Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:245
Zaaknummer
240240
Inhoudsindicatie
Klacht tegen advocaat van de wederpartij in een familiezaak over de wijze waarop verweerster heeft geprocedeerd en de wijze waarop zij zich in verschillende procedures over hem heeft uitgelaten. De raad heeft de klacht grotendeels gegrond verklaard en verweerster een voorwaardelijke schorsing opgelegd. Het hof vernietigt de beslissing van de raad voor zover het betreft de wijze waarop verweerster heeft geprocedeerd en met betrekking tot de opgelegde maatregel. Het hof is echter met de raad van oordeel dat verweerster zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten in verschillende processtukken en bekrachtigt de beslissing van de raad in zoverre. Het hof legt verweerster de maatregel berisping op.
Uitspraak
Beslissing van 28 november 2025 in de zaak 240240
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerster
gemachtigden: mrs. S.A.A. Hendrickx en B.D.W. Martens
tegen:
klager
1 INLEIDING
1.1 Deze klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een familiezaak betreft verwijten van klager over de wijze waarop verweerster heeft geprocedeerd en de wijze waarop zij zich in verschillende procedures over hem heeft uitgelaten. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klacht grotendeels gegrond verklaard en verweerster een voorwaardelijke schorsing opgelegd. Verweerster is in hoger beroep gekomen van de gegrond verklaarde klachtonderdelen. Het hof vernietigt de beslissing van de raad voor zover het betreft de wijze waarop verweerster heeft geprocedeerd en met betrekking tot de opgelegde maatregel. Het hof is echter met de raad van oordeel dat verweerster zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten in verschillende processtukken en bekrachtigt de beslissing van de raad in zoverre. Het hof legt verweerster de maatregel berisping op.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 23-564/A/A) een beslissing gegeven op 29 juli 2024. In deze beslissing zijn de klachtonderdelen a), c), d), e) en f) gegrond verklaard en is klachtonderdeel b) ongegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes weken opgelegd met een proeftijd van twee jaar. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2024:133 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline 2.3 Het beroepschrift van verweerster tegen de beslissing is op 27 augustus 2024 ontvangen door de griffie van het hof. Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad. 2.4 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 3 oktober 2025. Daar is verweerster met haar gemachtigden verschenen. Klager was met bericht afwezig. De gemachtigde van verweerster heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Voor zover in hoger beroep nog van belang, gaat het hof uit van de volgende feiten.
3.2 Klager en zijn ex-echtgenote (hierna: de ex-echtgenote) hebben een minderjarige zoon, geboren in 2009 (hierna: de zoon). De zoon had zijn hoofdverblijf bij de ex-echtgenote. Klager en de ex-echtgenote hadden gezamenlijk gezag over de zoon. Vanaf 2010 hebben klager en de ex-echtgenote vele procedures gevoerd over het gezag, de hoofdverblijfplaats van de zoon, de zorgregeling en de omgangsregeling tussen klager en zijn zoon.
3.3 Bij beschikking van 10 juni 2020 heeft de rechtbank Noord-Holland bepaald dat het hoofdverblijf van de zoon met ingang van 27 juni 2020 bij klager zou zijn, dat klager alleen met het gezag werd belasten dat er vanaf 11 september 2020 een omgangsregeling tussen de zoon en de ex-echtgenote zou gelden. De rapportage van de door de rechtbank benoemde bijzonder curator (BC) is voor de beslissing van de rechtbank van doorslaggevende betekenis geweest. Op 4 augustus 2020 is de ex-echtgenote in kort geding veroordeeld tot nakoming van de beschikking van 10 juni 2020.
3.4 Op 10 november 2020 heeft het gerechtshof Amsterdam (hierna: het gerechtshof) bij tussenbeschikking de beschikking van 10 juni 2020 grotendeels bekrachtigd, een voorlopige omgangsregeling tussen de zoon en de ex-echtgenote vastgesteld en een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming gelast in verband met de omgang tussen de zoon en de ex-echtgenote.
3.5 Verweerster treedt sinds mei 2021 op als advocaat voor de ex-echtgenote. Zij heeft op 9 mei 2021 bij akte in de nog lopende procedure in hoger beroep onder meer verzocht om herroeping van de tussenbeschikking van het gerechtshof van 10 november 2020. Ter zitting van 19 mei 2021 heeft het gerechtshof het verzoek tot herroeping buiten beschouwing gelaten, omdat het verzoek vanwege de aard en de omvang te laat was ingediend en klager daardoor in zijn verdedigingsbelang was geschaad. Bij eindbeschikking van 22 juni 2021 heeft het gerechtshof een omgangsregeling tussen de zoon en de ex-echtgenote vastgesteld.
3.6 Verweerster is op 22 februari 2022 namens de ex-echtgenote bij de rechtbank Limburg een bodemprocedure gestart waarin zij wijziging verzocht van het gezag en de omgangsregeling, aanstelling van bijzonder curatoren en een geregistreerd psycholoog voor de zoon, het horen van de zoon en veroordeling van klager in de werkelijke proceskosten van de ex-echtgenote. In het verzoekschrift heeft verweerster over klager het volgende opgenomen: - alinea 35: ‘De eerste in een stroom van procedures die vader tegen moeder aanspant’ - alinea 39: ‘Van meet af aan heeft vader lak aan de waarheidsplicht ex art. 21 Rv, fabriceert hij een web van leugens en manipuleert hij erop los (…)’ - alinea 40: ‘(…) de uiterst manipulatieve aard van vaders optreden (…)’ en ‘terwijl de vader bij de rechter beweringen doet en een clichématige voorstelling van zaken geeft’ en ‘niets met de feiten van doen heeft’ - alinea 116: ‘[de vader] heeft onverholen gepoogd de band met moeder, grootouders, met de hele omgeving waar (…) gelukkig was, 11 jaar lang, kapot te maken in de periode van 7 augustus 2020 tot op heden. Uit een recente whatsapp van [de vader] aan [de moeder] blijkt zijn verregaande dominerende dwingende controle en zijn waanideeën over zichzelf’ - alinea 123: ‘Uit het feitenverloop sinds 10 juni 2020 dan wel 7 augustus 2020 blijkt dat vader zijn kind maltraiteert, niet eerbiedigt als het rechtssubject dat het is, maar ziet als een (rechts)object’
3.7 Eveneens heeft verweerster op 22 februari 2022 een verzoekschrift ingediend tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Bij beide verzoeken was aan een inleidend stuk gevoegd (“Kern van de verzoekschriften sub I en II”), waarin verweerster onder meer verzoekt om een omgangsregeling vast te stellen: ‘die uitgaat van het belang en de wensen van het kind (…) welke regeling vastgesteld wordt rekening houdende met de feiten van het afgelopen anderhalf jaar, voorop de verwaarlozing en mishandeling (van de belangen) van [de zoon] en de gedwongen kinderarbeid en afhouden van onderwijs waar vader verantwoordelijk voor is geweest sinds augustus 2020 en de geraden gevolgtrekking verbindende aan het door vader gepleegde bedrog gedurende die periode en daaraan voorafgaand.’ In het verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen heeft verweerster over klager verder onder meer het volgende opgenomen: - alinea 13: ‘Kort gezegd, liet (…) al die documentatie en feiten buiten beschouwing en stelde dat de reden dat (…) minder omgang wilde met zijn vader niets te maken had met het gedrag (verwaarlozing, mishandeling, dwingende controle) door de laatste…(…)’ - alinea 15: ‘waarbij vader (…) er niets aan gelegen laat om zijn macht te laten gevoelen, het kind dwingt zware lichamelijke arbeid te verrichten…’ - alinea 24: ‘De manier waarop zijn vader met hem omgaat, strijdt niet alleen met het kinderrechtenverdrag en het Europees Verdrag van de rechten van de Mens, maar overschrijdt iedere grens van moraal, recht en fatsoen en de maatschappelijke betamelijkheid.’
