Rechtspraak
Uitspraakdatum
05-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:253
Zaaknummer
240183
Zaaknummer
240184
Inhoudsindicatie
Beklag tegen afwijzing verzoek tot aanwijzing van een advocaat ongegrond. Er ligt al een negatief procesadvies van een advocaat. Klager heeft zowel bij de deken als bij het hof geen feitelijke of juridische aanknopingspunten aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het procesadvies onjuist zou zijn. Gelet hierop had de deken, ook indien en voor zover door klager zelf wel voldoende advocaten zouden zijn aangezocht, voldoende grond om het verzoek van klager af te wijzen vanwege het ontbreken van een redelijke kans van slagen van de door klager gewenste procedure. Uit de tekst van artikel 13 Advocatenwet volgt verder dat een aanwijzingsverzoek gedaan moet worden bij de deken in het arrondissement waar de zaak moet dienen.
Uitspraak
Beslissing van 5 december 2025
in de zaken 240183 en 240184 naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager tegen:
in de zaak 240183
de deken Gelderland
en
in de zaak 240184
de deken Overijssel
1 DE PROCEDURE
Bij de dekens 1.1 Bij de deken Gelderland is een verzoek van klager binnengekomen tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Klager heeft dit verzoek gedaan omdat hij bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (inzake een arrest van de Hoge Raad, waarbij het gerechtshof als laatste feitelijke instantie heeft geoordeeld) een vordering tot herroeping wil instellen.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 6 mei 2024. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager zich onvoldoende heeft ingespannen om zelf een advocaat te vinden. Daarnaast heeft de deken erop gewezen dat bij de beoordeling van een aanwijzingsverzoek ook de kans van slagen van een procedure in aanmerking wordt genomen. Daarover heeft de deken aangegeven dat onvoldoende is gebleken dat de procedure die klager wil starten niet bij voorbaat volstrekt kansloos zal zijn.
1.3 Klager heeft ook een verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend bij de deken Overijssel.
1.4 De deken Overijssel heeft het verzoek afgewezen met de beslissing van 16 mei 2024. Daarin heeft de deken aangegeven dat de zaak waarvoor klager om aanwijzing van een advocaat verzoekt niet zal dienen in het arrondissement Overijssel, maar in het arrondissement Gelderland, waardoor alleen de deken in het arrondissement Gelderland het verzoek in behandeling kan nemen.
Bij het hof 1.5 Klager heeft op 14 juni 2024 een beklag tegen de beslissingen van beide dekens ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.6 Verder bevat het dossier:
in beide zaken - het verweer van de deken, met bijlagen; - een e-mail van klager van 25 oktober 2024, met bijlagen;
aanvullend in de zaak met nummer 240184 - een e-mailbericht van de deken Gelderland van 14 mei 2025, met bijlagen.
1.7 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 10 oktober 2025. De zaken met beide hiervoor vermelde zaaknummers zijn op die zitting gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld. Verschenen zijn: - klager; - mr. J. namens de deken Gelderland; - de deken Overijssel.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager is in mei 1989 geopereerd aan zijn rechterhand. Na de operatie zijn complicaties ontstaan, die in maart 1990 zijn gediagnosticeerd als – kort gezegd - posttraumatische dystrofie (hierna: PD).
2.2 Klager heeft bij het Medisch Tuchtcollege een klacht ingediend over de arts die hem heeft geopereerd. Bij beslissing van 2 mei 1992 heeft het Medisch Tuchtcollege aan de arts de maatregel van een waarschuwing opgelegd.
2.3 Klager is daarop bij de (toenmalige) rechtbank Almelo een civiele aansprakelijkheidsprocedure tegen de arts (dan wel het ziekenhuis) gestart. Bij vonnis van 9 maart 1994 is de vordering tot schadevergoeding van klager afgewezen.
2.4 Klager heeft vervolgens bij het (toenmalige) gerechtshof Arnhem hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. Bij eindarrest van 29 december 1998 heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2.5 Klager heeft daarna beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij arrest van 19 januari 2001 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen.
