Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

02-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:165

Zaaknummer

25-699/DB/OB

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Verweerster mocht haar werkzaamheden neerleggen nadat zij onvoldoende kansen zag om klaagster bij te staan. Door te stellen dat klaagster last had van depressieve klachten, heeft zij aangesloten bij de verklaring van klaagsters psycholoog. Klacht kennelijk ongegrond.

Inhoudsindicatie

 

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch  van 2 december 2025 in de zaak 25-699/DB/OB

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken) van 15 oktober 2025 met kenmerk 48|25|057K en van de op de inventaris genoemde bijlagen 01 tot en met 11. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de aanvullende stukken van klaagster van 16 oktober 2025.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klaagster is via haar rechtsbijstandsverzekeraar terechtgekomen bij verweerster, omdat zij wenste dat (een diagnosecode over depressieve klachten uit) haar medisch resumé zou worden verwijderd door een bedrijfsarts. 

1.2    Op 19 oktober 2023 heeft verweerster dat verzoek gedaan aan de bedrijfsarts. Op 7 december 2023 heeft verweerster dit herhaald. De bedrijfsarts heeft aangegeven daar geen gehoor aan te kunnen geven, omdat hij niet meer bij de betreffende arbodienst werkzaam was. Ook zou het recht op vernietiging van gegevens volgens hem niet onverkort gelden.

1.3    Op 21 december 2023 heeft verweerster aan klaagster geschreven:

“(…) Zoals ik u in mijn e-mail van 2 november 2023 ook schreef, is het de arts die beslist of bepaalde informatie uit het dossier kan worden verwijderd. Ik kan in uw zaak niet in rechte afdwingen dat de heer [D] het medisch resumé van 26 januari 2007 verwijdert uit het Arbodossier. Dit kan hij overigens ook niet meer, omdat hij geen toegang meer heeft tot die dossiers [en] ook niet meer als bedrijfsarts optreedt in uw zaak. Het is niet mogelijk om hem alsnog bevoegd te verklaren. Ik sluit mij aan bij het advies dat u kreeg van het SGBO dat luidt: “Mijn antwoord sluit aan op mijn eerdere reactie: omdat de heer [D] u niet meer begeleidt kan hij het UWV niet verzoeken om stukken aan te passen of te verwijderen. Hij heeft simpelweg geen rol meer. U kunt hem niet aanzetten tot iets waar hij niet toe bevoegd is.” De WGBO bepaalt dat een arts op grond van de wet een dossierplicht heeft. Ten aanzien van verwijdering van gegevens uit medische dossiers is in de WGBO, art. 7:455 lid 2 BW, daarover bepaald dat aan een verwijderingsverzoek niet behoeft te worden voldaan als er een wettelijke bepaling is die zich tegen vernietiging verzet. Het dossier van de bedrijfsarts valt maar ten dele onder de WBGO (zie mijn e-mail van 2 november 2023), aangezien een bedrijfsarts geen behandelend arts is. De heer [D] merkt terecht op dat ten aanzien van de gegevens die voortvloeien uit verplichte spreekuurcontacten u geen recht op verwijdering van die gegevens heeft. De betrokken arts kan dan ook niet verplicht worden gehouden om de gegevens te verwijderen, ook niet als de betrokken werknemer daarom verzoekt; er zijn wettelijke bepalingen die dit verhinderen. Daarnaast heeft het UWV te maken met de Archiefwet 1995 waarin bepaald is gedurende welke termijn zij dossiers moet bewaren. Aan cliënten komt geen recht van tussentijdse vernietiging van stukken toe, want dat is in strijd met de wettelijke bewaarplicht die het UWV heeft (zie Richtlijn UWV Beheer gegevens). Het door u aangehaalde art. 3:51 BW is niet van toepassing. Het gaat hier om uw verzoek tot de vernietiging van een advies, niet om de vernietiging van een rechtshandeling. Met betrekking tot de gehanteerde diagnosecode stuurde ik u reeds de toelichting toe. Een bedrijfsarts stelt zelf geen diagnose, want hij is geen behandelend arts; hij noteert een diagnosecode op basis van de informatie die hem ter beschikking staat, om de oorzaak of de reden voor de uitval van de werknemer aan te geven. Het medisch resumé is in 2007 opgesteld en ik heb onderzocht welke codes toen golden en welke betekenis deze hadden. Hieruit blijkt dat de code P652 werd genoteerd om een depressieve episode aan te geven. De DSM-IV code, die u koppelt aan P652 staat in geen van de door mij geraadpleegde bronnen. De CAS-code geldt pas vanaf 2022 zoals u terecht opmerkt. Uit uw eigen berichten maak ik op dat u in 2007 last had van depressieve klachten. Dat die diagnosecode niet juist was, kan ik dus ook niet onderbouwen. Dat de heer [D] in 2007 nog niet bevoegd was als bedrijfsarts, verandert niets aan het bovenstaande. Hierover had u tot 2018 een tuchtklacht bij het Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg kunnen indienen, maar dat is niet gebeurd. De termijn daarvoor is nu verstreken. Ik begrijp dat dit voor u een belangrijk punt is in de procedure bij het UWV, maar wat u wilt is helaas niet mogelijk. Er zijn wettelijke bepalingen die dit verhinderen. Ik kom dan ook tot de conclusie dat er geen redelijke kans van slagen is om een procedure te gaan voeren tegen de heer [D] en vervolgens de verwijdering of vernietiging van het dossier, of van dit resumé, in rechte af te dwingen. Als er geen redelijke kans van slagen is, is er ook geen polisdekking op uw rechtsbijstandverzekering bij Achmea Rechtsbijstand en ik wijs u daar ook uitdrukkelijk op.  