3.8 Op 25 februari 2022 heeft de navolgende e-mail-wisseling plaatsgevonden over het omgangsweekend van de ex-echtgenote met de zoon: - 10.38 uur: e-mail van klager aan ex-echtgenote dat het omgangsweekend niet kon doorgaan vanwege een last minute verrassingsweekend; - 10.44 uur: iMessage van klager aan ex-echtgenote met verwijzing naar de e-mail; - 11.24 uur: reactie ex-echtgenote met voorstel om de omgang met de zoon dan in de daaropvolgende (vakantie)week met de zoon in te halen; - 12.44 uur: verzoek ex-echtgenote om een reactie van klager; - 14.54 uur: e-mail van verweerster aan mr. D, de advocaat van klager, waarin zij onder meer schrijft:‘Dit weekeinde is het tweewekelijkse omgangsweekeinde van [de zoon] bij zijn moeder. Uw cliënt deelt vanochtend simpelweg mee dat hij besloten heeft dat dit omgangsweekeinde “in verband met een verassing” niet door kan gaan. Uw cliënt mag niet éénzijdig en naar believen het omgangsweekeinde afblazen. Maar omdat het een leuke verrassing lijkt te zijn voor [de zoon] met het gezin van uw cliënt, heeft cliënte hem tegemoet willen komen (…) Uw cliënt heeft echter helemaal niet gereageerd ondanks diverse verzoeken daartoe en heeft niet laten weten voor welke van de twee opties hij kiest. (…)’ - 15.22 uur: e-mail van klager aan zijn advocaat mr. D. met een tekst die gericht is aan de ex-echtgenote. - 17.41 uur: e-mail van mr. D aan verweerster met de navolgende inhoud:‘Ik had geen gelegenheid tot reactie eerder dan nu. Goed om te lezen dat uw cliënte ermee instemt dat [de zoon] dit weekend niet naar zijn moeder gaat i.v.m. een kennelijke verrassing. Ik heb begrepen dat cliënt uw cliënte vanmiddag per e-mail informeerde nog geen afspraken te kunnen maken omdat niet duidelijk is hoe een en ander verloopt met betrekking tot die verrassing. Verder heb ik ook begrepen dat een andere advocaat procedureel voor hem zal optreden en zich zal stellen in de door moeder aanhangig gemaakte procedure bij de rechtbank Maastricht. Ik ga er van uit dat zijn nieuwe advocaat zo nodig contact met u zal leggen.’ - 18.24 uur: e-mail van verweerster aan mr. D:U bent (weer) onvolledig en/of onjuist geïnformeerd door uw cliënt waar hij u kennelijk heeft laten weten dat hij cliënte “vanmiddag per e-mail informeerde nog geen afspraken te kunnen maken omdat niet duidelijk is hoe een en ander verloopt met betrekking tot die verrassing.” Uw cliënt heeft geen sjoege gegeven. Laat staan een email met informatie gestuurd. (…) U bent verder bekend dat uw cliënt [de zoon] zelfs heeft verboden met zijn moeder te bellen, spreken, appen en ook broertje [naam] geblokkeerd heeft? Heeft u uw cliënt hierover ook geadviseerd over de conformiteit met art. 1:377a BW en art. 8 EVRM? En dat hij het arme kind geboden heeft de profielfoto waar hij met zijn moeder op staat te verwijderen van zijn whatsapp-profiel? (…) Cliënte had begrepen dat u uw cliënt uitgebreid heeft bijgestaan toen de crisisdienst van Veilig Thuis op 11 januari Mike met spoed uit huis wilde plaatsen omdat er - terecht - ernstige zorgen waren omtrent het opvoedklimaat bij uw cliënt. Of was dat ook reeds uw opvolger? Kunt u dan per omgaande laten weten wie dat is? Moet ik voorts hieruit begrijpen dat u in alles daaromtrent uw cliënt ook niet langer bijstaat? Ik verneem graag per omgaande nu dit gevolgen heeft voor het doorsturen/betekenen van eventuele verdere processtukken.’
3.9 Op 28 februari 2022 heeft verweerster (met afschrift aan mr. D) de kinderrechter bij de rechtbank Limburg aangeschreven met het verzoek haar te berichten of behandeling van de gevraagde voorlopige voorzieningen nog diezelfde week kon plaatsvinden, of dat zij een datum voor een kort geding bij de gewone voorzieningenrechter moest vragen voor de omgang en een deel van de vorderingen.
3.10 Op 2 maart 2022 heeft verweerster bij de rechtbank Limburg een datum gevraagd voor het voeren van een kort geding. Zij heeft klager namens de ex-echtgenote diezelfde dag gedagvaard om op 10 maart 2022 in kort geding te verschijnen. De voorzieningenrechter werd gevraagd om een tijdelijke maatregel te treffen in afwachting van een beslissing op de gevraagde voorlopige voorzieningen van 22 februari 2022. In de kort geding dagvaarding heeft verweerster onder meer het volgende opgenomen: - in alinea 16: ‘(…) Een leefsituatie van intieme terreur van de hand van zijn vader die bestaat uit een dagelijks patroon van controleren, isoleren, kleineren, uitschelden, direct of indirect en subtiel bedreigen, psychisch verwarren, intimideren, pesten, saboteren en manipuleren’ - in alinea 18: ‘(…) gedrag van vader. Dat gedrag is dat van een dwingende, agressieve en manipulerende persoonlijkheid, met een kort lontje (…) blijkens (ook recente) strafrechtelijke veroordelingen die vader zijn opgelegd, onder meer voor mishandeling, oplichting en stalking.’ - in alinea 37: ‘Toen vader niet reageerde…(…)’ - in alinea 38: ‘Vader (…) zweeg echter in alle toonaarden.’ - in alinea 41: ‘Vader had moeder echter helemaal niets laten weten nadat hij het omgangsweekeinde had getorpedeerd per whatsapp – niet per whatsapp, niet per e-mail, niet anderszins.’ - in alinea 43: ‘Het is duidelijk dat vader steeds verder ontspoort, lak heeft aan de wet en rechterlijke uitspraken.’ - in alinea 45: ‘(…) nu is gebleken dat naast de onoirbare scheldpartijen en andere mishandeling, vader het kind dwingt tot zeer zware (en schadelijke) fysieke arbeid, waar het kind pijn van heeft.’ - in alinea 46: ‘(…) een bullebak van een vader …’
3.11 Op 2 maart 2022 om 16.07 uur heeft verweerster van het kantoor van mr. Van B. een e-mail ontvangen met daarbij gevoegd een F2-formulier en een bericht van mr. Van B. aan de rechtbank Limburg, waaruit blijkt dat mr. Van B. de opvolgend advocaat van klager was.
3.12 Diezelfde dag om 16.47 uur heeft verweerster mr. Van B. onder meer het volgende bericht:‘Voorts begrijp ik uit uw brief dat u vanaf heden vader bijstaat in zijn procedures in Maastricht? In dat kader de mededeling dat uw cliënt heden gedagvaard is in kort geding om te verschijnen voor de voorzieningenrechter te Maastricht op donderdag 10 maart a.s. te 9.00 uur. Zodra ik de betekende versie digitaal krijg, zal ik u die doorsturen - en anders stuur ik u over een tweetal uur de dagvaarding zoals hij met de deurwaarder mee is gegaan.’
