Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:262

Zaaknummer

25-419/AL/NN

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht over kwaliteit van dienstverlening. De klacht van klaagster komt er in feite op neer dat verweerster ‘het anders had moeten doen’, maar klaagster concretiseert dit verder niet. Verweerster is naar het oordeel van de raad in haar werkzaamheden ten behoeve van klaagster te werk gegaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht. Klacht ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 1 december 2025

in de zaak 25-419/AL/NN

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

over

 

verweerster

gemachtigde: mr. H.J. Tulp

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 18 november 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 25 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2389260 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 oktober 2025. Daarbij waren klaagster - vertegenwoordigd door haar bestuurder [naam] -  en verweerster en haar gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klaagster is slachtoffer geworden van bankhelpdeskfraude, ook wel bekend als ‘spoofing’. Hierbij deed een crimineel zich voor als medewerker van de bank en werd klaagster ertoe gebracht om toegang te verlenen tot haar bankaccount. Als gevolg hiervan is binnen een tijdsbestek van anderhalf uur op 19 juli 2023 een bedrag van circa € 75.000 aan de rekening van klaagster onttrokken. De bank heeft hiervan op voorhand circa € 20.000 teruggehaald.

2.2 Klaagster heeft verweerster verzocht haar belangen te behartigen. Namens klaagster heeft verweerster vervolgens de bank gedagvaard op 22 februari 2024. In de dagvaarding is het standpunt ingenomen dat alle onttrokken gelden door de bank vergoed moesten worden.

2.3 Namens klaagster heeft verweerster op 16 augustus 2024 een ‘akte vermeerdering van eis’ ingediend, waarbij het standpunt is ingenomen dat indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat niet alle onttrokken gelden door de bank vergoed zouden hoeven worden, de bank in ieder geval gehouden is om alle onttrekkingen van ná 11.43 uur (het tijdstip waarop klaagster aan de bank een eerste e-mailbericht heeft gezonden naar aanleiding van de onverklaarbare onttrekkingen) te vergoeden. Dat ging om een bedrag van € 11.878.

2.4 In reactie daarop heeft de bank op 16 augustus 2024 een nadere akte ingediend, waarin staat dat de bank de € 11.878 van het verloren geld door ‘spoofing’ zal vergoeden. Rond 16 augustus 2024 heeft de bank € 11.878 aan klaagster overgemaakt.

2.5 De nadere akte van de zijde van de bank is tijdens de afwezigheid van verweerster in verband met haar vakantie niet onverwijld aan klaagster doorgezonden. Gelijk na terugkomst van vakantie, op 26 augustus 2024, heeft verweerster klaagster bericht dat er een nadere akte door de bank was ingediend en heeft zij die akte aan klaagster doorgestuurd.

2.6 Op 27 augustus 2024 heeft de mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. Kort daarvoor hebben verweerster en klaagster de spreekaantekeningen van verweerster doorgesproken.

2.7 Op de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft verweerster de vordering van klaagster verminderd met het bedrag dat inmiddels door de bank was overgemaakt aan klaagster.

2.8 Bij vonnis van de rechtbank van 2 oktober 2024 is de (resterende) vordering van klaagster afgewezen met veroordeling van klaagster in de proceskosten aan de zijde van de bank van € 5.495.

2.9 Op 3 oktober 2024 heeft klaagster bij verweerster een klacht ingediend. De klacht is behandeld volgens de interne klachtregeling van het kantoor van verweerster. Dat heeft niet geleid tot een oplossing.

2.10 Op 18 november 2024 heeft klaagster een klacht over verweerster bij de deken ingediend.

 

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

moeilijk bereikbaar te zijn, de nadere akte van 16 augustus 2024 niet tijdig aan klaagster door te sturen, geen controle te hebben over haar dossiers en de belangen van klaagster niet naar behoren te behartigen, waardoor klaagster in de proceskosten is veroordeeld en schade heeft geleden.

Toelichting:

Verweerster liet na een nadere akte van de bank tijdig aan klaagster door te sturen. Daarin stond dat de bank € 11.878 zou vergoeden. Door deze late toezending heeft geen bespreking meer plaatsgevonden over de inhoud van die akte. Ook over de inhoud van de pleitnota heeft geen bespreking of aanpassing plaatsgevonden. De van de bank ontvangen € 11.878 had als breekijzer kunnen worden gebruikt, zodat klaagster meer opgelopen schade vergoed had kunnen krijgen. Verweerster had essentiële punten niet dan wel onvoldoende omschreven in de akte wijziging van eis. Verweerster had de zaak beter moeten ‘framen’. Op de zitting, in haar pleitnota, heeft verweerster de vordering verminderd met de ontvangen € 11.878. Als ze dat niet had gedaan zou de vordering grotendeels zijn toegewezen en zou klaagster niet zijn veroordeeld in de proceskosten. Klaagster heeft door de handelwijze van verweerster € 16.073,10 schade geleden. Verweerster liet na de door klaagster ingebrachte producties op te nemen in haar pleidooi. Het momentum om tot een schikking met de bank te komen is klaagster ontnomen, doordat verweerster niet tijdig kennis heeft genomen van de akte van de bank van 16 augustus 2024. De pleitnota van verweerster was erg zwak. Verweerster heeft nagelaten een aantal zeer belangrijk elementen bij de rechtbank onder de aandacht te brengen.

