Rechtspraak
Uitspraakdatum
05-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:252
Zaaknummer
240341
Zaaknummer
240342
Inhoudsindicatie
Deze procedures betreffen een klacht over de eigen advocaten. Het hoger beroep in beide zaken richt zich tegen het in beide zaken door de raad ongegrond verklaarde klachtonderdeel dat niet is gebleken dat verweerders zich ten onrechte en op onzorgvuldige wijze zouden hebben teruggetrokken uit de zaken van klager. Verweerder heeft gehandeld zoals van een bekwaam en zorgvuldig handelend advocaat en tevens werkgever (van verweerster) verwacht mag worden. Het hof is van oordeel dat verweerders bij het besluit om de opdracht te beëindigen voldoende zorgvuldig hebben gehandeld. Verweerder heeft – nadat verweerster hem over de met klager ontstane situatie had geïnformeerd – hoor en wederhoor toegepast door het initiatief te nemen tot een telefoongesprek met klager). Verder heeft verweerder de in dat telefoongesprek gedane mededeling dat de werkzaamheden voor klager werden beëindigd diezelfde dag in een uitvoerig gemotiveerde brief mede namens verweerster aan klager toegelicht. Ten slotte is niet gebleken dat klager (processueel) nadeel heeft ondervonden als gevolg van die beëindiging. Bekrachtiging van de beslissing van de raad.
Uitspraak
Beslissing
van 5 december 2025
in de zaken 240341 en 240342
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
gemachtigde:
tegen:
verweerder
en
verweerster
gemachtigde:
1 INLEIDING
1.1 Deze procedures betreffen een klacht over de eigen advocaten. Klager heeft meerdere klachten over verweerders ingediend. Met betrekking tot verweerder zijn drie klachtonderdelen gegrond verklaard met oplegging van de maatregel van een waarschuwing, en twee klachtonderdelen ongegrond. Met betrekking tot verweerster zijn twee klachtonderdelen ongegrond verklaard en één klachtonderdeel gegrond, zonder oplegging van een maatregel. Het hoger beroep in beide zaken richt zich tegen het in beide zaken door de raad ongegrond verklaarde klachtonderdeel dat niet is gebleken dat verweerders zich ten onrechte en op onzorgvuldige wijze zouden hebben teruggetrokken uit de zaken van klager. Het Hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
Ten aanzien van verweerder
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-382/DB/LI) een beslissing gewezen op 28 oktober 2024. In deze beslissing zijn drie klachtonderdelen gegrond verklaard (ten aanzien van het tekortschieten in de overdracht van het dossier, het niet dan wel onvoldoende informeren van klager en het niet naar behoren behartigen van de belangen van klager) en twee klachtonderdelen ongegrond (ten aanzien van het zich ten onrechte en op onzorgvuldige wijze terugtrekken uit de zaken en het zonder toestemming van klager laten behandelen van het dossier door een derde). Aan verweerder is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:145 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.Ten aanzien van verweerster
2.3 Dezelfde raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-383/DB/LI) een beslissing gewezen op 28 oktober 2024. In deze beslissing zijn twee klachtonderdelen ongegrond verklaard (ten aanzien van het zich ten onrechte en op onzorgvuldige wijze terugtrekken uit de zaken en het tekortschieten in de overdracht van het dossier) en één klachtonderdeel gegrond (ten aanzien van het onvoldoende informeren van klager), zonder oplegging van een maatregel. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht.
2.4 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:146 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline in beide zaken
2.5 Het beroepschrift van klager tegen deze beslissingen is op 27 november 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.6 Verder bevat het dossier van het hof :
de stukken van de raad; het verweerschrift van verweerders van 24 januari 2025; e-mailbericht van verweerders met bijlagen van 9 oktober 2025.2.7 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 10 oktober 2025. Daar zijn klager met zijn gemachtigde mr. R. verschenen alsook verweerder, tevens in zijn hoedanigheid van gemachtigde namens verweerster.
3 FEITEN
3.1 Voor zover in hoger beroep van belang, gaat het hof uit van de volgende feiten.
3.2 Klager is bijgestaan door verweerders, beiden destijds werkzaam op het kantoor B. waarvan verweerder medebestuurder is.
3.3 Verweerder heeft klager bijgestaan in onder andere een tweetal civielrechtelijke aansprakelijkheidskwesties tegen FP en K vanaf oktober 2019 respectievelijk november 2020 op toevoegingsbasis.