3.13 Mr. Van B. heeft de voorzieningenrechter op 2 maart 2022 bericht als volgt:Heden ontving cliënt een betekende dagvaarding voor een kort geding bepaald op 10 maart 2022 te 09.00 uur. Aan cliënt en ondergetekende zijn geen verhinderdata opgevraagd en sinds gisteren was in het roljournaal reeds bekend dat ondergetekende de advocaat van de man is. Van het F2 formulier in de bodemprocedure is de advocaat van de vrouw een afschrift gestuurd. Zij had dus de verhinderdata alsnog kunnen opvragen. Op de bepaalde dag ben ik verhinderd en ik verzoek u vriendelijk dan ook een nieuwe zittingsdatum te bepalen rekening houdend met onderstaande verhinderdata: (…)’
3.14 Op 3 maart 2022 heeft verweerster bezwaar gemaakt tegen uitstel van het kort geding. Zij heeft de voorzieningenrechter onder meer bericht:‘Op het moment dat ik het kort geding aanspande, was advocaat dus niet bekend. Om verhinderdata kon niet gevraagd worden. Vader [naam] zelf weigerde iedere (behoorlijke) communicatie met moeder, dus daar kon ook niet om verhinderdata gevraagd worden. Onderwijl plaatste hij zich wel op de stoel van de rechter want verbood ieder contact en omgang met moeder en doet dat nog steeds, dáár gaat het nu net om in dit geding. De nieuwe advocaat van vader heeft zich verder ook niet bij mij bekend gemaakt; het indienen van een formulier bij een andere sectie (familierecht) is bepaald niet hetzelfde – uit de aard der zaak was ik over een datum voor het kort geding met de griffie van de handelskamer in gesprek.’
3.15 De voorzieningenrechter heeft verweerster en mr. B op 3 maart 2022 laten weten dat het uitstelverzoek van mr. Van B. werd gehonoreerd. Daarbij werd aangegeven dat verweerster op 1 maart 2022 per e-mail door het kantoor van mr. Van B. was geïnformeerd over het feit dat mr. Van B. de nieuwe advocaat van klager is en dat verweerster naar aanleiding van dat bericht de verhinderdata van mr. Van B. had moeten opvragen.
3.16 Verweerster heeft de rechtbank in reactie op deze beslissing onder meer bericht:‘Ik hecht er nog wel aan te vermelden n.a.v. uw e-mail van eerder vandaag met daarin het besluit van [de voorzieningenrechter] de zitting de verdagen tot 16 maart, dat bij mr. [naam] ten onrechte de indruk is gewekt dat ik 1 maart om 9.08 uur reeds verwittigd zou zijn door het kantoor van mr. Van B. dat zij zich als nieuwe advocaat gesteld zou hebben voor gedaagde in dit kort geding en ik derhalve ten onrechte verzuimd zou hebben verhinderdata op te vragen. Dit is een misverstand geweest aan mijn kant en had te maken met de wijze waarop de voorganger van mr. Van B., mr. D., (…) mij vrijdagavond 25 februari berichtte dat zij ten aanzien van de verzoekschriften die ik daags daarvoor nog naar haar als advocaat van gedaagde had gestuurd, vervangen zou worden en ik had dan ook een vraag uitstaan over verdere betrokkenheid. Dat gezegd hebbende, besef ik dat ik beter even had kunnen bellen na ontvangst van het kantoor van een formulier.(…)’
3.17 Op 4 maart 2022, op 9 maart 2022 vervangen door een aanvulling daarop, heeft klager de onderhavige klacht bij de deken ingediend.
3.18 Op 16 maart 2022 heeft behandeling van het kort geding plaatsgevonden. Op 21 maart 2022 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen in kort geding over en weer van beide partijen afgewezen en onder meer overwogen:‘Ten slotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen der partijen in de proceskosten (van de ander) moet worden veroordeeld. De vrouw heeft, vanuit haar gemis van [de zoon], gemeend een kortgedingprocedure te moeten starten naast een bodemprocedure en daarin verzochte voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv, waarbij - zoals de vrouw ter zitting heeft aangegeven - de kernvordering het nakomen van de omgangsregeling betreft. De voorzieningenrechter heeft dat, met het oog op het vereiste spoedeisend belang, evenwel anders beoordeeld. Dat maakt niet dat zonder meer sprake is van misbruik van (proces)recht of nodeloos procederen. Daar komt bij dat ook de eis in reconventie van de man wordt afgewezen. Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen grond om af te wijken van de gebruikelijke beslissing over de proceskosten bij ex-echtelieden, namelijk een compensatie van die proceskosten.’
3.19 Op 18 maart 2022 is namens klager een verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken ingediend. Klager verzocht ontzegging van de omgang van de ex-echtgenote met de zoon en een proceskostenveroordeling.
3.20 Op 5 april 2022 heeft de rechtbank Limburg ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorzieningen bepaald dat de omgangsregeling tussen de zoon en de ex-echtgenote voorlopig werd gewijzigd. De overige verzoeken van de ex-echtgenote zijn afgewezen, deels omdat de rechtbank van oordeel was dat daarbij de beslissing in de bodemprocedure kon worden afgewacht en deels omdat in de bodemprocedure niet iets vergelijkbaars was verzocht (ontbreken connexiteit). Verweerster heeft namens de ex-echtgenote hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking, waarop het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de beschikking op 18 augustus 2022 heeft bekrachtigd.