Dat betekent dat ik u tot mijn spijt niet verder kan helpen.”

1.4    In het dossier bevindt zich heen verklaring van klaagsters psycholoog, waaruit volgt:

“Ondergetekende heeft [klaagster] in 2006 en bij heraanmelding in 2008 behandeld voor depressieve klachten (…). Zowel in 2006 als bij heraanmelding in 2008 heeft ondergetekende geen diagnose volgens de DSM IV gesteld. Op het einde van de behandeling in 2009 bleken de depressieve klachten gedaald naar minimaal maar wel nog latent aanwezig doordat het conflict op het werk nog niet was opgelost. Tijdens de behandeling is er nooit sprake geweest van een levensbedreigende situatie waarbij ondergetekende zich genoodzaakt voelde om medicatie te adviseren, doorverwijzing naar een psychiater te regelen of GGZ voor een IBS.”  

1.5    Op 3 april 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

 

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:

a)    Verweerster is niet opgekomen voor klaagsters belangen, niet via een civiele procedure en niet middels een minnelijk schrijven aan de minister;

b)    Verweerster is zonder enige diagnostische kennis van mening geweest dat de gestelde diagnoses juist zijn, zonder de verklaring van klaagsters psycholoog in ogenschouw te nemen. 

 

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden, zoals onafhankelijkheid, (financiële) integriteit, partijdigheid en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen.

4.2    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. 

Klachtonderdeel a)

4.3    Verweerster heeft aan klaagster helder uiteengezet waarom zij geen kansen zag om verwijdering van het medisch resumé te bewerkstelligen. Als advocaat heeft verweerster, mede gelet op de kernwaarde onafhankelijkheid en de afgelegde eed of belofte, de vrijheid om tot dat oordeel te komen. Dat klaagster het daar niet mee eens is of meent dat verweerster (ook) andere stappen had moeten zetten, doet er niet aan af dat verweerster onvoldoende kansen zag om haar bij te staan. Het was in dat geval aan klaagster om een andere advocaat te zoeken of om een second opinion te vragen bij haar rechtsbijstandsverzekeraar. Verweerster mocht haar werkzaamheden echter neerleggen. Dat heeft zij ook op behoorlijke wijze gedaan. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b)

4.4    De voorzitter stelt vast dat verweerster heeft opgemerkt dat klaagster in 2007 depressieve klachten had. Zij heeft niet gezegd dat klaagster als zodanig is gediagnosticeerd. Dat sluit aan met het bericht van klaagsters psycholoog, die heeft verklaard dat hij klaagster heeft behandeld voor depressieve klachten, maar nooit een DSM-diagnose heeft gesteld. Ook hierin ziet de voorzitter dus geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. V.E.J. Noelmans, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 2 december 2025