Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:259

Zaaknummer

25-230/AL/NN

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Verweerder is naar het oordeel van de raad tekortgeschoten in zijn zorgplicht jegens klagers. Uit diverse berichten van klagers blijkt duidelijk dat zij een ander idee hadden van het hele saneringsplan en de wijze waarop deze werd uitgevoerd dan verweerder. Verweerder heeft onvoldoende gedaan om zich ervan te vergewissen dat klagers - die niet zijn ingevoerd in de complexe materie van saneringen – bewust waren van alle stappen en gevolgen van het saneringsplan. Dit is mede veroorzaakt door de vele fragmentarische (ad hoc) berichten afkomstig van verschillende personen en de daarin gebezigde taal die niet altijd eenduidig was. Een duidelijk en volledig plan van aanpak met alle stappen en te verwachten geldstromen ontbrak, wat heeft geleid tot een informatie-achterstand bij klagers. Maatregel: waarschuwing

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 1 december 2025

in de zaak 25-230/AL/NN

naar aanleiding van de klacht van:

 

klagers

gemachtigde: mr. M.P. Dol

 

over

 

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 1 juni 2023 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 8 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2243725 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 3 oktober 2025. Daarbij waren klagers en verweerder aanwezig. Klagers werden bijgestaan door hun gemachtigde. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klagers zijn met elkaar gehuwd. Zij exploiteerden via een holding een staalbedrijf onder de vlag van diverse vennootschappen.

2.2 Het bedrijf van klagers (hierna: de onderneming) had zoveel schulden dat een faillissement onafwendbaar was, tenzij met de schuldeisers buiten faillissement een akkoord zou kunnen worden gesloten. Klagers liepen daarbij het risico van persoonlijke aansprakelijkheid. Bovendien was het woonhuis van klagers een bestanddeel van de boedel van de holding.

2.3 Klagers werden in verband met de schuldensanering bijgestaan door een advocaat, mr. S.

2.4 A, een schuldeiser van de onderneming, heeft klagers geadviseerd om verweerder in te schakelen. Verweerder had al eerder voor klagers werkzaamheden verricht, ook in het kader van een schuldensanering.

2.5 De onderneming huurde een werf. In de huurovereenkomst was een koopoptie opgenomen, op grond waarvan de huurder de mogelijkheid had de werf voor € 700.000 te kopen.

2.6 In januari 2022 hebben klagers, getipt door A, contact gehad met T. Die was geïnteresseerd in de aankoop van de werf en de daarbij behorende roerende zaken. Afgesproken is dat de onderneming gebruik zou maken van de koopoptie en dat de werf inclusief roerende zaken via een zogenoemde ‘abc-transactie’ zou worden overgedragen aan T.  T zou voor deze transactie € 1.200.000 beschikbaar stellen. In een e-mail van 21 april 2022 aan klagers is namens T bevestigd dat afgesproken is dat er een opdracht zal worden gegeven aan verweerder voor de verdere schuldensanering. In dat e-mailbericht staat ook dat het bedrag dat uiteindelijk zal worden overeengekomen voor het crediteurenakkoord, zal worden gestort op de derdenrekening van verweerder en pas kan vrijkomen als er een akkoord is gesloten en dat ‘het geld’ tot die tijd van T blijft.

2.7 Verweerder was niet betrokken bij de onderhandelingen over de koop en verkoop van de werf, maar heeft wel op de achtergrond meegekeken. De betreffende e-mailberichten zijn door V, de belangenbehartiger van T, aan verweerder doorgestuurd.

Op 25 april 2022 heeft verweerder aan klagers en T en A een e-mail gestuurd waarin staat dat klagers een sanering van de schulden wensen door te voeren, dat A bemiddelaar is met als belang om zijn vordering op de onderneming voldaan te krijgen en dat T de werf graag wil hebben. Daarbij wijst verweerder er op dat hij niet voor één partij kan optreden, maar uitsluitend voor alle drie de partijen - mits ze daar alle drie mee instemmen - en zolang de belangen niet uit elkaar lopen of tegenstrijdig worden. Diezelfde dag heeft verweerder een conceptplan van aanpak gemaild en daarop hebben klagers diezelfde dag gereageerd dat zij het plan onderschrijven. In de e-mail aan T en A vraagt verweerder welk bedrag er overblijft na doorverkoop van de werf aan T. Uit een berekening van V blijkt dat er, na verrekening  van nog lopende huur en een factuur ozb, een bedrag van € 431.490 beschikbaar komt waarmee een akkoord aan de schuldeisers kan worden aangeboden. In deze mail (van 25 april 2022 om 9:33) schrijft verweerder nog het volgende:

‘Indien een partij aangeeft of [verweerder] of zijn kantoor constateren dat er enig tegenstrijdig belang ontstaat tussen de drie partijen zal per direct [verweerder] zijn werkzaamheden opschorten en zal een overleg worden gepland. Indien het overleg niet tot overeenstemming bereik zal [verweerder]/zijn kantoor zich direct terugtrekken. Alle drie de partijen zijn opdrachtgever waarbij de facturen voor de algemene werkzaamheden zullen worden verzonden aan [T]. De saneringswerkzaamheden (zie later) worden zoals te doen gebruikelijk voor rekening van de akkoordsom gebracht.’

2.8 Op 26 april 2022 om 07:04 uur vraagt verweerder aan T, per e-mailbericht met in de cc klagers, of hij het bedrag zoals becijferd door V wil overmaken naar de derdenrekening van het kantoor van verweerder. Later die dag, om 08:02 uur, heeft verweerder klagers via een e-mailbericht gemeld: ‘Een opdracht en bevestiging van [T] heb ik al gekregen, de betaling zal plaatsvinden uit de 430k’. Dit bedrag wordt door betrokkenen ‘de pot’ genoemd. Verder heeft verweerder in het e-mailbericht klagers verzocht de opdracht te bevestigen dat hij klagers zal begeleiden in de ‘abc-transactie’ en daaropvolgende de sanering van schulden. Per omgaande hebben klagers dat bevestigd.

2.9 Op 26 april 2022 is het onroerend goed (de werf) geleverd aan T.

2.10 T heeft in de periode van 8 tot 17 juni 2022 vier keer een bedrag overgemaakt op de rekening derdengelden van verweerder. In totaal gaat dat om een bedrag van € 356.301,29. Verweerder heeft zijn facturen aan T voldaan met de gelden op zijn derdenrekening.

2.11 Op 12 mei 2022 heeft verweerder aan klagers nogmaals een opdrachtbevestiging gestuurd.

2.12 Juist op het moment dat het schuldeisersakkoord - waarbij alle schuldeisers inclusief de belastingdienst genoegen namen met 20% van hun vordering - bijna tot stand was gekomen, diende een van de schuldeisers (M) eind mei 2022 een faillissementsrekest in en legde deze beslag op de woning van klagers.

2.13 Ter voorkoming van een (persoonlijk) faillissement is tussen klagers en M overeengekomen dat zij M € 90.000 zouden betalen tegen finale kwijting. In overleg met verweerder was A bereid dit bedrag aan klagers te lenen en ter beschikking te stellen. Op 4 juni 2022 hebben klagers verweerder verzocht om dit bedrag uit ‘de pot’ te betalen.  

2.14 Verweerder heeft A verzocht om de € 90.000 te storten op de rekening derdengelden van zijn kantoor en dat heeft A op 4 juni 2022 ook gedaan, met omschrijving ‘lening [naam] en [naam]. Op diezelfde dag is tussen klagers en A een geldleningsovereenkomst gesloten. Verweerder heeft de € 90.000 doorgestort naar de advocaat van M. Het faillissement was hiermee van de baan en het beslag is doorgehaald.

2.15 De lening is door klagers afgelost door gebruik te maken van de overwaarde op hun woning.

2.16 Op 24 juni 2022 heeft verweerder alle betrokkenen via een e-mail een totaal financieel overzicht gestuurd. In de e-mail wordt aangegeven dat er een tekort is van € 42.897 in ‘de pot’ en dat er nog een bedrag van € 10.000 moet worden ‘opgelost’. Verweerder heeft klagers gevraagd in te stemmen met een extra lening van € 10.000 bij A en verweerder heeft T gevraagd nog een bedrag van € 42.897 te voldoen op de rekening derdengelden om het tekort aan te zuiveren. T heeft hierop akkoord gegeven. Klagers hebben geen akkoord gegeven en hebben de leningsovereenkomst niet getekend.

2.17 Bij een koopovereenkomst van 29 juni 2022 hebben klagers de activa/inventaris van de onderneming verkocht aan (een vennootschap van) T voor € 284.000. Dit bedrag zou door (de vennootschap van) T worden gestort op de derdengeldenrekening van het kantoor van verweerder.