2.6 In mei 2021 is klager betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarbij hij opnieuw een kwetsuur aan zijn rechterhand heeft opgelopen. Naar aanleiding hiervan heeft klager in 2021 contact opgenomen met een advocaat om te onderzoeken of het ziekenhuis aansprakelijk gesteld zou kunnen worden met betrekking tot de eerder gestelde diagnose naar aanleiding van het door klager in 1989 opgelopen handletsel.
2.7 In het kader van dat onderzoek is klager op de hoogte geraakt van een brief van 8 januari 1991 van plastisch chirurg [dr. S] (hierna: dr. S), waarin staat: “Mijn conclusie was dat we hier te maken hadden met partiele uitval van de nervus ulnaris aan de rechterkant.”
2.8 Klager heeft zich vervolgens tot [mr. A] (hierna: mr. A) gewend om hem verder bij te staan bij de aansprakelijkstelling van het ziekenhuis. In dat kader heeft mr. A in oktober 2022 het volgende aan het ziekenhuis geschreven: “Eerst onlangs heeft cliënt kennis gekregen van bijgevoegde brief van 8 januari 1991 (…) waaruit blijkt, dat destijds reeds de diagnose partiele nervus ulnaris laesie is gesteld, hetwelk voor cliënt altijd verborgen is gehouden. Voor cliënt zou dat aanleiding kunnen vormen om herroeping van het vonnis van de rechtbank te vorderen, ware het niet, dat de heer B(…) inmiddels is overleden. Hoe dat ook zij, het voorgaande is voldoende om uw ziekenhuis aansprakelijk te stellen, hetwelk ik bij deze doe.”
2.9 De ziekenhuisjurist heeft daarop bij brief van 15 november 2022 gereageerd. In de brief staat onder meer het volgende:
“In het medisch dossier van uw cliënt trof ik een medische rapportage d.d. 21 mei 1992 aan, opgesteld door Prof. Dr. G. Z(…) In deze rapportage wordt verwezen naar de door u aangehaalde brief van plastisch chirurg [dr. S]. De conclusie van [dr. S], dat er sprake is van een partiële uitval van de nervus ulnaris aan de rechterkant, staat in deze rapportage vermeld. Nu dit een medische rapportage betreft dat is opgesteld om te gebruiken in de beroepsprocedure ingesteld door uw cliënt, heeft uw cliënt na het opstellen daarvan in 1992 kennis kunnen nemen van de inhoud en derhalve ook van de conclusie van [dr. S].
Dat de diagnose voor uw cliënt verborgen is gehouden c.q. dat uw cliënt geen bekendheid had met deze diagnose, acht ik gelet op dit feitenrelaas, niet juist. Voor zover uw cliënt geen kennis heeft genomen van deze medische rapportage van mei 1992, had uw cliënt met de inhoud van deze rapportage bekend kunnen zijn, nu deze rapportage deel uitmaakt van het medisch dossier van uw cliënt.”
2.10 Naar aanleiding hiervan heeft mr. A op 8 december 2022 het volgende aan klager gemaild: “Of het klopt (…) dat de bewuste brief van [dr. S] al bij de stukken van de eerdere procedure zat of niet, acht ik het niet mogelijk dat u niet eerder met de diagnose partiële nervus ulnarislaesie bekend bent geweest. Dat staat immers vermeld in het handgeschreven verslag van de polikliniek voor plastische chirurgie d.d. 21/11 '89, de brief van revalidatiearts W(…) van 8 december 1989, de brief van plastisch chirurg [dr. S] van 21 november 1990 en de brief van P(…) van 8 januari 1991.
Daarnaast zult u niet kunnen bewijzen dat e.e.a. voor u verborgen is gehouden, zoals art. 382 Rv eist.”
2.11 Op 14 december 2022 heeft mr. A vervolgens nog het volgende aan klager gemaild:
“De vandaag door u toegezonden stukken heb ik bekeken.
(…)
Ik ben (…) tot de bevinding gekomen dat de diagnose partiële nervus ulnarislaesie eind 1989 wel degelijk is gesteld (en dat u daarmee bekend bent geweest of moet zijn geweest).”