3.21 Bij beschikking van 18 januari 2023 heeft de rechtbank Limburg de verzoeken van de ex-echtgenote in de bodemprocedure afgewezen. In de beschikking heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:‘2.8 Het meest verstrekkende verweer van de vader is zijn beroep op het gezag van gewijsde van de beslissingen over het gezag (…) welke kracht van gewijsde hebben gekregen omdat tegen deze beschikkingen geen cassatieberoep is ingesteld. Tevens is in dat verweer vervat dat de moeder misbruik van procesrecht maakt omdat zij met vele stukken en stellingen het in twee feitelijke instanties gevoerde proces wil proberen over te doen. 2.9.Voorop gesteld wordt dat het gezag van gewijsde van de twee eerdere beslissingen over het gezag van de moeder wordt begrensd door het bepaalde in artikel 1:253o BW. Immers de in die beschikkingen 1 en 2 genomen beslissing over het gezag kan worden gewijzigd op grond dat (a.) nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of (b.) bij het nemen van die beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. (…) 2.11 Is bij het nemen van de beschikkingen 1 en 2 van onjuiste of onvolledige gegevens uitgegaan of tracht de moeder alsnog in een soort 3e feitelijke instantie haar gelijk te halen en komt zij daarmee niet in strijd met de basisregel van het procesrecht dat haar recht geeft op behandeling van haar zaak in twee feitelijke instanties? Of anders gezegd: is hierbij sprake van misbruik van procesrecht? 2.12 De rechtbank oordeelt dat hetgeen de moeder in dit verband heeft aangevoerd misbruik van procesrecht oplevert en motiveert dit oordeel als volgt.(…) 2.12.2. Met haar uitvoerige betoog tracht de moeder in feite en welbeschouwd het proces, zoals dat bij de rechtbank Noord-Holland en het gerechtshof Amsterdam is gevoerd, in zijn geheel over te doen voor de (huidige) rechtbank. De moeder handelt daarmee in strijd met de rechtsregel dat een zaak in twee feitelijke instanties wordt onderzocht en beslist en niet nog een derde keer in een feitelijke instantie in al zijn merites van voren af aan mag en kan worden onderzocht. De moeder treedt met haar betoog en haar verzoek in zoverre buiten het procesrechtelijke speelveld dat artikel 1:253o BW voor haar opent tegen de door haar centraal gestelde beschikkingen over het gezag over [de zoon]. De moeder heeft in beide feitelijke instanties alle gelegenheid gehad om verweer te voeren, met name ook tegen het onderzoek en advies van de BC [hof: bijzonder curator] en om al datgene naar voren te brengen wat zij thans uitvoerig naar voren heeft gebracht. (…) 2.12.3. Waar de moeder stelt dat de valsheid en verregaande ondeugdelijkheid van het rapport van de BC pas in de loop van 2021 ondubbelzinnig zou zijn bevestigd, heeft zij dat (in de veelheid van stellingen, stukken en haar vele pagina's tellende betoog) niet op een voor de rechtbank inzichtelijke wijze onderbouwd en gemotiveerd naar voren gebracht, zodat aan deze stelling voorbij wordt gegaan. Daarbij komt dat (…) aangenomen kan worden dat zij deze argumenten en stellingen al veel eerder kende en dus de mogelijkheid heeft gehad om de juistheid van dat rapport eerder te betwisten. 2.13 Een en ander betekent dat wel nog moet worden onderzocht of de bedoelde beslissingen over het gezag (beschikkingen 1 en 2) moeten worden gewijzigd vanwege een relevante wijziging van omstandigheden na de beschikking van 10 juni 2020 zoals deze door de moeder uitgebreid naar voren is gebracht. (…) 2.25 De slotsom luidt dat er geen sprake is van wijziging van omstandigheden zodat het verzoek van de moeder tot wijziging van het eenhoofdig gezag van de vader en daarbij te bepalen dat het hoofdverblijf van [de zoon] bij de moeder zal zijn, wordt afgewezen. 2.40 (…) Dat de moeder ná het feitelijk opschorten van de omgang met [de zoon] door de vader een procedure is gestart, kan haar niet worden verweten, omdat er voor haar geen zicht was op de situatie van [de zoon] en ook niet op het spoedige herstel van het contact met [de zoon]. Dat de moeder daarbij heeft verzocht om de beslissing over het gezag te wijzigen en het hoofdverblijf van [de zoon] bij haar te bepalen, is haar goed recht. Dat de moeder heeft geprobeerd om de eerdere procedures nog eens over te doen bij deze rechtbank levert weliswaar misbruik van procesrecht op, maar is onvoldoende om, gezien alle verzoeken van de moeder, om tot een proceskostenveroordeling te komen. De moeder heeft kunnen en mogen aanvoeren dat de sedert juni of augustus 2020 voor [de zoon] bij zijn vader ontstane situatie hem benadeelt en afbreuk doet aan de juistheid van de beslissingen tot wijziging van het hoofdverblijf en het eenhoofdig gezag van de vader. Door de vader is niet duidelijk gesteld en evenmin is gebleken dat de moeder zich in deze procedure heeft schuldig gemaakt aan schending van artikel 21 Rv; wel is gebleken dat de moeder haar stellingen niet voldoende heeft kunnen onderbouwen of aannemelijk heeft kunnen maken. Daarmee is vastgesteld dat de moeder deze procedure niet nodeloos is gestart. Een en ander leidt tot de slotsom dat de proceskosten op de gebruikelijke wijze tussen deze ouders moeten worden gecompenseerd.’
3.26 Bij tussenbeslissing van 2 november 2023 heeft het gerechtshof Den Bosch een bijzonder curator benoemd om de belangen van de zoon te behartigen en de curator verzocht om een onderzoek te doen en aan het gerechtshof te rapporteren. Uit de beslissing van 18 juli 2024 van het gerechtshof Den Bosch blijkt dat de zoon sinds 10 november 2023 met instemming van klager bij de ex-echtgenote woont en een omgangsregeling met klager heeft. Het gerechtshof heeft in die laatste beslissing bepaald dat de zoon zijn hoofdverblijf bij de ex-echtgenote heeft en dat beide ouders het gezag over hem uitoefenen. Ook heeft het gerechtshof de omgangsregeling vastgelegd, zoals deze tussen klager en de ex-echtgenote inmiddels was overeengekomen.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende: a) verweerster heeft ten onrechte geen verhinderdata bij de advocaat van klager opgevraagd voor de inhoudelijke behandeling van het kort geding dat zij op 2 maart 2022 namens haar cliënte is gestart; b) (…) c) verweerster heeft kansloze vorderingen ingesteld, waaronder de vordering in het kort geding van 2 maart 2022 om het eenhoofdig gezag over de zoon voorlopig aan de ex-echtgenote op te dragen; d) verweerster heeft in de kort geding dagvaarding van 2 maart 2022 gesteld dat klager geen antwoord zou hebben gegeven op vragen van de ex-echtgenote tijdens het omgangsweekend van 25 tot en met 27 februari 2022, terwijl zij weet dat dit onjuist is op basis van e-mailverkeer waarover zij beschikt; e) verweerster heeft zich ten opzichte van klager herhaaldelijk onnodig grievend uitgelaten in de kort geding dagvaarding van 2 maart 2022 door onder meer de in de feiten geciteerde uitlatingen te doen; f) verweerster heeft zich ten opzichte van klager onnodig grievend uitgelaten in het verzoekschriften van 22 februari 2022 door onder meer de in de feiten geciteerde uitlatingen te doen.
5 OMVANG HOGER BEROEP 5.1 Verweerster is in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de raad op de gegrond verklaarde klachtonderdelen. Klager heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel b) (dat zag op het vorderen van een vergoeding van de proceskosten, terwijl voor de cliënte van verweerster een toevoeging was aangevraagd), zodat dit klachtonderdeel in hoger beroep niet meer aan de orde is.
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft overwogen dat de klachtonderdelen a), c), d), e) en f) gezamenlijk kunnen worden behandeld, omdat zij in de kern gaan over de (proces)houding van verweerster als familierechtadvocaat in een geschil tussen twee partijen over de hoofdverblijfplaats, het gezag en de omgangsregeling ten aanzien van hun zoon.
6.2 De raad heeft inhoudelijk overwogen dat verweerster, hoewel zij als advocaat van de wederpartij van klager veel vrijheid heeft om de belangen van haar cliënte te behartigen, de grenzen van die vrijheid in deze zaak fors heeft overschreden. Zij heeft door haar (proces)houding bijgedragen aan een verdere escalatie van de verhoudingen tussen partijen, terwijl van haar juist een de-escalerende aanpak mocht worden verwacht en extra terughoudendheid, omdat de verhoudingen tussen partijen al niet optimaal waren toen verweerster haar cliënte in mei 2021 ging bijstaan. In plaats daarvan heeft verweerster zich in de verzoekschriften van 22 februari 2022 en in de kort geding dagvaarding van 2 maart 2022 zowel in de formulering als in de toonzetting op onbetamelijke en onnodig grievende wijze over klager uitgelaten, waarbij zij volledig vanuit zichzelf stellingen heeft ingenomen en beschuldigingen aan het adres van klager heeft geuit over verwaarlozing, mishandeling en dwingende controle van de zoon. De door verweerster gekozen bewoordingen in haar processtukken wijzen erop dat verweerster niet in staat lijkt om haar cliënte op professionele wijze bij te staan. Daarmee heeft verweerster nog meer olie op het vuur gegooid. Verweerster heeft desgevraagd aan de raad verklaard dat zij in de stukken niet de woorden van haar cliënte heeft gebruikt maar haar eigen woorden, die gebaseerd zijn op WhatsAppberichten van klager, wetenschappelijke documentatie en haar ervaringen als lid van internationale comités die zich inzetten voor de rechten van kinderen. Deze onbetamelijke houding van verweerster ziet de raad ook terug in de wijze waarop verweerster namens haar cliënte procedeert, waaronder het aanvragen van een kort geding zonder de verhinderdata van de advocaat van klager op te vragen, het starten van procedures en de wijze waarop zij haar processtukken opstelt en daarin standpunten inneemt die niet worden ondersteund door de beschikbare informatie, waaronder de e-mailwisseling van 25 februari 2022.
