceerd en dat de gerechtelijke procedure zou worden voortgezet.
2.5 Verweerster heeft op 6 mei 2024 een concept verweerschrift tevens zelfstandig verzoek aan klaagster toegestuurd. Verweerster heeft enkele wijzigingen opgenomen. Klaagster heeft zich akkoord verklaard met het concept.
2.6 Op 17 juni 2024 heeft verweerster namens klaagster het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, bij de rechtbank ingediend. De advocaat van de man heeft tegen het zelfstandig verzoek verweer gevoerd. Verweerster heeft dat verweerschrift doorgestuurd aan klaagster en haar uitgenodigd om daarop te reageren. Klaagster heeft niet gereageerd.
2.7 Op 5 november 2024 heeft de advocaat van de man telefonisch contact opgenomen met verweerster met het voorstel om opnieuw in overleg te gaan over een oplossing. Bij e-mail van 6 november 2024 heeft verweerster klaagster geadviseerd om opnieuw in overleg te gaan, maar klaagster vertrouwde het niet en heeft verweerster gevraagd om een schadeclaim bij de man neer te leggen. Verweerster heeft gemotiveerd aan klaagster toegelicht waarom dit naar haar inschatting geen kans van slagen zou hebben. Klaagster was het niet eens met verweersters advies.
2.8 Bij e-mail van 13 december 2024 heeft klaagster verweerster onder meer bericht: “Met uw weigerachtige houding bezorgt u mij nog meer stress.”
2.9 Bij e-mail van eveneens 13 december 0224 heeft verweerster klaagster bericht dat zij uit klaagsters e-mail afleid dat klaagster de wijze waarop verweerster haar belangen behartigde niet langer op prijs stelde. Verweerster heeft klaagster verzocht om ofwel binnen twee weken inhoudelijk het gesprek hierover aan te gaan met verweerster ofwel een andere advocaat te zoeken.
2.10 Bij e-mail van 15 december 2024 heeft klaagster verweerster bericht dat zij zal nadenken over het inschakelen van een andere advocaat maar dat zij eerst antwoorden wil op haar vragen.
2.11 Bij e-mail van 16 december 2024 heeft verweerster aan klaagster medegedeeld dat zij gezien klaagster openlijke twijfel aan verweersters werkwijze had besloten om de behandeling van klaagsters zaak neer te leggen en dat zij zich niet zou terugtrekken zolang zich nog geen nieuwe advocaat had gemeld.
2.12 Bij brief van 6 januari 2025 heeft klaagster een klacht ingediend bij verweersters kantoor. Bij e-mail van 14 januari 2025 is klaagster uitgenodigd voor een bespreking van de klacht onder leiding van mr. O, een kantoorgenoot van verweerster. Bij e-mail van 22 januari 2025 heeft klaagster laten weten geen gebruik te maken van de uitnodiging. Bij e-mail van 23 januari 2025 heeft verweerster klaagster bericht dat zij de rechtbank uiterlijk op 31 januari 2025 zou berichten dat zij zich als advocaat onttrekt, dat zij niet meer schriftelijk op klaagsters vragen zou reageren, maar dat zij wel nog steeds bereid was om een gesprek met klaagster in te plannen. Bij e-mail van 28 januari 2025 heeft klaagster verweerster bericht dat zij voornemens was een klacht in te dienen bij de deken. Bij e-mail van 29 januari 2025 heeft verweerster klaagster bericht dat dit haar vrij stond en dat zij het zou afwachten.
2.13 Op 21 maart 2025 heeft klaagster tegen verweerster een klacht ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
1. De in de opdrachtbevestiging omschreven werkzaamheden zijn niet goed uitgevoerd; 2. Er zijn onnodige werkzaamheden verricht; 3. Vragen over de aanpak werden niet beantwoord; 4. Verweerster heeft de overeenkomst van opdracht beëindigd, waardoor extra kosten zijn ontstaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Toetsingskader
Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.2 Klachtonderdelen 1, 2 en 3 – kwaliteit belangenbehartiging
De klachtonderdelen 1, 2 en 3 hangen met elkaar samen en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Klaagster verwijt verweerster dat zij de in de opdrachtbevestiging omschreven werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd, onnodige werkzaamheden heeft verricht en vragen over de aanpak niet heeft beantwoord. Verweerster heeft deze klachtonderdelen weersproken en – samengevat - naar voren gebracht dat de strategie en de communicatie met de advocaat van de man steeds met klaagster zijn afgestemd, het in concept aan klaagster voorgelegde verweerschrift voorafgaand aan indiening door klaagster is goedgekeurd en dat verweerster klaagsters vragen wel degelijk heeft beantwoord.
