Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:261
Zaaknummer
25-301/AL/OV
Inhoudsindicatie
Raadbeslissing. Klacht tegen eigen advocaat. Verweerder heeft tijdens de behandeling van de zaak van klaagster een relatie gekregen met de moeder van haar wederpartij. Deze onderlinge relaties konden verweerder in een situatie brengen waarin hij de belangen van klaagster niet in alle onafhankelijkheid meer zou kunnen behartigen. Het ontstaan van de relatie had voor verweerder aanleiding moeten zijn om zich terug te trekken of dit in ieder geval uitdrukkelijk met zijn cliënte te bespreken. Klacht deels gegrond. Berisping.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden
van 1 december 2025
in de zaak 25-301/AL/OV
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 1 december 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 7 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2392175 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 september 2025. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Klaagster is vanaf 2019 verwikkeld in een echtscheidingsprocedure met haar ex-partner, de heer A. Verweerder heeft klaagster in deze zaak als advocaat bijgestaan vanaf voorjaar 2022.
2.2 Verweerder heeft een relatie gekregen met de ex-schoonmoeder van klaagster. Verweerder heeft ook als advocaat van de ex-schoonmoeder van klaagster opgetreden in een geschil dat zij had met haar zoon A.
2.3 De echtscheiding tussen klaagster en A. was al in 2019 uitgesproken, maar de boedelscheiding was nog niet afgehandeld. Partijen twistten onder andere nog over de waarde van de bedrijven van A. De rechtbank heeft op enig moment een deskundige benoemd voor de waardering van de ondernemingen van A., waarna verweerder namens klaagster ook een deskundige, de heer B., heeft ingeschakeld.
2.4 Op 15 juli 2024 heeft A. een klacht tegen verweerder ingediend, onder meer over belangenverstrengeling vanwege de relatie tussen verweerder en zijn moeder.
2.5 Verweerder heeft op 18 november 2024 klaagster laten weten dat hij om deze reden haar zaak niet meer wenste voor te zetten.
2.6 Op 1 december 2024 heeft klaagster onderhavige klacht ingediend tegen verweerder.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) klaagster niet goed op de hoogte te houden.
Toelichting
Klaagster heeft verweerder bij herhaling tevergeefs verzocht om duidelijkheid en om haar op de hoogte te houden van de gang van zaken. Voorbeelden van de gebrekkige communicatie van verweerder zijn dat hij klaagster het deskundigenrapport niet heeft willen toezenden en dat hij niet aan klaagster kenbaar heeft gemaakt wanneer de zitting zou zijn.
b) belangenverstrengeling te laten bestaan, doordat verweerder een relatie heeft met de moeder van haar ex-partner. Klaagster is van deze relatie rond augustus 2023 op de hoogte geraakt.
c) niet alles compleet in te dienen bij de rechtbank.
Toelichting
Klaagster heeft het vermoeden dat het rapport van deskundige B. niet bij de rechtbank is ingediend. Uiteindelijk heeft klaagster zelf op 28 november 2024 de stukken ingediend. Het was voor haar niet duidelijk of verweerder nog werkzaamheden voor haar verrichtte en zij kreeg nauwelijks nog contact met hem.
d) willens en wetens de zaak te saboteren/vertragen en zich onvoldoende in te spannen voor klaagster.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft ondanks herhaalde verzoeken van de deken geen schriftelijk verweer gevoerd tegen de klacht. Pas tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft verweerder verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op dit verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 De raad stelt vast dat de klacht betrekking heeft op het optreden van de eigen advocaat. De klacht gaat over de kwaliteit van zijn dienstverlening. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Het optreden van verweerder zal aan de hand van deze maatstaf worden beoordeeld.
Klachtonderdeel a); onvoldoende geïnformeerd
5.2 Klaagster verwijt verweerder dat hij haar onvoldoende op de hoogte heeft gehouden van de gang van zaken, terwijl zij hem hier herhaaldelijk om heeft verzocht. Verweerder heeft dit tijdens de mondelinge behandeling van de klacht ontkend. Hij heeft verklaard dat hij alle processtukken, oproepen van de rechtbank en zittingsdata naar klaagster heeft gestuurd. Verder heeft hij erop gewezen dat hij klaagster 207 e-mails heeft gestuurd en heel veel uren aan haar zaak heeft gewerkt en dat alleen al daaruit blijkt dat hij klaagster goed op de hoogte heeft gehouden van alle ontwikkelingen. Desgevraagd heeft hij verklaard dat hij een opdrachtbevestiging heeft gestuurd naar klaagster, maar dat hij deze niet ondertekend heeft terugontvangen.