6.3 Met betrekking tot de maatregel heeft de raad overwogen dat verweerster zich niet professioneel en met onvoldoende distantie tot haar cliënte en het geschil heeft opgesteld, waardoor de verhoudingen tussen partijen (verder) zijn geëscaleerd. Deze onprofessionele en daarmee onbetamelijke houding komt niet alleen tot uitdrukking in de verregaande en onnodig grievende uitlatingen aan het adres van klager in haar processtukken, maar ook in de wijze waarop verweerster procedeert en zich verhoudt tot klager en diens advocaat. Verweerster heeft juist door haar proceshouding onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de minderjarige zoon en de verhoudingen tussen partijen verder laten escaleren. Verweerster heeft daarmee gehandeld in strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid. Het baart de raad zorgen dat verweerster het kwalijke van haar handelen niet lijkt in te zien en blijkens haar antwoorden op vragen van de raad op geen enkele wijze reflecteert op haar functioneren als advocaat. Evenmin lijkt verweerster in te zien hoe haar positie als partijdig advocaat zich verhoudt tot (vooral) de belangen van de betrokken minderjarige in de procedures die tussen haar cliënte en klager worden gevoerd. Mede omdat aan verweerster niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd, volstaat de raad met de oplegging aan verweerster van een voorwaardelijke schorsing van zes weken.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerster 7.1 Verweerster heeft de navolgende beroepsgronden aangevoerd tegen de beslissing van de raad: 1. Ten onrechte heeft de raad overwogen dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerster neemt in deze beroepsgrond principieel stelling tegen deze overweging. 2. Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat verweerster de grenzen van de vrijheid die haar als partijdig advocaat toekomt, in deze familierechtkwestie fors heeft overschreden en dat zij door haar (proces)houding heeft bijgedragen aan een verdere escalatie van de verhoudingen tussen partijen, terwijl van haar juist een de-escalerende aanpak mocht worden verwacht. 3. Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat verweerster de kernwaarde onafhankelijkheid heeft geschonden door onvoldoende afstand van haar cliënte te bewaren en dat zij niet in staat lijkt haar cliënte op professionele wijze bij te staan. 4. Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat verweerster zich herhaaldelijk onnodig grievend heeft uitgelaten, zowel in de kort gedingdagvaarding van 2 maart 2022 als in de verzoekschriften van 22 februari 2022. 5. Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat verweerster onbetamelijk heeft gehandeld als familierechtadvocaat en dat verweerster kansloze vorderingen heeft ingesteld. Volgens de Raad volgt haar onbetamelijke handelwijze uit de wijze van procederen door verweerster, waaronder het aanvragen van een kort geding zonder de verhinderdata van de advocaat van klager op te vragen, het starten van procedures en de wijze waarop zij haar processtukken opstelt en daarin standpunten inneemt die niet worden ondersteund door de beschikbare informatie, waaronder de e-mailwisseling van 25 februari 2022. Verweerster deelt dat standpunt niet. 6. Ten onrechte heeft de raad geoordeeld dat verweerster in de kort geding dagvaarding van 2 maart 2022 heeft gesteld dat klager geen antwoord zou hebben gegeven op vragen van de ex- echtgenote tijdens het omgangsweekend van 25 tot en met 27 februari 2022, terwijl zij weet dat dit onjuist is op basis van e-mailverkeer waarover zij beschikt.
7.2 Ter toelichting op haar principiële bezwaar heeft verweerster onder meer de vraag gesteld of de tuchtrechter in lopende procedures een klacht als deze zou moeten behandelen en voorts of de tuchtrechter niet te snel tot het oordeel komt dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de klacht wordt ingediend door een wederpartij terwijl er een (net gestarte) procedure loopt. Partijen weten in lopende procedures steeds sneller de weg naar de tuchtrechter te vinden om de advocaat van hun wederpartij tijdens de procedure onder druk te zetten en te houden met een reeks klachten over onwelgevallige uitlatingen die in de desbetreffende procedure (mondeling of schriftelijk) zijn gedaan. Het betreffen niet zelden klagers die weliswaar geen advocaat zijn, maar zich in de desbetreffende procedure zelf heel stevig, zelfs onnodig grievend hebben uitgelaten en zich onbetamelijk hebben gedragen.
7.3 Verweerster verwijst naar de grote vrijheid die de advocaat van de wederpartij heeft, ook volgens het Europese recht. Terechtwijzingen voor uitlatingen die ver gaan en mogelijk zelfs te ver gaan, kunnen een ‘chilling effect’ - afschrikkende en beknellende werking - met zich brengen en zijn daarom alleen in uitzonderlijke gevallen aanvaardbaar. De vrijheid wordt begrensd door beroepsmatige plichten die advocaten kennen. Het gaat om de vraag of de advocaat de uiting of kwalificatie in redelijkheid nog van belang heeft kunnen oordelen voor de behartiging van het belang van de cliënt. In deze zaak blijkt evenmin dat de raad de gewraakte kwalificaties heeft beoordeeld in het licht van het aanwezig zijn van een feitelijke grondslag, derhalve in het licht van de processtukken en de daarbij horende producties. Verweerster verwijst voorts naar de uitspraken van het hof van 24 augustus 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:153 en 12 juli 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:200.
7.4 Inhoudelijk wijst verweerster er onder meer op dat zij pas in 2021 bij de zaak is betrokken, waarin toen al ten minste 16 uitspraken waren gedaan. Haar cliënte was geconfronteerd met een zeer uitzonderlijke beslissing van de rechter, die haar het ouderlijk gezag ontnam en bepaalde dat de zoon na elf jaar woonplaats te hebben gehad bij zijn moeder in het westen van Nederland, ineens bij zijn vader in het zuiden van het land moest gaan wonen. Het was verweersters voorgangster niet gelukt een andere oplossing te bereiken. De zoon gaf in toenemende mate zorgelijke signalen af en verweerster moest alles uit de kast halen om de beslissing van de rechter ongedaan te maken, waarin zij inmiddels ook is geslaagd.
7.5 Verweerster heeft drie procedures gevoerd: bodemzaak, voorlopige voorzieningen en kort geding. De processtukken zijn omvangrijk, maar logisch opgebouwd en procedureel correct. Verweerster begrijpt niet welk bezwaar de raad tegen de wijze van procederen heeft. Verweerster heeft gebruik gemaakt van de voorliggende juridische mogelijkheden en moest onder meer stevig stelling nemen tegen de bijzonder curator, op wiens advies de beslissing was gebaseerd. Het voeren van deze procedures was de enige mogelijkheid om haar cliënte adequate rechtsbijstand te verlenen. De gewraakte kwalificaties kunnen niet als onnodig grievend worden geduid als ze correct, functioneel, onderbouwd en noodzakelijk voor de zaak waren en daar was in deze zaak sprake van. Hooguit geldt dat verweerster achteraf bezien op enkele punten andere bewoordingen had kunnen gebruiken.