3.2 Op de mondelinge behandeling is de klacht namens klaagster nader toegelicht.

 

4 VERWEER

Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.  Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.

5.2 De raad heeft als tuchtrechter mede tot taak om de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

Klachtonderdeel ‘moeilijk bereikbaar zijn’

5.3 Het is de raad niet gebleken dat verweerster moeilijk bereikbaar was. Op de mondelinge behandeling is namens verweerster nog onweersproken verklaard dat verweerster regelmatig contact had met klaagster, zelfs tijdens haar vakantie. Dit klachtonderdeel zal de raad ongegrond verklaren. 

Klachtonderdeel ‘nadere akte niet tijdig doorsturen’

5.4 Vast staat dat de nadere akte van de bank van 16 augustus 2024 niet direct is doorgezonden aan klaagster toen de akte op het kantoor van verweerster was binnen gekomen. Op dat moment was verweerster zelf op vakantie en door een interne communicatiefout is de akte niet direct doorgezonden. Toen verweerster was teruggekeerd op 26 augustus 2024 heeft zij de akte direct aan klaagster gezonden en haar excuses gemaakt. Verweerster erkent dat de akte direct had moeten worden doorgezonden en dat zij daarvoor de verantwoordelijkheid droeg. Anders dan klaagster stelt, is de raad niet gebleken dat klaagster door deze late toezending benadeeld is of schade heeft geleden. Namens klaagster is gesteld dat op grond van die akte nadere onderhandelingen zouden hebben kunnen worden gevoerd en dat dit wellicht tot een vergelijk had geleid buiten de rechtszaal om. Verweerster heeft echter toegelicht dat de bank niet tot onderhandelen of schikken bereid was en het door de bank aan klaagster overgemaakte bedrag van € 11.878 verband hield met een coulanceregeling. Het niet tijdig doorzenden van de akte is wel slordig en niet zoals het hoort, maar de raad is van oordeel dat dit niet zodanig is dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Zodra verweerster ervan op de hoogte was dat de akte niet aan klaagster was doorgezonden heeft zij direct actie ondernomen en heeft zij telefonisch de akte met klaagster besproken. Dit klachtonderdeel zal de raad ongegrond verklaren.

Klachtonderdelen ‘geen controle over dossier hebben’ en ‘belangen niet naar behoren behartigen’

5.5 Deze klachtonderdelen zal de raad gezamenlijk bespreken. Deze komen in de kern erop neer dat de kwaliteit van dienstverlening naar de mening van klaagster onvoldoende was.

5.6 Zoals hiervoor al overwogen heeft een advocaat de vrijheid bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. In het onderhavige geval heeft verweerster aan klaagster een negatief procesadvies afgegeven. Ter zitting heeft zij toegelicht dat in gevallen van ‘spoofing’ uit de  jurisprudentie volgt dat de verantwoordelijkheid voor het afgeven van accountgegevens veelal bij de klant ligt en bank dan ook niet geneigd zijn geleden schade te vergoeden. In het onderhavige geval heeft verweerster nog een kleine mogelijkheid gezien, maar daarvan aangegeven dat het een ‘long shot’ zou zijn. Klaagster wilde de zaak doorzetten, waarna verweerster dit ook heeft gedaan. Klaagster meent dat er geen proceskostenveroordeling zou zijn geweest als verweerster de vordering ter zitting niet zou hebben verminderd met het reeds door klaagster ontvangen bedrag van € 11.878. Dat kan de raad - nu zich dat niet heeft voorgedaan - niet beoordelen, maar de raad acht het voor de hand liggend dat een vordering wordt verminderd als blijkt dat daar inmiddels een deel van is voldaan. Dat deel van de vordering kan dan immers door de rechter niet meer worden toegewezen.

5.7 Klaagster stelt dat de pleitnota van verweerster ‘erg zwak’ was, maar licht dit verder niet toe. Verweerster heeft aangevoerd dat zij alle punten die door klaagster zijn gesteld op de zitting naar voren heeft gebracht, maar dat de rechtbank die in lijn met de heersende jurisprudentie heeft gepasseerd. Ook heeft zij klaagster, nog voordat verweerster op vakantie ging, haar concept spreekaantekeningen toegezonden en deze waren volgens verweerster inhoudelijk niet anders dan hetgeen zij op de zitting heeft gezegd.

5.8 Het is de raad niet gebleken dat verweerster geen controle heeft gehad over haar dossiers of de belangen van klaagster niet naar behoren heeft behartigd. De klacht van klaagster komt er in feite op neer dat verweerster het naar de mening van klaagster ‘anders had moeten doen’, maar klaagster concretiseert dat verder niet. In de stukken en ter zitting heeft verweerster adequaat haar handelswijze en de door haar gemaakte (procedurele) keuzes toegelicht en die zijn voor de raad goed te begrijpen. Verweerster is in haar werkzaamheden ten behoeve van klaagster naar het oordeel van de raad te werk gegaan zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht en haar treft dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht in al zijn klachtonderdelen ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mr. G.N. Paanakker en mr. Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 1 december 2025