2.12 Klager stelt niet bekend te zijn geweest met de gestelde diagnose en dat dit relevant zou zijn voor de uitkomst van de eerder door hem tegen de arts (dan wel het ziekenhuis) gevoerde procedure. Hij wenst om die reden een vordering tot herroeping in te stellen en verzoekt om die reden de aanwijzing van een advocaat.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag 3.1 Klager stelt dat zijn verzoeken ten onrechte zijn afgewezen. Uit de stukken en het verhandelde bij de mondelinge behandeling op 10 oktober 2025, begrijpt het hof dat klager daarvoor de volgende gronden aanvoert. Klager is ingegaan op de achtergrond van zijn verzoek en heeft daarover aangegeven dat het aanvankelijk zijn bedoeling was de advocaat [mr. G] (hierna mr. G) die hem in de cassatieprocedure bij de Hoge Raad heeft bijgestaan aansprakelijk te stellen voor gemaakte fouten, waaronder het niet detecteren dat de beslissing van het Medisch Tuchtcollege uit mei 1992 een bewijsbare misslag was. Volgens klager was dat dit door foute advisering door de Orde van Advocaten na schrapping van het tableau van de betreffende advocaat echter niet meer mogelijk. Bovendien was de betreffende advocaat in de tussentijd failliet verklaard en vervolgens overleden. Klager stelt dat daardoor enkel nog de herroepingsprocedure van artikel 382 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) voor hem open staat, waarvoor hij ook om aanwijzing van een advocaat heeft gevraagd. Echter, zowel de deken Gelderland als de deken Overijssel wensen daaraan niet mee te werken. Volgens klager gaan de dekens aan de achtergrond van de zaak voorbij en treffen de argumenten die aan de afwijzing van zijn verzoek ten grondslag zijn gelegd geen doel. Klager wijst er in dat verband in reactie op de beslissing van de deken Gelderland onder meer op dat hij conform de door hem ontvangen lijst van het Juridisch Loket diverse advocatenkantoren in de regio heeft benaderd. Specifiek ten aanzien van de beslissing van de deken Overijssel heeft klager aangegeven dat deze deken mensen op fatsoenlijke wijze zou moeten verwijzen en dat de deken het dossier had moeten doorspitten om te bekijken wat ermee had moet gebeuren.
Verweer 3.2 De deken Overijssel heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek terecht is afgewezen, omdat een mogelijke herroepingsprocedure op grond van artikel 382 Rv zal moeten dienen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het voor haar als deken in het arrondissement Overijssel niet mogelijk is over te gaan tot aanwijzing van een advocaat in het arrondissement Gelderland. Daarbij heeft de deken erop gewezen dat zij geen verband ziet tussen de bijstand aan klager door de in 2012 geschrapte mr. G en haar afwijzingsbesluit.
3.3 De deken Gelderland heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van 6 mei 2024 op goede gronden is genomen. De deken verwijst in het verweerschrift ter onderbouwing naar de met klager gevoerde correspondentie die aan die beslissing ten grondslag is gelegd, waaronder ook de motivering in het afwijzingsbesluit van 6 mei 2024. In die correspondentie is klager erop gewezen dat hij dient aan te tonen dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden, wat klager op dat moment niet voldoende had aangetoond, en dat klager niet volledig heeft voldaan aan het verzoek van de deken om specifieke stukken en informatie aan te leveren over zijn verzoek. In het besluit van 6 mei 2024 is daarover vervolgens aan klager meegedeeld dat uit de door hem aangeleverde stukken en de door hem aangeleverde informatie niet, althans onvoldoende, blijkt dat er een procedure op grond van artikel 382 Rv kan worden gestart en dat onvoldoende duidelijk is dat er sprake zal zijn van een procedure die niet bij voorbaat volstrekt kansloos zal zijn. De deken heeft klager ter onderbouwing onder meer gewezen op het bericht van mr. A van 8 december 2022. Verder is klager erop gewezen dat door klager geen, althans onvoldoende, schriftelijke afwijzingen van advocaten zijn overgelegd die ten grondslag liggen aan het verzoek.