Verweer klager 7.6 Klager heeft geen schriftelijk verweer gevoerd in beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf 8.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
8.2 Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden; van hem mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij van geval tot geval afwegen: - het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, - het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, - het verloop van het geschil tot dan toe, - en de kans op succes van een procedure.
Overwegingen hof
Algemeen – principiële karakter van het beroep 8.3 Het hof stelt voorop dat het hier gaat om een familierechtelijke zaak, waarin het hof krachtens vaste rechtspraak een aanvullende maatstaf hanteert bij het beoordelen van het optreden van een advocaat als wordt geklaagd door de wederpartij. Juist omdat in familiezaken de emoties bijzonder hoog kunnen oplopen én de belangen van kinderen in het gedrang kunnen komen, verlangt de tuchtrechter van de betrokken advocaten dat zij zich jegens de wederpartij – zo mogelijk meer dan in andersoortige zaken – terughoudend, waar mogelijk de-escalerend, maar in ieder geval niet onnodig polariserend opstellen, zowel in de toon en formulering van hun uitlatingen als in de keuze van de al dan niet te nemen rechtsmaatregelen. Dat speelt in het bijzonder in een zaak als de onderhavige, waarin al vanaf de vroegste jeugd van de zoon veelvuldig is geprocedeerd over – uitsluitend – zaken die betrekking hebben op die zoon.
8.4 De beoordeling van de vraag of uitlatingen over de wederpartij al dan niet onnodig grievend zijn, is in hoge mate een casuïstische en feitelijke kwestie, waarbij de tuchtrechter, gezien de context, in beginsel per uitlating beoordeelt of en in hoeverre sprake is van beschrijvingen of kwalificaties, die hun steun vinden in de feiten. Ook toetst de tuchtrechter of de door de klager als grievend ervaren bewoordingen een redelijk doel dienen en functioneel zijn of dat zij, alle omstandigheden in aanmerking genomen, al dan niet als onnodig grievend en onevenredig beschadigend moeten worden beschouwd. Die toetsing is niet eenvoudig in een alles omvattend concreet kader te vatten.
8.5 Het hof onderkent dat verweerster tijdens de lopende procedures geconfronteerd werd met de onderhavige klacht en dat zij zich daardoor bij de verdere behandeling van de zaak belast kan hebben gevoeld. Het hof begrijpt ook dat een advocaat, die in een lopende zaak geconfronteerd wordt met een klacht van de wederpartij, voor dilemma's kan komen te staan die het voeren van verweer tegen die klacht kunnen bemoeilijken. Het hof is van oordeel dat zowel de deken bij het onderzoek naar de klacht als de tuchtrechter bij de behandeling en de beoordeling van de klacht rekening moeten houden - en dat in de praktijk ook doen - met het feit dat de advocaat tegenover zijn cliënt een geheimhoudingsverplichting heeft en dus lang niet altijd (volledige) openheid van zaken kan geven in het verweer tegen een klacht van de wederpartij, al helemaal niet als de zaak nog loopt. Het is echter inherent aan het wettelijk systeem dat een klager moet kunnen klagen over het optreden van een advocaat en dat de tuchtrechter vervolgens toetst of het gedrag van die advocaat al dan niet onbetamelijk is geweest, ongeacht of de zaak nog loopt en er al dan niet (nog) procedures lopen. Een advocaat die tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt, moet ook bij aanvang van een zaak of procedure en lopende die zaak of procedure tuchtrechtelijk tot de orde geroepen kunnen worden.
Klachtonderdeel a) – geen verhinderdata opgevraagd voor kort geding 8.6 Anders dan de raad is het hof van oordeel dat verweerster, gelet op de voorliggende omstandigheden, niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door voor het kort geding geen verhinderdata bij de opvolgend advocaat van klager op te vragen. De voorgaande advocaat van klager had verweerster laten weten dat zij niet langer voor klager optrad en dat zich een opvolger zou melden. Op vragen van verweerster over de opvolger is niet meer gereageerd. De opvolgend advocaat heeft zich een dag voor de datumbepaling via het roljournaal in de andere, reeds lopende zaken gemeld, maar zij heeft verweerster het betreffende formulier pas de dag daarna toegezonden. Toen was de dagvaarding al uitgebracht. Een en ander is dan ook langs elkaar gelopen. Verweerster had er wel beter aan gedaan op basis van de mutatie in het roljournaal even na te gaan hoe het zat met die nieuwe advocaat. Nu de kort geding datum met inachtneming van de verhinderdata van de nieuwe advocaat van klager is verplaatst en klager door de gang van zaken niet is geschaad, rekent het hof verweerster de wijze waarop zij het kort geding (waarbij sprake was van bijzondere spoed, omdat de omgang eenzijdig was stopgezet door klager) heeft aangevraagd, niet tuchtrechtelijk aan. De beroepsgronden van verweerster slagen voor zover ze betrekking hebben op dit klachtonderdeel en de beslissing van de raad wordt op dit onderdeel vernietigd.
Klachtonderdeel c) – kansloze vorderingen, waaronder vordering eenhoofdig gezag in kort geding 8.7 Verweerster is als nieuwe advocaat een reeds lang lopende emotionele kwestie met inmiddels al veel gevoerde procedures ‘ingestapt’. Haar cliënte was niet zo lang daarvoor geconfronteerd met bijzonder ingrijpende beslissingen van de rechter met betrekking tot het hoofdverblijf van en het gezag over de zoon, waarmee de ex-echtgenote logischerwijze veel moeite had. Verweerster heeft namens haar cliënte in de op dat moment nog lopende beroepsprocedure een (vergeefse) poging gedaan om eerder genomen beslissingen ongedaan te maken met haar verzoek tot herroeping. Ondanks de geringe kans van slagen van een dergelijk verzoek acht het hof het niet onbegrijpelijk dat verweerster deze poging in de toch al lopende procedure namens haar cliënte heeft gedaan. Zij heeft daarmee niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
8.8 Op 22 februari 2022 heeft verweerster namens haar cliënte een bodemprocedure en een procedure tot het verkrijgen van voorlopige voorzieningen aanhangig gemaakt met betrekking tot het gezag over en de omgang met de zoon. Daarvoor bestond een directe aanleiding, namelijk de noodkreet van de zoon op school van 11 januari 2022, de brief die hij ter plekke heeft geschreven en het inschakelen van Veilig Thuis door de school. Dat verweerster op basis van deze omstandigheden voldoende aanleiding heeft gezien om de situatie rondom de zoon namens haar cliënte op dat moment opnieuw in volle omvang in rechte voor te leggen, kan haar tuchtrechtelijk niet worden verweten.
8.9 Ook de afweging om een kort geding te starten nadat klager het omgangsweekend van de ex-echtgenote met de zoon op 25 februari 2022 plotseling en op zeer korte termijn had afgezegd en daarnaast de telefonische en WhatsApp communicatie tussen beiden had geblokkeerd, kan het hof billijken. Weliswaar zou de omgang tussen de ex-echtgenote en de zoon korte tijd (oorspronkelijk 12 dagen) na het kort geding aan de orde komen op de mondelinge behandeling van de verzochte voorlopige voorzieningen in de bodemprocedure, maar de abrupte stopzetting van ieder contact tussen de ex-echtgenote en de zoon rechtvaardigde op zich een poging om die patstelling met een kort geding te doorbreken. De voorzieningenrechter heeft de door verweerster namens haar cliënte ingestelde vorderingen weliswaar afgewezen met het oordeel dat het spoedeisend belang niet zodanig was dat de behandeling van de voorlopige voorzieningen niet kon worden afgewacht, maar hij heeft niet overwogen dat zij de vorderingen niet had mogen indienen. Bovendien zijn namens klager in het kort geding ook tegenvorderingen ingesteld.
