Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:258

Zaaknummer

25-701/AL/NN

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk op grond van het ne bis in idem-beginsel (artikel 47b Advocatenwet). Hij heeft eerder over verweerster geklaagd. Alhoewel deze klacht anders is geformuleerd dan die eerdere klacht is naar het oordeel van de voorzitter sprake van een gelijkluidende klacht.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 1 december 2025 in de zaak 25-701/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerster

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 16 oktober 2025 met kenmerk 2025 / KNN034 /  2487930. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail van 1 november 2025 van klager.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager en zijn ex-partner zijn verwikkeld geweest in diverse procedures rondom hun dochter. Verweerster stond daarin de ex-partner van klager bij. 

1.2    Bij beschikking van 14 juli 2023 is er een zorg- en contactregeling tussen klager en de dochter vastgelegd. 

1.3    Op 19 december 2023 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. Deze klacht hield in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat zij een persoonlijke vete aan het uitvechten was en niet meer handelde in het belang van het kind door niet de-escalerend te werken en met haar handelen mee te werken aan ouder- en familieverstoting. 

1.4    Omdat klager op 22 december 2023 aan de deken heeft bericht dat hij de klacht niet wenste door te zetten, heeft de deken het klachtdossier op 27 december 2023 gesloten. Op 14 januari 2024 heeft klager de deken bericht dat hij de klacht toch wilde doorzetten. Na onderzoek heeft de deken het klachtdossier op 18 april 2024 naar de raad gestuurd. Deze klacht is bij de raad bekend onder zaaknummer 24-273/AL/NN.

1.5    Bij vonnis van 18 januari 2024 heeft de voorzieningenrechter de ex-partner van klager veroordeeld om de zorg- en contactregeling na te komen zoals vastgelegd in de beschikking van 14 juli 2023.

1.6    Bij beslissing van 24 juni 2024 heeft de voorzitter van de raad de onder 1.3 genoemde klacht over verweerster, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaard. 

1.7    Het aanvankelijk door klager daartegen op 20 juli 2024 ingediende verzet heeft klager op 28 september 2024 bij de raad ingetrokken en in die e-mail onder meer geschreven: Als korte reden zou ik willen aangeven dat er vanuit mijn te kant te veel emotie aanwezig was en ik daarmee rationeel het verwijt van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen niet goed heb kunnen inschatten. Helaas heb ik ergens de 'vechthouding' vanuit de familiezaak meegenomen naar u toe. Ik ben niet voornemens een vervolg te geven met deze en/of nieuwe klachten.

1.8    Bij beschikking van 8 oktober 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw, met uitsluiting van klager, wordt belast met het ouderlijk gezag over de dochter en er geen omgangsregeling meer tussen klager en de dochter zal zijn.

1.9    Op 16 april 2025 heeft klager opnieuw bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

 

2    KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: met gestrekt been te procederen door haar cliënte te adviseren om niet mee te werken aan de uitspraak van januari 2024 en door buiten de formele zitting contact te hebben met de medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming en met de kinderrechter, wat de belangen van klager en het kind heeft geschaad. 

3    VERWEER

De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

4.1    In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.

4.2    Volgens verweerster dient deze klacht van klager op grond van het ne bis in idem-beginsel niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat klager al eerder over dezelfde gedragingen van verweerster in dezelfde periode heeft geklaagd en hij geen andere gedragingen of nieuwe feiten aan deze klacht ten grondslag heeft gelegd. 

4.3    Hoewel deze klacht anders is geformuleerd dan de eerdere klacht van klager over verweerster komt de klacht naar het oordeel van de voorzitter daarop neer dat klager zich wederom beklaagt over de opstelling van verweerster tijdens de gevoerde procedures. Daarover is door de voorzitter van de raad al eerder, op 24 juni 2024, onherroepelijk tuchtrechtelijk geoordeeld. Dat klager dit zelf ook beseft volgt uit zijn e-mail van 1 mei 2025 aan het ordebureau waarin klager naar aanleiding van vragen over het mogelijk toepasselijke ne bis in idem-beginsel heeft geantwoord: “Zoals beschreven in mijn vorige mail blijf ik daarom in principe mijn recht zoeken als klager en kan ik mij niet verenigen met het onherroepelijke besluit om de klacht ongegrond te verklaren”.

4.4    Voor zover klager zich er nu over beklaagt dat verweerster haar cliënte zou hebben geadviseerd om niet mee te werken aan de uitspraak van de rechter van 18 januari 2024, dat is de voorzitter niet helemaal duidelijk geworden, dan nog valt dit verwijt onder hetzelfde feitencomplex waarover de voorzitter al op 24 juni 2024 heeft geoordeeld. Immers, in de uitspraak van 18 januari 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat het vonnis van 14 juli 2023 moest worden nagekomen. Van nieuwe feiten die zich pas zouden hebben voorgedaan ná de uitspraak van de voorzitter van 24 juni 2024 kan dan ook geen sprake zijn geweest. 

4.5    Nu klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht, komt de voorzitter aan inhoudelijke beoordeling daarvan niet meer toe. 

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.

Griffier         Voorzitter

 

Verzonden op : 1 december 2025