3.4 Het verweer van de beide dekens zal, voor zover van belang, hierna verder worden besproken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken van de orde van advocaten in het arrondissement waar de zaak moet dienen, met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Overwegingen van het hof
4.2 Klager heeft bij beide dekens verzocht om aanwijzing van een advocaat, omdat hij een procedure wil starten op grond van artikel 382 Rv. Op grond van dit artikel kan een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, op vordering van een partij worden herroepen indien a) het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd, dan wel b) het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of c) de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden. Klager voert in dat kader aan dat de diagnose partiële nervus ulnarislaesie na de operatie aan zijn hand in mei 1989 altijd voor hem verborgen is gehouden, totdat hij in 2021 of 2022 de hiervoor bij de feiten genoemde brief van dr. S in handen kreeg, waardoor hij wel van de diagnose op de hoogte raakte. Volgens klager moet het bekend worden hiervan tot herroeping van de eindbeslissing in zijn zaak leiden. Artikel 384 Rv bepaalt dat de vordering tot herroeping wordt gebracht voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld. Dat is in de zaak van klager het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
In de zaak 240184 4.3 Het hof is van oordeel dat de deken Overijssel op goede gronden het verzoek tot aanwijzing van een advocaat voor een procedure die zal dienen in het arrondissement Gelderland heeft afgewezen. Dat volgt uit de tekst van artikel 13 Advocatenwet, waarin staat dat het aanwijzingsverzoek gedaan moet worden bij de deken in het arrondissement waar de zaak moet dienen. Dat is in dit geval, op grond van het bepaalde in artikel 384 Rv, het arrondissement Gelderland.
4.4 Het beklag van klager in de zaak met nummer 240184 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
In de zaak 240183 4.5 De deken Gelderland heeft het verzoek van klager afgewezen, primair omdat klager zich naar het oordeel van de deken onvoldoende heeft ingespannen om zelf een advocaat te vinden, en daarnaast omdat de deken onvoldoende is gebleken dat de procedure die klager wil starten niet bij voorbaat volstrekt kansloos is.
4.6 Het hof overweegt daarover als volgt. Het hof heeft vastgesteld dat zich in het dossier van klager een procesadvies bevindt van mr. A van 8 december 2022. Daaruit blijkt dat mr. A een eigen analyse heeft gemaakt van de kans van slagen van de door klager gewenste procedure op grond van artikel 382 Rv. Daarin heeft mr. A aangegeven dat hij het na bestudering van de stukken die hij van klager had ontvangen, en ook los van wat in de brief van de ziekenhuisjurist van 15 november 2022 staat, niet mogelijk acht dat klager niet eerder met de diagnose partiële nervus ulnarislaesie bekend is geweest. Mr. A wijst daarvoor op een door hem bij de van klager ontvangen stukken aangetroffen verslag van een polikliniek en een drietal brieven van artsen. Verder schrijft mr. A dat klager ook niet zal kunnen bewijzen dat deze stukken, dan wel de diagnose, voor klager verborgen zijn/is gehouden, zoals art. 382 Rv eist. In zijn e-mailbericht van 14 december 2022 heeft mr. A vervolgens, na bestudering van nadere stukken die klager aan hem had toegezonden, herhaald dat hij tot de bevinding is gekomen dat de diagnose partiële nervus ulnarislaesie eind 1989 wel degelijk is gesteld en mr. A heeft daaraan toegevoegd dat klager daarmee bekend is geweest of moet zijn geweest. Het hof begrijpt hieruit dat mr. A het onverantwoord vond de zaak voor de rechter te brengen, omdat de door klager gewenste procedure onvoldoende kans van slagen heeft. Klager heeft zowel bij de deken als bij het hof geen feitelijke of juridische aanknopingspunten aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het advies van mr. A onjuist zou zijn. Gelet hierop had de deken Gelderland naar het oordeel van het hof, ook indien en voor zover door klager zelf wel voldoende advocaten zouden zijn aangezocht, voldoende grond om het verzoek van klager af te wijzen vanwege het ontbreken van een redelijke kans van slagen van de door klager gewenste procedure.
4.7 Ook in de zaak met nummer 240183 verklaart het hof het beklag daarom ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 6 mei 2024 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond.
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 16 mei 2024 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 5 december 2025.