3.4 Bij e-mail van 24 maart 2021 heeft klager aan verweerder zijn ongenoegen kenbaar gemaakt over het gebrek aan voortgang in zijn dossiers:
“(…) Vervolgens is het op alle fronten stil gebleven. Ik heb niets meer van jou noch van jouw secretaresse gehoord. Helaas is het niet voor het eerst dat mijn zaak stilligt ondanks gemaakte afspraken. Een reconstructie van mijn dossier laat zien dat er regelmatig stagnatie of grote pauzes zijn ontstaan. Dit schaadt mijn belangen. Ik ben nog steeds geen stap verder gekomen. Even zo vaak geef je ook aan deze stagnatie te erkennen. Tijdens ons laatste gesprek op 4 februari jl. spraken wij af dat je direct na 17/2 in actie zou komen. Echter het is nu al weer 24 maart (!). Het is m.i. niet aan de cliënt om de voortgang van zijn dossier te bewaken. Terwijl ik al genoeg op mijn bord heb. Ook dat is bekend.(…)”
3.5 Bij e-mail van 24 maart 2021 heeft verweerder klager als volgt bericht:
“(…) Als ik je mail lees, denk ik: ik ben maar een telefoontje weg. Ik realiseer me dat de zaak bij mij is blijven liggen. Ik neem die verantwoordelijkheid daarvoor. Maar nogmaals de strafzaak is essentieel in het geheel. Een afspraak wordt vandaag of morgen nog gemaakt. Deze mail was echt niet nodig en bovendien te scherp aangezet. De kernwaarden van de advocaat zijn echt niet in het gedrang mijns inziens. Maar goed, ben wel met je eens dat er nu vaart in mag. (…)”
3.6 Verweerster heeft klager vanaf 27 juni 2022 bijgestaan in een huurkwestie. In deze zaak is aan rechtsbijstandsverzekeraar [naam] gevraagd om dekking te verlenen. Op 30 juni 2022 heeft verweerster een concept brief aan de verhuurder en een concept brief aan [naam] opgesteld en aan klager gemaild. Op maandagmorgen 4 juli 2022 heeft klager een belverzoek gedaan voor overleg met verweerster, omdat er volgens hem enkele fouten in de concept brief stonden. Daarna heeft klager om 09.50 uur een e-mail gestuurd aan verweerster waarin hij haar op de hoogte heeft gebracht van een voorval met de verhuurder dat in dat weekend had plaatsgevonden, waardoor de brief aan [naam] volgens klager moest worden aangepast. Om 10.03 uur heeft klager per e-mail een voorschotnota van het kantoor van verweerster ontvangen van € 181,50 incl. BTW met de mededeling dat als hij daarover vragen heeft contact kan opnemen met de behandelaar van zijn zaak.
3.7 Later die dag (op 4 juli 2022) heeft tussen klager en verweerster een telefoongesprek plaatsgevonden. Tijdens dit telefoongesprek is tussen hen een discussie ontstaan over de aanpassing van de brief en de betaling van de voorschotdeclaratie. In dit telefoongesprek heeft klager onder andere tegen verweerster gezegd dat zij hem chanteert. Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft klager nog diezelfde middag om 15.45 uur een e-mail gestuurd aan verweerster waarin hij zijn ongenoegen uit over de voorschotnota die per ommegaande moet worden betaald en dat hij zich niet goed behandeld voelt.
3.8 Verweerster heeft van de inhoud van het telefoongesprek melding gemaakt bij verweerder. Op 5 juli 2024 heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met klager. Tijdens dit telefoongesprek heeft verweerder aan klager kenbaar gemaakt dat verweerders vanwege de inhoud van het telefoongesprek tussen klager en verweerster op 4 juli 2022 geen vertrouwen meer hadden in een verdere samenwerking met klager en om die reden hun werkzaamheden in alle dossiers die bij het kantoor in behandeling zijn neerleggen.
3.9 Verweerders hebben op 5 juli 2022 hun werkzaamheden voor klager neergelegd. Bij brief van 5 juli 2022 heeft verweerder mede namens verweerster de beslissing om hun werkzaamheden neer te leggen gemotiveerd aan klager toegelicht.
3.10 Klager gaf in het telefoongesprek op 5 juli 2022 met verweerder aan (ook) met hem nog ‘een appeltje te schillen te hebben’.
3.11 Op 5 en 8 juli 2022 heeft klager in diverse e-mails aan verweerders zijn ongenoegen geuit over het neerleggen van de werkzaamheden. In een e-mail van 5 juli 2022 heeft klager onder meer aan verweerder medegedeeld:
“Voor mij staat vast dat u handig gebruik hebt gemaakt van de clash gisterenmiddag met uw collega” .
