Rechtspraak
Uitspraakdatum
05-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:251
Zaaknummer
240360W
Inhoudsindicatie
Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek ingediend direct na hervatting van het onderzoek ter zitting en nog voordat de behandelend kamer op haar aanhoudingsverzoek heeft kunnen beslissen. Het wrakingsverzoek is in zoverre voorbarig. Dat de behandelend kamer met de wijze van behandeling van het aanhoudingsverzoek ter zitting vooringenomen zou zijn en/of hoor en wederhoor zou hebben geschonden, is de wrakingskamer niet gebleken. Het proces-verbaal is bedoeld als een zakelijke weergave en niet als een woordelijk verslag van hetgeen ter zitting is besproken. Het feit dat niet alles wat ter zitting is besproken in het proces-verbaal is opgenomen, is daarom geen aanwijzing dat er sprake is van (een schijn van) vooringenomenheid van de behandelend kamer.
Uitspraak
Beslissing
van 5 december 2025
in de zaak 240360W
naar aanleiding van het wrakingsverzoek van:
verzoekster
tegen:
leden van het hof van discipline
verweerders
1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD VAN HET HOF
1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 11 november 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (zaaknummer: 24-261-A/A).
1.2 In deze beslissing is de klacht van verzoekster over mr. X (verwerend advocaat in de hoofdzaak) ongegrond verklaard.
1.3 De beslissing van de raad is onder ECLI:NL:TADRAMS:2024:194 gepubliceerd op tuchtrecht.nl.
1.4 Verzoekster heeft tegen die beslissing beroep ingesteld, welk beroep bij het hof in behandeling is onder zaaknummer 240360.
1.5 Het beroep is mondeling behandeld op 27 oktober 2025. Verzoekster heeft tijdens die behandeling een verzoek tot wraking ingediend tegen verweerders.
1.6 Verweerders hebben niet berust in het wrakingsverzoek.
1.7 Het wrakingsdossier van het hof bevat de volgende stukken:
- schriftelijk wrakingsverzoek van verzoekster d.d. 27 oktober 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 oktober 2025;
- het verweerschrift van verweerders d.d. 6 november 2025;
- de e-mail met bijlagen van verzoekster d.d. 21 november 2025;
- de e-mail van verweerders d.d. 27 november 2025
1.8 Het hof heeft het wrakingsverzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken.
2 DE BEOORDELING
wrakingsgronden
2.1 Verzoekster heeft – samengevat en naar het hof begrijpt – aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat het hof partijdig is omdat het wil overgaan tot een inhoudelijke behandeling terwijl er geen cliëntdossier is overgelegd door mr. X, de advocaat over wie verzoekster een klacht heeft ingediend. Verzoekster heeft om die reden tijdig een aanhoudingsverzoek gedaan, namelijk tien dagen voor de zittingsdatum, wat inhoudelijk gerechtvaardigd is volgens verzoekster omdat anders de behandeling (naar het hof begrijpt van haar klacht) in strijd is met hoor en wederhoor en artikel 6 EVRM.
verweer
2.2 In het verweer is samengevat het volgende aangevoerd door verweerders. Er wordt niet berust in het wrakingsverzoek. Dat de kamer van het hof de behandeling van de klacht van verzoekster wilde voortzetten zonder volledig dossier is feitelijk onjuist omdat verzoekster het wrakingsverzoek indiende nog voordat de kamer van het hof – na een korte schorsing van het onderzoek ter zitting – op het aanhoudingsverzoek van verzoekster een beslissing had kunnen nemen. Verder kan het wrakingsverzoek niet door klaagster worden gebruikt tegen een processuele beslissing. Dat komt neer op een verkapt hoger beroep.
toetsingskader
2.3 Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt de wrakingskamer van het hof voorop dat een (plaatsvervangend) lid van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519 Wetboek van Strafvordering (Sv), die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. De wrakingskamer moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoekster zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een (plaatsvervangend) lid van het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koestert of bevooroordeeld is, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het hiervoor vermelde uitgangspunt geldt ook voor een advocaat-lid van het hof (zie Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:87).
2.4 Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van een lid van het hof bestaat, is het standpunt van verzoekster belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van verzoekster aan de onpartijdigheid van het (plaatsvervangend) lid van het hof, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
beoordeling
2.5 In de kern is het wrakingsverzoek gericht op het doorgaan van de mondelinge behandeling op 27 oktober 2025 zonder dat het hof de beschikking heeft over het volledige procesdossier inzake de klacht over mr. X. Verzoekster is van mening dat haar verzoek om aanhouding om die reden voorafgaand aan de zitting had moeten worden beoordeeld. Uit het feit dat het hof dat niet heeft gedaan, maakt verzoekster op dat het hof partijdig is. Het hof heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling aan verzoekster laten weten dat het verzoek tot aanhouding op de zitting zou worden besproken.
2.6 Verzoekster heeft haar wrakingsverzoek ingediend direct na hervatting van het onderzoek ter zitting en nog voordat de behandelend kamer op haar aanhoudingsverzoek heeft kunnen beslissen. Het wrakingsverzoek is in zoverre voorbarig. Dat de behandelend kamer met de wijze van behandeling van het aanhoudingsverzoek ter zitting vooringenomen zou zijn en/of hoor en wederhoor zou hebben geschonden, is de wrakingskamer niet gebleken. Daarbij heeft te gelden dat de uiteindelijk door de behandelend kamer te nemen beslissing op het door verzoekster gedane aanhoudingsverzoek een procesbeslissing is. Het is vaste jurisprudentie van de wrakingskamer van het hof dat een genomen procesbeslissing die een procespartij onwelgevallig is, geen grond voor wraking vormt (HvD 1 maart 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:51). De wrakingskamer buigt zich niet over de juistheid van dergelijke procesbeslissingen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.
2.7 Hetgeen verder door verzoekster in repliek is aangevoerd, heeft betrekking op de behandeling van het hoger beroep tot aan de wraking. Zij stelt dat het juridisch kader niet goed is begrepen door de behandelend kamer door haar verzoek pas op de zitting te bespreken. Zoals hiervoor al is overwogen, is een procedurele beslissing geen grond voor wraking. Verder stelt verzoekster dat het proces-verbaal van de zitting op essentiële punten onvolledig en selectief is en dat haar aanvullende feitelijke reconstructie aan het proces-verbaal moet worden gehecht. Aan dat verzoek zal geen gevolg worden gegeven. Het proces-verbaal is bedoeld als een zakelijke weergave en niet als een woordelijk verslag van hetgeen ter zitting is besproken. Het feit dat niet alles wat ter zitting is besproken in het proces-verbaal is opgenomen, is daarom geen aanwijzing dat er sprake is van (een schijn van) vooringenomenheid van de behandelend kamer. Nu er verder geen feiten of omstandigheden zijn gebleken waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden zal de wrakingskamer het verzoek ongegrond verklaren.
3 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
3.1 verklaart het wrakingsverzoek van 27 oktober 2025 van verzoekster ongegrond;
3.2 bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 5 december 2025.