8.10 Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerster – op voorhand – kansloze procedures is gestart. Met betrekking tot de in die procedures ingestelde vorderingen geldt dat de vordering in kort geding om als voorlopige voorziening het eenhoofdig gezag aan de ex-echtgenote toe te wijzen tot de in dagvaarding gestelde datum inderdaad als – op voorhand – niet kansrijk moet worden beoordeeld. Dat geldt niet voor de overige ingestelde vorderingen. Nu verweerster de kansloze vordering met betrekking tot het eenhoofdig gezag ter zitting heeft ingetrokken, ziet het hof geen aanleiding om haar van het instellen van deze vordering een tuchtrechtelijk verwijt te maken, ondanks dat zij er beter aan had gedaan om zich in het kort geding te beperken tot vorderingen die op de omgangsregeling zagen. De beroepsgronden van verweerster slagen ook voor wat betreft dit klachtonderdeel en de beslissing van de raad zal in zoverre worden vernietigd.
Klachtonderdeel d) – communicatie over omgangsweekend 8.11 De beroepsgronden van verweerster met betrekking tot dit klachtonderdeel slagen eveneens. De raad is bij de beoordeling van dit klachtonderdeel uitgegaan van een verkeerde voorstelling van zaken. Klager heeft weliswaar op 25 februari 2022 om 15.22 uur een e-mail gezonden aan zijn advocaat met een tekst die gericht was aan de ex-echtgenote, maar daaruit blijkt niet dat die tekst ook daadwerkelijk rechtstreeks naar de ex-echtgenote is gestuurd. Nergens blijkt uit dat klager op 25 februari 2022 op de berichten van de ex-echtgenote heeft gereageerd. Verweerster heeft dan ook geen onjuist standpunt ingenomen, toen zij stelde dat klager op de berichten van de ex-echtgenote niet had gereageerd. Omdat ook dit klachtonderdeel ongegrond is, zal het hof de beslissing van de raad op dit onderdeel eveneens vernietigen.
Klachtonderdelen e) en f) – onnodig grievende uitlatingen 8.12 Het hof beoordeelt hierna per processtuk en per door klager genoemde uitlating of sprake is van onnodig grievende uitlatingen door verweerster.
8.13 Verzoekschrift bodemprocedure gezag en omgangsregeling: - alinea 35: ‘De eerste in een stroom van procedures die vader tegen moeder aanspant’ Vast staat dat sinds 2010 vele procedures zijn gevoerd op initiatief van klager, zoals verweerster onweersproken heeft aangevoerd. De beschrijving door verweerster is feitelijk correct en naar het oordeel van het hof niet onnodig grievend jegens klager.
- alinea 39: ‘Van meet af aan heeft vader lak aan de waarheidsplicht ex art. 21 Rv, fabriceert hij een web van leugens en manipuleert hij erop los (…)’ en - alinea 40: ‘(…) de uiterst manipulatieve aard van vaders optreden (…)’ en ‘terwijl de vader bij de rechter beweringen doet en een clichématige voorstelling van zaken geeft’ en ‘niets met de feiten van doen heeft’ Verweerster heeft erkend dat zij hier beter een andere formulering had kunnen gebruiken. Zij stelt dat zij heeft bedoeld aan te geven dat klager volgens de ex-echtgenote en anderen niet op zijn woord kon worden geloofd, onder meer waar hij zich op het standpunt stelde dat sprake was van ouderverstoting. Naar het oordeel van het hof heeft verweerster in deze alinea’s ernstige en stellige kwalificaties gebruikt, die zij verder niet heeft onderbouwd met enige (feitelijke) toelichting, in ieder geval niet in de betreffende alinea’s. Niet alleen had verweerster hier andere bewoordingen moeten gebruiken, maar ook had zij moeten onderbouwen op welk gedrag van klager zij concreet doelde. Nu dat alles niet is gebeurd, is sprake van onnodig grievende uitlatingen.
- alinea 116: ‘[de vader] heeft onverholen gepoogd de band met moeder, grootouders, met de hele omgeving waar (…) gelukkig was, 11 jaar lang, kapot te maken in de periode van 7 augustus 2020 tot op heden. Uit een recente whatsapp van [de vader] aan [de moeder] blijkt zijn verregaande dominerende dwingende controle en zijn waanideeën over zichzelf’ en - alinea 123: ‘Uit het feitenverloop sinds 10 juni 2020 dan wel 7 augustus 2020 blijkt dat vader zijn kind maltraiteert, niet eerbiedigt als het rechtssubject dat het is, maar ziet als een (rechts)object’ Ook deze alinea’s bevatten naar het oordeel van het hof te vergaande en niet (voldoende) onderbouwde beschuldigingen en conclusies, die niet kunnen worden beschouwd als functioneel en noodzakelijk voor de zaak. Ook hier is sprake van onnodig grievende uitlatingen.
8.14 Met betrekking tot het verzoekschrift in de bodemprocedure is het hof op grond van het voorgaande met de raad van oordeel dat de klacht (op één alinea na) gegrond is. Het hof wijst erop dat de rechtbank in het vonnis van 18 januari 2023 – in subtiele bewoordingen – ook heeft duidelijk gemaakt dat verweerster namens haar cliënte in te forse bewoordingen ernstige beschuldigingen jegens klager heeft geuit, die zij die geenszins heeft kunnen hardmaken en daarom als onjuist zijn verworpen:
“2.17 Gelet op de zojuist onder vastgestelde feiten en omstandigheden is er sprake van een totaal ander en wel overwegend positief (met een enkel negatief randje) beeld van het leven en de ontwikkeling van [de zoon] bij zijn vader dan het beeld dat de moeder in de processtukken over de volgens haar (in één woord) verschrikkelijke leefsituatie van [de zoon] bij zijn vader heeft gesteld. 2.18.Hetgeen de moeder op detailniveau ten grondslag heeft gelegd aan haar stelling dat er voor [de zoon] bij zijn vader sprake is van een levensgevaarlijke situatie van huiselijk geweld waarbij sprake is van een voortdurende situatie van ernstige kindermishandeling en verwaarlozing is door haar, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader en gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden, onjuist en wordt verworpen.”
8.15 In de inleiding op de verzoekschriften stelt verweerster dat een omgangsregeling moet worden vastgesteld, waarin rekening moet worden gehouden met: ‘de verwaarlozing en mishandeling (van de belangen) van [de zoon] en de gedwongen kinderarbeid en afhouden van onderwijs (…)’ en heeft zij het over “het door vader gepleegde bedrog.’ De door verweerster gebruikte kwalificaties vinden geen steun in de feiten, zie ook de hiervoor geciteerde overwegingen van de rechtbank. Bovendien ziet het hof ook niet de relevantie daarvan bij de vraag welke omgangsregeling moet worden vastgesteld. Verweerster heeft zich ook in dit stuk onnodig grievend over klager uitgelaten.