3.12 Op 7 juli 2022 is aan klager een e-mail gestuurd vanuit het kantoor van verweerder waarin klager is uitgenodigd een betalingsvoorstel te doen voor de aan hem verzonden voorschotdeclaratie, kort daarna (eveneens per e-mail) gevolgd door een creditnota gestuurd voor diezelfde voorschotdeclaratie.
4 KLACHT
Zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, houdt de klacht van klager in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De klachtomschrijving in beide zaken luidt: zaaknr. 240341 1. verweerder heeft zich ten onrechte en op onzorgvuldige wijze teruggetrokken uit de za(a)k(en) van klager;
(…)
zaaknr. 240342
1. verweerster heeft zich ten onrechte en op onzorgvuldige wijze teruggetrokken uit de za(a)k(en) van klager; (…)
5 BEOORDELING RAAD
In beide zaken
5.1 Volgens de raad hebben verweerders gemotiveerd toegelicht dat de vertrouwensbasis is komen te vervallen. De raad kan niet vaststellen hoe het telefoongesprek tussen klager en verweerster op 4 juli 2022 is verlopen omdat partijen twisten over de exacte inhoud daarvan. basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is voor de raad komen vast te staan dat er sprake was van onenigheid. Klager heeft ter zitting van de raad verklaard dat hij in het telefoongesprek met verweerster naar aanleiding van de onenigheid die was ontstaan over de betaling van de voorschotnota tegen haar heeft gezegd: “Ben je mij nu aan het chanteren? Je bent me gewoon aan het chanteren”. In datzelfde telefoongesprek heeft klager ook aangekondigd een klacht bij de deken in te dienen. Door de aantijging aan het adres van verweerster en de aangekondigde klacht kan de raad zich voorstellen dat de noodzakelijke vertrouwensbasis was komen te vervallen en het kantoor klager niet langer kon bijstaan. Dit betekent dat het verweerders vrij stond om hun werkzaamheden te beëindigen.
5.2 Verweerders hebben hun werkzaamheden verder op zorgvuldige wijze neergelegd. Op het moment van de beëindiging waren in klagers zaak geen directe procedurele handelingen vereist.
5.3 Bij brief van 5 juli 2022 hebben verweerders hun beslissing gemotiveerd aan klager kenbaar gemaakt en hem geadviseerd een andere advocaat in de arm te nemen.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Het beroep van klager richt zich in beide zaken tegen het oordeel van de raad dat verweerders zich niet ten onrechte en niet op onzorgvuldige wijze hebben teruggetrokken uit de zaken van klager.
6.2 Klager stelt met verwijzing naar de opdrachtovereenkomst dat verweerders de opdracht alleen mochten beëindigen wegens gewichtige redenen. Van verweerders mocht daarbij een zorgvuldige overweging worden verwacht waarin zij ook hun eigen rol zouden betrekken.
6.3 De reden van verweerders om de opdrachtovereenkomsten te beëindigen was gelegen in het telefoongesprek van klager met verweerster. Klager betwist dat hij in dit gesprek dwingend is geweest en heeft gedreigd met een klacht. Klager heeft een tuchtrechtelijke klacht aangekondigd na het telefoongesprek met verweerder op 5 juli 2024. De opmerking van klager ‘ben je me nu aan het chanteren?’ is een adequate omschrijving van de situatie zoals klager die ervoer.
6.4 Verweerder was niet bij dit telefoongesprek aanwezig. Verweerder heeft klager later vanuit de auto gebeld en heeft in dat gesprek niet zorgvuldig en niet de-escalerend gehandeld.
6.5 Verweerders hebben hun besluit om zich terug te trekken te voorbarig en niet na zorgvuldig beraad genomen. Ook hebben zij klager niet gewezen op de interne klachtenregeling.
6.6 Klager was ontevreden over verweerster, de kantoorgenoot van verweerder. Dit werkt niet automatisch door in de opdrachtrelatie van klager met verweerder. Er was geen sprake van een gewichtige reden voor verweerder om de opdrachtovereenkomsten te beëindigen.
6.7 Doordat verweerster haar werkzaamheden heeft beëindigd, heeft de behandeling van het hoger beroep van klager bij de CRvB vertraging opgelopen omdat het moeilijk was een opvolgend advocaat te vinden. Volgens klager waren de uren van de toevoeging al gebruikt door verweerster waardoor hij bijna een jaar heeft moeten zoeken naar een andere advocaat. Ook in de huurkwestie was volgens klager actie nodig op 4 juli 2022 maar dit viel onder de dekking van de rechtsbijstandsverzekering.