5.3 De raad oordeelt als volgt. In een omvangrijke en complexe zaak als deze, acht de raad het aannemelijk dat er voldoende ontwikkelingen zijn geweest waarover klaagster geïnformeerd diende te worden. Ingevolge Gedragsregel 16 moeten belangrijke informatie en afspraken schriftelijk worden vastgelegd. De raad constateert dat verweerder zijn betwisting van het verwijt van klaagster dat hij haar onvoldoende op de hoogte heeft gehouden met geen enkel stuk heeft onderbouwd. Zo heeft hij geen (niet-ondertekende) opdrachtbevestiging, geen e-mails en geen afdrukken van app-berichten overgelegd. Dit had wel op zijn weg gelegen. Verweerder heeft tijdens de zitting verklaard dat hij vanwege ziekte geen tijd had gehad om bij de deken verweer, inclusief stukken, in te dienen en dat hij dacht dat hij na inzending van het dossier door de deken geen stukken meer mocht indienen. Hij kan hierin niet worden gevolgd, aangezien er tijdens de klachtprocedure van de raad verschillende momenten zijn, tot en met de zitting, waarop partijen nog kunnen vragen om bepaalde stukken toe te voegen aan het dossier. Nu elke onderbouwing van zijn verweer ontbreekt, is het voor de raad als onvoldoende weersproken komen vast te staan dat verweerder klaagster gedurende de procedure niet voldoende op de hoogte heeft gehouden van de ontwikkelingen in haar zaak. Klachtonderdeel a) zal om die reden gegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel b); belangenverstrengeling
5.4 De raad stelt voorop dat één van de in artikel 10 a Advocatenwet geformuleerde kernwaarden is de onafhankelijkheid van de advocaat ten opzichte van zijn cliënt, derden en de zaken waarin hij als zodanig optreedt. Ingevolge Gedragsregel 2 lid 1 dient de advocaat te vermijden dat zijn vrijheid en onafhankelijkheid in de uitoefening van zijn beroep in gevaar zouden kunnen komen. Een belangenverstrengeling, door financiële of persoonlijke relaties, kan de gewenste onafhankelijkheid in gevaar brengen en kan maken dat de advocaat mede tot partij wordt. Of een advocaat vrij staat om in een voorkomend geval als advocaat op te treden hangt af van de omstandigheden van het geval.
5.5 Verweerder heeft op de zitting bevestigd dat hij tijdens de behandeling van de zaak van klaagster een relatie heeft gekregen met de moeder van A. Hier is dus sprake van een nauwe persoonlijke band, zoals bedoeld in Gedragsregel 2 lid 1, met de moeder van de wederpartij van zijn cliënte. De raad is van oordeel dat deze onderlinge relaties verweerder in een situatie konden brengen waarin hij de belangen van klaagster niet in alle onafhankelijkheid meer zou kunnen behartigen. Het feit dat de ex-schoonmoeder van klaagster een procedure is gestart tegen haar zoon, zoals verweerder tijdens de zitting heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Het ontstaan van de relatie had voor verweerder aanleiding moeten zijn om zich terug te trekken of dit in ieder geval uitdrukkelijk met zijn cliënte te bespreken. De raad is niet gebleken dat klaagster ermee heeft ingestemd dat verweerder haar belangen zou blijven behartigen na het ontstaan van de relatie. Pas nadat de ex-partner van klaagster onder meer hierover een klacht had ingediend, heeft hij klaagster laten weten de zaak niet te willen voortzetten. Aangezien sprake was van een klachtwaardige belangenverstrengeling, zal klachtonderdeel b) gegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel c); niet alle stukken bij de rechtbank ingediend
5.6 In klachtonderdeel c) wordt verweerder verweten dat hij niet alle benodigde stukken, zoals het deskundigenrapport van de heer B. bij de rechtbank heeft ingediend. Verweerder heeft dit tijdens de zitting weersproken.
5.7 De raad is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verweerder niet alle benodigde stukken bij de rechtbank heeft ingediend, nu verweerder dit heeft betwist en klaagster haar vermoeden onvoldoende heeft onderbouwd. Klachtonderdeel c) zal ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel d); zaak saboteren/vertragen, zich onvoldoende inspannen voor klaagster
5.8 Klachtonderdeel d) betreft het verwijt dat verweerder haar zaak heeft gesaboteerd dan wel vertraagd en zich onvoldoende voor klaagster heeft ingespannen. Verweerder heeft dit tijdens de zitting betwist. Het verwijt van klaagster is onvoldoende concreet en niet met stukken onderbouwd. Nu niet is gebleken van enig klachtwaardig handelen, zal klachtonderdeel d) ongegrond worden verklaard.
6 MAATREGEL
6.1 Klachtonderdelen a) en b) zijn gegrond. Deze klachtonderdelen betreffen de informatieplicht en de kernwaarde van de onafhankelijkheid. De raad rekent verweerder dit zwaar aan. Verweerder heeft een tuchtrechtelijk verleden. Uit de houding van verweerder bij zowel de klachtbehandeling door de deken als de zitting van de raad is niet gebleken dat verweerder voldoende doordrongen is van de ernst van de zaak. De raad acht de maatregel van berisping passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
€ 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster, € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en € 500,- kosten van de Staat.7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a) en b) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen c) en d) ongegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. S.M. Bosch-Koopmans, N.A. Heidanus, M.H. Pluymen en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 1 december 2025