2.18 Op 14 juli 2022 heeft verweerder alle betrokkenen geschreven dat ondanks de extra bijdragen hij nog een tekort voorziet van € 13.631,01 in verband met de kosten van verweerder zelf en die van V, de adviseur van T.

2.19 Op 20 juli 2022 hebben klagers alle betrokkenen gemaild dat zij een andere kijk hebben op het financieel overzicht van verweerder. Op 21 juli 2022 heeft verweerder daar op gereageerd en aangegeven dat is afgesproken dat de betaling van de advocaatkosten plaats zou vinden ‘uit de pot’.

2.20 Daarop hebben klagers gereageerd naar alle betrokkenen dat zij van mening zijn dat is afgesproken dat de advocaatkosten betaald zouden worden door T.

2.21 In augustus 2022 hebben de betalingen aan de belastingdienst plaatsgevonden en heeft verweerder de vennootschappen van klagers begeleid in een zogenoemde turbo-liquidatie. De sanering van de onderneming(en) van klagers was daarmee in september 2022 afgerond.

2.22 Op 1 april 2023 hebben klagers verweerder verzocht om inzage te geven in de financiële afwikkeling en om een kopie van de facturen, inclusief specificatie. Op 13 april 2023 heeft verweerder een kopie van alle facturen aan klagers toegezonden, inclusief specificatie.

2.23 Op 1 juni 2023 hebben klagers hun klacht over verweerder bij de deken ingediend.

 

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

de belangen van meerdere partijen te behartigen en facturen te verrekenen met gelden op de rekening derdengelden zonder toestemming van klagers, geen verantwoording af te legen over de bestedingen uit ‘de pot’ en de kosten van rechtsbijstand van alle drie partijen voor rekening van klagers laten komen.

Toelichting

Verweerder had klagers van de inkomsten en uitgaven op de hoogte moeten brengen, dan had hij in hun belang dit ter discussie kunnen stellen met een heel andere uitkomst. Onderling was afgesproken dat T. in zijn eigen belang alle kosten die verweerder in rekening zou brengen, voor zijn rekening ging nemen, in ruil voor de gunstige aankoop van de werf. Uit de overzichten blijkt dat deze facturen door verweerder rechtstreeks bij T. zijn gedeclareerd en vervolgens door T. rechtstreeks zijn betaald. Verder valt op dat A. niet voor komt in de gehele transacties. Het kan niet anders dan dat verweerder hier kennis over had en dit met klagers had moeten delen. A. deed immers ook mee in het crediteurenakkoord. Naar alle waarschijnlijkheid is er onderling nogal veel geregeld waar klagers buiten zijn gehouden. Dit is een kwalijke zaak en hier had verweerder moeten ingrijpen. Dat is niet gebeurd en verweerder is tot op heden vaag geweest in zijn informatieverstrekking. Dat is onacceptabel en sterkt klagers in hun klacht.

3.2 Tijdens de mondelinge behandeling hebben klagers hun klacht nader toegelicht. Hoewel de gemachtigde van klager heeft gesteld dat de klachtomschrijving nogal summier is, is wel duidelijk geworden dat alle punten die klagers aan hun klacht ten grondslag hebben gelegd  in de toelichting op de klacht naar voren komen. De raad is daarom van oordeel dat de klachtomschrijving, tezamen met de toelichting, de gehele klacht van klagers omvat en zal daarop beslissen.

 

4 VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna bij de beoordeling nader op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt.  Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46  Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.

Klachtonderdeel ‘de belangen van meerdere partijen behartigen’

5.2 Klagers verwijten verweerder dat hij de belangen van meerdere partijen behartigde.

5.3 De raad constateert dat verweerder inderdaad de belangen van meerdere partijen behartigde, maar dat hij de partijen daarover ook uitdrukkelijk heeft bericht. In zijn e-mail bericht van 25 april 2022 wijst hij partijen erop dat hij met instemming van alle drie betrokkenen en zolang de belangen niet uit elkaar lopen of tegenstrijdig worden voor hen gezamenlijk kan optreden. Ook in andere berichten is dat meermaals gecommuniceerd. Dat verweerder voor meerdere partijen optrad was voor iedereen dus helder. In die zin kan verweerder dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Voor zover klagers bedoelen dat die belangen op enig moment uit elkaar zijn gaan lopen of tegengesteld zijn  geworden is de raad niet gebleken dat daar sprake van was. Alle betrokkenen hadden belangen die hetzelfde waren of parallel liepen. Klagers wilden van hun schulden af, de schuldeisers wilden hun vorderingen betaald zien en T wilde de werf aankopen. Uiteindelijk zijn klagers van hun schulden afgekomen en is een faillissement voorkomen, hebben de schuldeisers (een deel van) hun vorderingen betaald gehad en heeft T de werf kunnen kopen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is ten aanzien van dit klachtonderdeel niet gebleken. Door betrokkenen de optie te bieden om de samenwerking te beëindigen zodra de belangen conflicterend zouden worden heeft verweerder bovendien oog gehad voor het precaire karakter wat het optreden voor meerdere partijen met zich brengt.   