Verweer verweerders
6.8 Verweerders hebben gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 In hoger beroep gaat het nog om de vraag of verweerders zich mochten onttrekken aan de zaken en of zij dat op zorgvuldige wijze hebben gedaan. Het hof toetst de verweten gedraging aan de norm van artikel 46 Advocatenwet. Klager stelt dat er geen gewichtige reden was om de opdracht te beëindigen. Gedragsregel 14 is in dit verband van belang. Daarin is onder meer bepaald dat een advocaat die besluit een hem verstrekte opdracht neer te leggen dat op zorgvuldige wijze dient te doen waarbij hij er voor zorg draagt dat zijn cliënt zo min mogelijk nadeel ondervindt. Hoewel de tuchtrechter bij toetsing aan artikel 46 Advocatenwet niet is gebonden aan de gedragsregels, kunnen zij daarbij wel van belang zijn gelet op het open karakter van de wettelijke norm.
7.2 Het hof zal het in hoger beroep aan de orde zijnde klachtonderdeel hierna aan de hand van deze maatstaf beoordelen en niet (mede) aan de inhoud van de opdrachtovereenkomsten die tussen klager en verweerders zijn overeengekomen. Dat laatste is een civielrechtelijke discussie die buiten het advocatentuchtrecht valt. Het hof toetst of verweerders hebben gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.
Overwegingen hof
7.3. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de raad dat verweerders hun werkzaamheden mochten beëindigen na de telefoongesprekken die hebben plaatsgevonden op 4 juli 2022 (tussen klager en verweerster) en 5 juli 2022 (tussen klager en verweerder). Het hof is van oordeel dat verweerders bij het besluit om de opdracht te beëindigen voldoende zorgvuldig hebben gehandeld, ook door het nog toe te lichten in de uitgebreide brief van 5 juli 2022. Aan de overwegingen van de raad voegt het hof nog het volgende toe.
7.4 Klager zelf heeft zijn telefoongesprek op 4 juli 2022 met verweerster gekwalificeerd als een “clash”. Ongeacht of klager in dat gesprek heeft gedreigd met een klacht, heeft klager dat in ieder geval gedaan in het telefoongesprek op 5 juli 2022 met verweerder. Klager heeft in dat gesprek tegen verweerder gezegd dat hij met hem ‘nog een appeltje te schillen had’. Tijdens het onderzoek ter zitting bij het hof heeft klager desgevraagd toegelicht dat hij daarmee doelde op het indienen van een klacht. Ook heeft hij benoemd dat er over en weer met stemverheffing is gesproken. Gelet hierop, hetgeen blijkt uit de stukken en wat klager en verweerder ter zitting bij het hof over het telefoongesprek op 5 juli 2022 hebben verklaard, is het niet onbegrijpelijk dat verweerder na dat telefoongesprek tot de conclusie is gekomen dat er sprake was van een onherstelbare vertrouwensbreuk, niet alleen met verweerster maar ook met hem. Het valt verweerders niet te verwijten dat zij, zoals klager heeft gesteld, de opdracht te voorbarig hebben beëindigd.
7.5 Wat betreft de beëindiging van de werkzaamheden voor klager heeft verweerder gehandeld zoals van een bekwaam en zorgvuldig handelend advocaat en tevens werkgever (van verweerster) verwacht mag worden. Allereerst heeft verweerder – nadat verweerster hem over de met klager ontstane situatie had geïnformeerd – hoor en wederhoor toegepast door het initiatief te nemen tot een telefoongesprek met klager (zijnde het gesprek op 5 juli 2022). Verder heeft verweerder de in dat telefoongesprek gedane mededeling dat de werkzaamheden voor klager werden beëindigd, zoals reeds overwogen, diezelfde dag in een uitvoerig gemotiveerde brief mede namens verweerster aan klager toegelicht. Ten slotte is niet gebleken dat klager (processueel) nadeel heeft ondervonden als gevolg van die beëindiging.
7.6 Samenvattend hebben verweerders overeenkomstig de toepasselijke maatstaf en in lijn met gedragsregel 14 gehandeld. Het Hof verwerpt het hoger beroep van klager en bekrachtigt de beslissingen van de raad voor zover in hoger beroep aan het oordeel van het hof voorgelegd.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissingen van 28 oktober 2024 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummers 24-382/DB/LI en 24-383/DB/LI, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 5 december 2025 .
