Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:263

Zaaknummer

25-493/AL/OV

Inhoudsindicatie

Raadbeslissing. Klacht tegen eigen advocaat. Verweerder heeft zijn informatieplicht geschonden en onvoldoende regie gevoerd door vanaf het aannemen van de opdracht op diverse momenten na te laten belangrijke informatie, afspraken en adviezen – voorzien van een inschatting van risico’s en kosten – schriftelijk vast te leggen. Verweerder heeft de kernwaarde deskundigheid geschonden door in zijn beroepschrift niet het wetsartikel te vermelden waarop het verzoek is gebaseerd. Klacht grotendeels gegrond. Voorwaardelijke schorsing van vier weken.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 1 december 2025

in de zaak 25-493/AL/OV

naar aanleiding van de klacht van:

 

klaagster

 

over

 

verweerder

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 10 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 24 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2442695 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 september 2025. Daarbij waren klaagster en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

 

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klaagster is verwikkeld geweest in een echtscheidingsprocedure.

2.2 In de procedure in eerste aanleg is klaagster bijgestaan door een andere advocaat. De echtscheiding was gevraagd door de ex-echtgenoot van klaagster. Namens klaagster is in eerste aanleg aangevoerd dat haar ex-echtgenoot door medische/psychische oorzaken niet (voldoende) in staat was om zijn wil omtrent de echtscheiding en de gevolgen daarvan te bepalen. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en dit verweer verworpen.

2.3 Verweerder heeft na de beschikking van de rechtbank vanaf medio juni 2021 de bijstand van klaagster van de andere advocaat overgenomen.

2.4 Verweerder heeft namens klaagster hoger beroep ingesteld. In hoger beroep is hetzelfde verweer inzake de wilsbekwaamheid van de ex-echtgenoot gevoerd. Verder is door verweerder gevraagd om een voortdurend recht van gebruik van de echtelijke woning toe te kennen.

2.4 Het gerechtshof heeft in zijn uitspraak het verweer over de wilsbekwaamheid van de ex‑echtgenoot verworpen, evenals het verzoek om een langer gebruiksrecht van de echtelijke woning. Het hof heeft hierover het volgende overwogen:

“Naar het oordeel van het hof bestaat geen juridische grondslag voor toewijzing van het verzoek van de vrouw om haar een recht van voortgezet gebruik van de woning toe te kennen tot haar overlijden. Partijen zijn weliswaar ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning, maar de wet biedt in artikel 1:165 BW slechts de mogelijkheid tot het toekennen van een recht van voortgezet gebruik voor een periode van zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Indien de vrouw een langer gebruiksrecht van de woning wenst, kan zij dat overeenkomen met de man. Voorop staat echter dat ingevolge artikel 3:178 lid 1 BW als uitgangspunt heeft te gelden dat niemand tegen zijn wil gehouden kan worden in een onverdeeldheid te blijven. Dit brengt mee dat de man de verdeling van de woning kan verzoeken en dar de vrouw in beginsel gehouden is daaraan haar medewerking te verlenen. Een verzoek om de woning onverdeeld te laten voor een periode van (maximaal) drie jaar (artikel 3:178 BW) is door de vrouw niet gedaan.”

2.6 Na de uitspraak in hoger beroep is een cassatieadvies ingewonnen bij een cassatieadvocaat. Zijn cassatieadvies was negatief, omdat het volgens hem feitelijke en voldoende gemotiveerde oordelen van het gerechtshof betroffen waartegen klaagster op wilde komen en die daarom niet met succes in cassatie kunnen worden aangevochten.

2.7 Na dit cassatieadvies is nog een cassatieadvies gevraagd aan een andere cassatieadvocaat. Deze advocaat heeft ook een negatief advies uitgebracht.

2.8 Na afloop van de procedure heeft verweerder betaling verzocht van de nog openstaande facturen. Op 15 augustus 2024 heeft klaagster van verweerder een aanmaning ontvangen voor een bedrag van € 6.875,88.

2.9 Klaagster heeft op 27 augustus 2024 een klacht tegen verweerder ingediend bij de interne klachtenfunctionaris van het kantoor waar verweerder werkzaam is.

2.10 De klachtenfunctionaris heeft in zijn brief van 9 november 2024 de klacht van klaagster voor een groot deel gegrond bevonden.

2.11 Klaagster heeft op 10 januari 2025 de klacht bij de deken ingediend.

 

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door klaagster niet adequaat bij te staan.

Verweerder heeft klaagster niet van de juiste adviezen voorzien. De twee procedures waarin verweerder klaagster heeft bijgestaan hebben geen positief resultaat opgeleverd, terwijl er hoge kosten aan verbonden waren.

Verweerder heeft onnodig aangeraden een cassatieadvies in te winnen en vervolgens - na een negatief advies – weer onnodig geadviseerd een tweede cassatieadvies in te winnen, met alle kosten van dien. Cassatieberoep werd namelijk door beide cassatieadvocaten afgeraden dan wel als niet mogelijk beschouwd.