Klachtonderdeel ‘informatievoorziening’

5.4 De overige klachtonderdelen van klagers zal de raad gezamenlijk bespreken. Deze betreffen in de kern allemaal dat het voor klagers niet voldoende duidelijk was wat er nu precies (achter de schermen) gebeurde, welke afspraken er precies waren gemaakt en wie wat zou betalen. Zij stellen dat aan hun zijde sprake was van een informatie-achterstand.

5.5 Verweerder is door klagers ingeschakeld voor de sanering van hun schulden. Financieel verkeerden klagers in zwaar weer en (persoonlijk) faillissement hing klagers boven het hoofd. Het saneringstraject dat zij met hun advocaat mr. S hadden doorlopen had niet tot succes geleid. Toen kwam verweerder in beeld. Hij had klagers, zo bleek ter zitting, ook in het verleden al succesvol bijgestaan in eerdere saneringen.

5.6 Verweerder is met zijn werkzaamheden begonnen toen er al een plan van aanpak in grote lijnen lag. Dat plan is door V, de adviseur van T, ook aan klagers gemaild. Een onderdeel daarvan was dat de onderneming van klagers gebruik zou maken van de koopoptie ten aanzien van de werf en dat deze via een abc-transactie zou worden geleverd aan T die interesse had in de werf. De werf is door klagers aangekocht tegen het bedrag van de koopoptie en tegen dat bedrag ook weer doorverkocht aan T. De marktwaarde van de werf was echter hoger dan deze koopoptie-prijs en deze meerwaarde zou voor een groot deel worden gebruikt voor de (verdere) sanering van de onderneming van klagers. Zo heeft T, via een vennootschap, ook de inventaris/inboedel voor € 284.000 gekocht. 

5.7 Vanaf het moment dat voormeld plan van aanpak werd kenbaar gemaakt, hadden klagers – zo blijkt uit de diverse mailwisselingen – een ander idee van de strekking van het plan dan verweerder. De oorzaak daarvan ligt naar het oordeel van de raad bij het niet altijd even eenduidige taalgebruik in de diverse stukken en in de fragmentarische, van verschillende partijen afkomstige, tussentijdse  berichtgeving. Zo hebben partijen het al snel  over ‘de pot’ en blijkt dat klagers daar een andere invulling aan geven dan verweerder. Klagers zijn er steeds van uitgegaan dat ‘de pot’ een geldbedrag is van € 430.000 wat op de derdenrekening van verweerder zou staan. Feitelijk was dat niet het geval. De raad kan zich wel voorstellen dat klagers hiervan uitgingen. In de door adviseur V op 21 april 2022 aan klagers gezonden e-mail wordt namelijk berekend dat voor een akkoord circa € 430.000 beschikbaar zou kunnen zijn en dat het bedrag dat uiteindelijk wordt overeengekomen voor het akkoord wordt gestort op de derdenrekening van verweerder. In een e-mailbericht van 26 april 2022 van verweerder aan T met klagers in de ‘cc’ vraagt verweerder aan T om het bedrag zoals becijferd door V te storten op de derdenrekening van het kantoor van verweerder. Dat is niet gebeurd, althans niet in de zin dat T in een keer een bedrag van € 430.000  aan het kantoor van verweerder heeft overgemaakt. T heeft aan het kantoor van verweerder in juni 2022 viermaal verschillende bedragen overgemaakt. Dit ging om bedragen waar verweerder op die momenten specifiek om vroeg en die maakte T dan over.

5.8 Ook uit bepaalde bewoordingen in de opdrachtbevestiging van 12 mei 2022 kan onduidelijkheid zijn ontstaan. Onder het kopje ‘Financiële afspraken’ staat

‘ U hebt aangegeven dat een derde de facturen namens u zal betalen, zijnde (T). U heeft gezamenlijk met (T) afspraken gemaakt over de wijze van facturering en betaling. Zie in dat kader ook onze e‑mail van 26 april jongstleden. U blijft echter ten allen tijde onze (mede)opdrachtgever en debiteur.’