5.3 De raad is, mede in het licht van het gemotiveerde verweer van verweerster, van oordeel dat klaagster de klachtonderdelen over de kwaliteit van de verleende bijstand en de communicatie onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerster het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek in concept aan klaagster heeft toegestuurd en eerst na het doorvoeren van enkele gewenste wijzigingen en na van klaagster ontvangen akkoord heeft ingediend. Klaagster en verweerster hebben de te voeren strategie en de aanpak afgestemd en verweerster heeft conform hetgeen was besproken opgetreden.
5.4 Uit de overgelegde stukken blijkt verder dat verweerster uitvoerig met de advocaat van de man heeft gecorrespondeerd en getelefoneerd teneinde een regeling tot stand te brengen. De raad overweegt dat de sleutel tot het tot stand brengen van een regeling in de eerste plaats bij partijen ligt. Een advocaat kan de totstandkoming van een regeling slechts bewerkstelligen, als er bij beide partijen enige mate van bereidwilligheid aanwezig is om elkaar tegemoet te komen. In de onderhavige zaak lagen de standpunten van klaagster en de man over onder meer (het te volgen traject rondom) de verkoop, de exploitatie en (de vergoeding voor) het beheer van de Domaine ver uit elkaar en is het niet gelukt om de kwestie in onderling overleg op te lossen, zodat de gerechtelijke procedure is voortgezet. Toen de advocaat van de man in november 2024 voorstelde om opnieuw in gesprek te gaan over een regeling, heeft verweerster klaagster geadviseerd om op dat voorstel in te gaan, maar klaagster heeft dat geweigerd. Dat het niet tot stand komen van een regeling aan verweerster is te wijten, is gelet op het voorgaande geenszins gebleken.
5.5 Uit de overgelegde stukken blijkt verder dat verweerster klaagsters vragen over de aanpak gedurende de behandeling van de zaak naar behoren heeft beantwoord. Verweerster heeft klaagster na beëindiging van de werkzaamheden nog uitgenodigd voor een gesprek, maar op die uitnodiging is klaagster niet ingegaan. Dat daardoor niet alle bij klaagster levende vragen zijn beantwoord, kan verweerster niet tuchtrechtelijk worden aangerekend.
5.6 Voor zover klaagster verweerster verwijt dat zij onnodige werkzaamheden heeft verricht, oordeelt de raad dat dit verwijt onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden is onderbouwd, zodat de feitelijke grondslag ontbreekt. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien welke werkzaamheden onnodig waren. De raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet is gebleken van een ondermaatse advisering of bijstand van verweerster. De klachtonderdelen 1, 2 en 3 zijn op grond van het voorgaande ongegrond.
5.7 Klachtonderdeel 4 – neerleggen zaak
Klaagster verwijt verweerster dat zij de overeenkomst van opdracht heeft beëindigd, waardoor extra kosten zijn ontstaan. De raad overweegt in dit verband dat het een advocaat vrij staat om de werkzaamheden te beëindigen en dat hij daartoe zelfs gehouden is als de vertrouwensbasis is komen te vervallen. Wel dient de advocaat die beslissing zo tijdig kenbaar te maken en de cliënt te wijzen op de te nemen stappen dat de cliënt daarvan zo min mogelijk schade ondervindt. Naar het oordeel van de raad blijkt uit de overgelegde correspondentie genoegzaam dat klaagster het noodzakelijke vertrouwen in verweerster was kwijt geraakt en dat verweerster haar werkzaamheden op zorgvuldige wijze heeft neergelegd. Dat verweerster vanwege de ontstane vertrouwensbreuk haar werkzaamheden heeft moeten neerleggen met als gevolg dat klaagster een andere advocaat moest aanzoeken, kan verweerster in de gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk worden verweten. De raad zal dit onderdeel van de klacht dan ook eveneens ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mrs. A.J.F. van Dok, W.A.A.J. Fick-Nolet, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber-van de Langenberg als griffier, en uitgesproken op 8 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 december 2025