Uit het eerste cassatieadvies blijkt dat klaagster mogelijkheden zou hebben gehad om langer in de echtelijke woning te kunnen blijven wonen, maar dat door verweerder in zijn beroepschrift ten onrechte geen beroep is gedaan op het toepasselijke wetsartikel.

Verder heeft verweerder in de zomervakantieperiode niet adequaat gehandeld waardoor beslag is gelegd op haar maandelijkse pensioenuitkering.

Ook is de laatste rechtszitting van 4 mei 2023 in het nadeel van klaagster beslist door de trage en niet adequate opvolging door verweerder en het niet verzenden van brieven, opgesteld door klaagster.

Ondanks dat een minnelijke schikking met finale kwijting was overeengekomen, wilde verweerder de volledige facturen voldaan zien. Klaagster was in augustus 2023 bij verweerder op kantoor uitgenodigd om het negatieve resultaat en de hoge kosten te bespreken. Verweerder had al eerder aangegeven dat ze na betaling van een deel van de facturen de overige facturen in een ‘laatje’ zou mogen wegleggen. Tijdens het gesprek heeft klaagster een voorstel gedaan tot betaling van € 8.881,=  tegen finale kwijting. Zij heeft dit bedrag betaald en daarna heeft zij niets meer van verweerder hierover vernomen, totdat zij op 15 augustus 2024 een aanmaning voor een bedrag van € 6.875,88 ontving. De aanmaning betrof factuurnummers die in het overzicht waren opgenomen waarvoor zij het voorstel tot finale kwijting had gedaan, met toevoeging van een factuur voor het gesprek op kantoor in augustus 2023. Gelet op hun eerdere afspraak had verweerder deze aanmaning niet mogen verzenden.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 De raad stelt vast dat de klacht betrekking heeft op het optreden van de eigen advocaat. De klacht gaat over de kwaliteit van zijn dienstverlening. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht. Het optreden van verweerder zal aan de hand van deze maatstaf worden beoordeeld.

De beoordeling van de klacht

5.2 Klaagster verwijt verweerder dat hij haar niet adequaat heeft bijgestaan. Hij heeft haar onjuiste adviezen gegeven waardoor zij de procedure heeft verloren, maar wel veel kosten heeft gemaakt.

5.3 De raad kan op basis van het dossier niet vaststellen of verweerder onjuiste adviezen heeft gegeven waardoor klaagster de procedure heeft verloren. Wel stelt de raad vast dat, zoals ook is erkend door verweerder, hij geen opdrachtbevestiging naar klaagster heeft gestuurd. Het dossier bevat ook geen ander stuk waarin hij haar heeft gewezen op de mogelijke juridische stappen, de daarbij behorende kansen en risico’s  en een inschatting van de daaraan verbonden kosten. Verweerder heeft aangevoerd dat hij klaagster mondeling uitgebreid heeft geadviseerd en geïnformeerd. Naar het oordeel van de raad had het echter op zijn weg gelegen om dit schriftelijk aan klaagster te bevestigen, temeer daar hij de zaak op zich heeft genomen na een verloren procedure in eerste aanleg. Door het ontbreken van deze schriftelijke voorlichting konden bij klaagster onjuiste verwachtingen ontstaan over de slagingskansen en financiële gevolgen van de te nemen vervolgstappen in de procedure. Verweerder heeft aangevoerd dat klaagster zelf deskundig was en dat het haar wens was om het verweer inzake de wilsbekwaamheid in hoger beroep nogmaals te voeren, maar dit ontslaat verweerder niet van zijn verantwoordelijkheid om haar van schriftelijke informatie en adviezen te voorzien, op basis waarvan zij een weloverwogen keuze had kunnen maken.

5.4 De raad heeft in het dossier evenmin een dergelijke schriftelijke advisering aangetroffen over het al dan niet aanvragen van een cassatieadvies. Verweerder heeft aangevoerd dat hij zijn adviezen wel mondeling uitgebreid heeft toegelicht, maar dit neemt niet weg dat hij deze adviezen schriftelijk – inclusief argumenten – aan klaagster had moeten bevestigen. Dit geldt nog in versterkte mate voor zijn advies om een tweede cassatieadvies in te winnen, gelet op het feit dat in het eerste cassatieadvies een cassatieberoep sterk was ontraden.

5.5 Klaagster verwijt verweerder ook dat hij haar een aanmaning heeft gestuurd, terwijl zij een minnelijke schikking over de kosten overeen waren gekomen en klaagster het overeengekomen bedrag ook al had betaald. Verweerder heeft tijdens de zitting met nadruk betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Nu het dossier hierover geen stukken bevat, kan de raad niet vaststellen of een betalingsafspraak is gemaakt. Wat hier ook verder van zij, wel staat vast dat klaagster en verweerder hebben gesproken over betaling van facturen en dat verweerder over de uitkomst van dit gesprek niets schriftelijk heeft bevestigd. Hierdoor konden misverstanden ontstaan over de vraag of overeenstemming was bereikt.  