8.16 In het verzoek voorlopige voorzieningen heeft verweerster het (wederom) over ‘verwaarlozing, mishandeling, dwingende controle’ (alinea 13), dat klager ‘het kind dwingt zware lichamelijke arbeid te verrichten…’ (alinea 15) en in alinea 24 heeft zij gesteld: ‘De manier waarop zijn vader met hem omgaat, strijdt niet alleen met het kinderrechtenverdrag en het Europees Verdrag van de rechten van de Mens, maar overschrijdt iedere grens van moraal, recht en fatsoen en de maatschappelijke betamelijkheid.’ Ook met (het herhalen van) deze uitlatingen is verweerster naar het oordeel van het hof te ver gegaan ten opzichte van klager. Zo blijkt uit het vonnis van de rechtbank van 18 januari 2023 onder meer dat het met de zoon goed ging op school en bij het voetbal, dat hij groei liet zien en vrolijker was, dat de knieklachten van de zoon niet waren ontstaan door werken bij klager, maar door overbelasting bij het voetballen (waarvoor rust en fysiotherapie zijn gevolgd), dat met medewerking van klager hulpverlening en therapie is ingezet naar aanleiding van de noodkreet van de zoon op school.
8.17 In de kort geding dagvaarding heeft verweerster geschreven: - alinea 16: ‘(…) Een leefsituatie van intieme terreur van de hand van zijn vader die bestaat uit een dagelijks patroon van controleren, isoleren, kleineren, uitschelden, direct of indirect en subtiel bedreigen, psychisch verwarren, intimideren, pesten, saboteren en manipuleren’ en - alinea 18: ‘(…) gedrag van vader. Dat gedrag is dat van een dwingende, agressieve en manipulerende persoonlijkheid, met een kort lontje (…) blijkens (ook recente) strafrechtelijke veroordelingen die vader zijn opgelegd, onder meer voor mishandeling, oplichting en stalking.’ Anders dan verweerster ziet het hof in deze alinea’s geen beschrijving van feiten, maar grotendeels kwalificaties. Die kwalificaties gaan bovendien verder dan wordt gerechtvaardigd door de achterliggende informatie, waaronder Whatsapp berichten. Verweerster heeft het onnodig groter gemaakt, mede door bewoordingen cumulatief te gebruiken en de toevoeging van het woord ‘dagelijks’. Het hof merkt aanvullend nog op dat verweerster – zoals zij bij de raad ook desgevraagd heeft aangegeven – de verwijten en beschuldigingen aan klager in haar processtukken formuleert zonder daarvan als advocaat van de ex-echtgenote enige zakelijke afstand te nemen. Het gaat echter om het verwoorden van standpunten en gevoelens van de ex-echtgenote en dat hoort bij de verwoording daarvan ook tot uitdrukking te komen (zo had verweerster bijvoorbeeld kunnen aangeven hoe het gedrag van vader door haar cliënte werd ervaren). Alleen al door eigen kwalificaties aan het gedrag van klager te geven, gaat verweerster over de grenzen van het tuchtrechtelijk toelaatbare.
- alinea 37: ‘Toen vader niet reageerde…(…)’ - alinea 38: ‘Vader (…) zweeg echter in alle toonaarden.’ - alinea 41: ‘Vader had moeder echter helemaal niets laten weten nadat hij het omgangsweekeinde had getorpedeerd per whatsapp – niet per whatsapp, niet per e-mail, niet anderszins’ Deze alinea’s betreffen het misgelopen omgangsweekend, Wat verweerster hier heeft geformuleerd, is naar het oordeel van het hof niet feitelijk onjuist en niet disproportioneel.
- alinea 43: ‘Het is duidelijk dat vader steeds verder ontspoort, lak heeft aan de wet en rechterlijke uitspraken.’ Ook met deze alinea overschrijdt verweerster niet de grenzen van wat tuchtrechtelijk toelaatbaar is, gelet op het abrupte stopzetten van de omgangsregeling door klager. Ook het gebruik van het woord ‘bullebak’ (in alinea 46) acht het hof, gelet op de omstandigheden, niet ontoelaatbaar.
- alinea 45: ‘(…) nu is gebleken dat naast de onoirbare scheldpartijen en andere mishandeling, vader het kind dwingt tot zeer zware (en schadelijke) fysieke arbeid, waar het kind pijn van heeft.’ Dit zijn tot slot (weer) bewoordingen die onnodig zijn en niet door de feiten worden gesteund.
8.18 Concluderend is het hof op grond van het voorgaande van oordeel dat verweerster zich in de processtukken meerdere malen onnodig grievend en dus ontoelaatbaar jegens klager heeft uitgelaten, wat betekent dat de raad de klachtonderdelen e) en f) terecht gegrond heeft verklaard. De door verweerster aangehaalde Europese rechtspraak en rechtspraak van dit hof op grond waarvan verweerster een grote vrijheid bepleit om het standpunt van haar cliënte te bepleiten en daarbij sterke bewoordingen te gebruiken leiden niet tot een ander oordeel. Zoals onder 8.4 al is overwogen hangt het af van de omstandigheden of iets over de grens gaat of daar net binnen blijft. Van belang blijft voor het hof de aard van de procedure (wel of niet een familierechtelijke procedure) en of daarbij belangen van minderjarigen zijn betrokken. Juist in die gevallen geldt dat meer terughoudendheid is aangewezen.
Slotsom 8.19 De slotsom is dat de beslissing van de raad zal worden vernietigd op de klachtonderdelen a), c) en d) en dat die klachtonderdelen ongegrond worden verklaard. De beslissing van de raad wordt bekrachtigd op de klachtonderdelen e) en f).
9 MAATREGEL
9.1 Het voorgaande leidt ook tot een heroverweging van de door de raad opgelegde maatregel aan verweerster. Daarbij is relevant dat zij niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. Anderzijds acht het hof de wijze waarop verweerster in deze zaak in de processtukken van leer is getrokken en de wijze waarop de processtukken zijn opgesteld, toch wel zorgelijk. Het hof realiseert zich dat het ging om een bijzonder emotionele kwestie voor de partijen, waarbij de cliënte van verweerster was geconfronteerd met voor haar zeer nadelige rechterlijke beslissingen, die naar overtuiging van de cliënte ook niet goed waren voor het welzijn van de zoon. Dat deze zaak een alerte aanpak en een duidelijke stellingname vereiste, wordt door het hof ook niet ontkend. Een duidelijke stellingname vereist evenwel geen (bij herhaling gebruikte) diskwalificerende bewoordingen en beschuldigingen, maar vooral een feitelijke beschrijving, waaruit in aanzienlijk neutralere woorden wellicht stevige conclusies kunnen worden getrokken. Ook in zaken als de onderhavige blijft het uitgangspunt dat een advocaat de zaak niet verder onnodig moet escaleren. Daarbij had verweerster zich ook kunnen realiseren dat zij zich in haar processtukken tot de rechter wendt en niet tot de wederpartij en dat zij in die stukken voor ogen moet houden dat zij het standpunt van haar cliënte verwoordt, wat zij waar nodig ook dient duidelijk te maken.
9.2 Het hof is dan ook van oordeel dat er sprake is van tuchtrecht laakbaar gedrag dat een maatregel van een berisping rechtvaardigt, ook als rekening wordt rekening gehouden met de lange duur van deze klachtprocedure. Het hof zal dan ook de maatregel van berisping aan verweerster opleggen.
10 PROCESKOSTEN
10.1 Omdat ook het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerster op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021: a € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; b) € 1.000,- kosten van de Staat.
10.2 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
11 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
11.1 vernietigt de beslissing van 29 juli 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 23-564/A/A, voor zover de raad de klachtonderdelen a, c en d gegrond heeft verklaard en aan verweerster de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor zes weken heeft opgelegd;
en doet opnieuw recht:
11.2 verklaart de klachtonderdelen a, c en d ongegrond;
11.3 legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
11.4 bekrachtigt de beslissing van 29 juli 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 23-564/A/A, voor het overige;
11.5 veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima, R. van der Hoeven, P.J.G. van der Boom en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 28 november 2025.
