Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:264

Zaaknummer

25-691/AL/GLD

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klager heeft zich eerder bij de deken over verweerder beklaagd. Door niet tijdig betalen van griffierecht heeft de deken dat dossier gesloten. Klager heeft zich in de kern opnieuw over hetzelfde beklaagd. Alhoewel strikt bezien geen sprake is van ne bis in idem, tuchtrechtelijk is er immers nog geen uitspraak gedaan over de eerste klacht van klager over verweerder, beschouwt de voorzitter deze (tweede) klacht als misbruik van klachtrecht. Kennelijk niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 1 december 2025 in de zaak 25-691/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 9 oktober 2025 met kenmerk K 25/87.

 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager was eigenaar van één van zes gesplitste appartementsrechten. Daardoor was hij zowel lid van de Vereniging van Eigenaren (VvE) als van rechtswege lid van de hoofd VvE. Op 24 mei 2005 is de splitsingsakte gewijzigd en zijn er twee sub-verenigingen opgericht. In de jaren daarna zijn er meerdere geschillen geweest binnen de VvE. Daarbij was klager betrokken, onder meer omdat klager, kortgezegd, de splitsing in de appartementsrechten en het bestaan van de (hoofd)VvE en sub-verenigingen betwistte. Op 20 september 2022 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in een geschil tussen de twee sub-verenigingen, waarbij ook klager was betrokken. De wederpartij van klager werd in die zaak bijgestaan door verweerder. 

1.2    Op 30 januari 2023 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend, bij de deken geregistreerd onder kenmerk K 23/16. Klager beklaagde zich daarin erover dat verweerder zou hebben meegewerkt aan de vervalsing van het arrest van 20 september 2022. 

1.3    Op 10 mei 2023 heeft de deken klager in de gelegenheid gesteld om binnen de gegeven termijn het griffierecht te voldoen. Dat heeft klager niet tijdig gedaan, waarna de deken klager en verweerder op 15 juni 2023 heeft bericht dat het klachtdossier (K 23/16) wegens niet-betaling van het griffierecht werd gesloten en gearchiveerd. De deken heeft klager meermaals schriftelijk gewaarschuwd dat hij niet opnieuw in de gelegenheid zal worden gesteld om het griffierecht te voldoen en het gearchiveerde dossier ook niet naar de raad zal worden gestuurd voor een inhoudelijke beoordeling. 

1.4    Op 29 mei 2025 heeft klager opnieuw bij de deken een klacht over verweerder ingediend. 

 

2    KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door: mee te werken aan de vervalsing van het arrest van 20 september 2022.

 

3    VERWEER

De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4    BEOORDELING

4.1    In het tuchtrecht geldt het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”, dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat, over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel op moet kunnen vertrouwen dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.

4.2    Uit de stukken is de voorzitter gebleken dat klager zich op 30 januari 2023 bij de deken heeft beklaagd over verweerder. Omdat klager het verschuldigde griffierecht niet tijdig aan de deken heeft betaald, is het klachtdossier met kenmerk K 23/16 door de deken gesloten. 

4.3    Klager heeft zich op 29 mei 2025 opnieuw bij de deken over verweerder beklaagd. Het verwijt in deze klacht ziet in de kern op hetzelfde verwijt als waarover klager ook op 30 januari 2023 al bij de deken heeft geklaagd. Klager heeft toen de mogelijkheid gehad om die klacht, na betaling van het griffierecht, door de deken te laten doorsturen aan de raad voor beoordeling.  Van die mogelijkheid heeft klager toen geen gebruik gemaakt. 

4.4    Alhoewel strikt bezien geen sprake is van ne bis in idem, tuchtrechtelijk is er immers nog geen uitspraak gedaan over de eerste klacht van klager over verweerder, beschouwt de voorzitter deze (tweede) klacht als misbruik van klachtrecht. Klager heeft zijn eerdere klacht laten rusten door niet tijdig het verschuldigde griffierecht te betalen. Daardoor is bij verweerder het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat die klachtzaak was afgedaan. Door nu opnieuw en bovendien ruim twee jaar later over hetzelfde te klagen, maakt klager misbruik van zijn mogelijkheid om te klagen. De voorzitter zal klager daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaren in de klacht. 

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.

Aldus beslist door mr. M. Jansen, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.

 

Griffier         Voorzitter  

 

Verzonden op : 1 december 2025