5.6 Verder verwijt klaagster verweerder dat hij in zijn beroepschrift niet de juiste grondslag heeft vermeld voor het beroep op een voortgezet gebruik van de echtelijke woning door klaagster, waardoor het gerechtshof dit verzoek heeft afgewezen. Verweerder heeft erkend dat hij geen beroep heeft gedaan op artikel 3:178 BW, maar hij heeft hieraan toegevoegd dat vermelding van het toepasselijke wetsartikel niet noodzakelijk is voor toewijzing van het verzoek, omdat het gerechtshof zelf het juiste wetsartikel erbij had kunnen betrekken. De raad kan verweerder hierin niet volgen, nu uit de door hem overgelegde overweging in het arrest van het gerechtshof juist blijkt dat toewijzing van het verzoek niet mogelijk was, aangezien geen beroep was gedaan op artikel 3:178 BW. Naar het oordeel van de raad mag van een advocaat als professionele belangenbehartiger verwacht worden mag worden verwacht dat hij een verzoek in een processtuk van de juiste juridische grondslag voorziet.  

5.7 De raad concludeert op grond van het voorgaande dat verweerder niet aan zijn informatieplicht, als bedoeld in Gedragsregel 16, heeft voldaan. Hij heeft niet adequaat gecommuniceerd en onvoldoende regie gevoerd door vanaf het aannemen van de opdracht op diverse momenten na te laten belangrijke informatie, afspraken, adviezen - voorzien van een inschatting van risico’s en kosten - schriftelijk vast te leggen. Ook had hij het gesprek over betaling van zijn declaraties schriftelijk moeten bevestigen om misverstanden te voorkomen. Verder heeft verweerder de kernwaarde deskundigheid, als bedoeld in artikel 10a lid 1 aanhef en onder c Advocatenwet, geschonden door in zijn beroepschrift niet het wetsartikel te vermelden waarop het verzoek is gebaseerd. In al deze opzichten is de kwaliteit van de dienstverlening van verweerder niet zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. In zoverre is de klacht gegrond.

5.8 Voor zover de klacht van klaagster gaat over zijn handelen inzake een beslaglegging en over trage, niet adequate opvolging en niet verzenden van brieven, oordeelt de raad dat deze onvoldoende concreet zijn onderbouwd en de raad ook niet zijn gebleken. Dit gedeelte van de klacht zal ongegrond worden verklaard.

 

MAATREGEL

6.1 De klacht is grotendeels gegrond. Verweerder heeft klaagster niet bijgestaan zoals van een zorgvuldig handelend advocaat mag worden verwacht. Hij heeft zijn informatieplicht geschonden, onvoldoende regie gevoerd en hij heeft de kernwaarde deskundigheid geschonden. De raad acht dit ernstig laakbaar. Daarbij komt dat verweerder ter zitting geen inzicht heeft getoond in het verwijtbare van zijn handelen. Van belang is dat verweerder een tuchtrechtelijk verleden heeft. Verder merkt de raad  op dat onlangs in een zaak (bij de raad bekend onder zaaknummer 24-920) aan verweerder een voorwaardelijke schorsing van twee weken is opgelegd, waartegen verweerder hoger beroep heeft ingesteld. De raad heeft op dezelfde zittingsdag als waarop de onderhavige zaak is behandeld in weer een andere zaak verweerder een berisping opgelegd, omdat de kwaliteit van zijn dienstverlening onvoldoende was. Hoewel deze beide beslissingen nog niet onherroepelijk zijn, lijkt sprake te zijn van een recente zorgwekkende ontwikkeling in het functioneren van verweerder als advocaat. Rekening houdend met de ernst van de verwijten en de hierboven omschreven omstandigheden, is de raad van oordeel dat de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van vier weken passend en geboden is.

6.2 De raad ziet aanleiding om de inzagetermijn in het tableau, als bedoeld in artikel 8a lid 3 Advocatenwet, te verkorten tot twee jaar.

 

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

€ 25,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster, € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en € 500,- kosten van de Staat.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond voor zover aldus is overwogen in 5.8;

-    verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van een schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van vier weken op;

-    bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerder een of meer van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;

-    stelt als algemene voorwaarde dat verweerder zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 Advocatenwet bedoelde gedraging;

-    stelt de proeftijd op een periode van twee jaar, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt.     

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

-    bepaalt dat de in artikel 8a lid 3 Advocatenwet bedoelde termijn wordt verkort tot twee jaar.

 

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. S.M. Bosch-Koopmans, N.A. Heidanus, M.H. Pluymen en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 1 december 2025