 Voor de niet juridisch geschoolde klagers is deze zin voorstelbaar lastig te duiden.  

5.9 Het bedrag van  € 90.000 dat nodig was om schuldeiser M te voldoen om daarmee een faillissement af te wenden kon niet ‘uit de pot’ worden voldaan, omdat er geen fysieke pot was en omdat volgens verweerder voor de schuldeisers dan geen 20% van hun vordering meer beschikbaar was zoals overeengekomen in het schuldeisersakkoord. Klagers hebben dat op dat moment echter niet begrepen, zo verklaarden zij ter zitting.

5.10 De raad kan zich goed indenken dat het saneringstraject van klagers (juridisch) complex was en op meerdere momenten hectisch. Juist echter in dergelijke gevallen en gelet op de belangen die speelden lag het naar het oordeel van de raad op de weg van verweerder om vanuit zijn zorgplicht jegens klagers zich ervan te vergewissen dat het voor hen volstrekt helder was hoe een en ander in elkaar stak. Hoewel verweerder van mening is dat klagers van alles op de hoogte waren, blijkt uit de diverse mailwisselingen duidelijk dat verweerder en klagers niet op hetzelfde spoor zaten. Dat valt verweerder (tuchtrechtelijk) te verwijten. Het had verweerder als advocaat naar het oordeel van de raad betaamt om de tijd te nemen en zich ervan te vergewissen dat klagers - die niet in de complexe materie van saneringen zijn ingevoerd en hun vertrouwen aan verweerder hadden gegeven - begrepen wat er gaande was, zeker nu bleek dat dit niet het geval was. Op dit punt zal de raad de klacht daarom ook gegrond verklaren. Om het beeldend te verwoorden: verweerder is na aanvaarding van de opdracht als een wervelwind met veel inzet en zeer voortvarend aan de slag gegaan, heeft met succes de schulden van klagers gesaneerd en toen het stof eenmaal was neergedaald bleek dat hij klagers kennelijk was kwijtgeraakt.

5.11 Van enige malversatie ten aanzien van de derdengeldenrekening of ondoorzichtige geldstromen is de raad, zeker ook na de toelichting van verweerder dienaangaande, niet gebleken. Verweerder heeft klagers op hun verzoek een volledig overzicht doen toekomen met bijlagen. Voor zover de klacht ziet op volgens klagers ongeoorloofde handelingen met derdengelden of op ondoorzichtige geldstromen zal de raad dat klachtonderdeel ongegrond verklaren.

 

6 MAATREGEL

6.1 Nu de raad een deel van de klacht gegrond zal verklaren dient de vraag zich aan of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke.

6.2 Verweerder is naar het oordeel van de raad tekortgeschoten in zijn zorgplicht jegens klagers. Uit diverse berichten van klagers blijkt duidelijk dat zij een ander idee hadden van het saneringsplan en vooral de wijze waarop deze (in financiële zin) zou worden uitgevoerd dan verweerder. Verweerder heeft onvoldoende gedaan om zich ervan te vergewissen dat klagers - die niet zijn ingevoerd in de complexe materie van saneringen – bewust waren van alle stappen en gevolgen van het saneringsplan. Dit is mede veroorzaakt door de vele fragmentarische (ad hoc) berichten afkomstig van verschillend personen en daarin gebezigde taal die niet altijd eenduidig was. Een duidelijk en volledig plan van aanpak met alle stappen, (te verwachten geldstromen) ontbrak, wat heeft geleid tot een informatie‑achterstand bij klagers. De raad houdt er rekening mee dat verweerder geen tuchtrechtelijk verleden heeft en het resultaat van zijn werkzaamheden is geweest dat met alle schuldeisers een regeling is bereikt en klagers een faillissement bespaard is gebleven.

6.3 De raad is van oordeel dat de maatregel van waarschuwing in dit geval passend en geboden is.

 

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klagers betaalde griffierecht van € 50 aan hen vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

€ 50 aan forfaitaire reiskosten van klagers, € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en € 500 kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50 aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klagers. Klagers geven binnen twee weken na de datum van deze beslissing hun rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250 (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het klachtonderdeel ten aanzien van de informatievoorziening gegrond;

-    verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-   veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50 klagers;

-   veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50 aan klagers, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-   veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250 aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

 

Aldus beslist door mr. M. Jansen, voorzitter, mr. G.N. Paanakker en Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 1 december 2025