Rechtspraak
Uitspraakdatum
01-12-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:249
Zaaknummer
240209
Inhoudsindicatie
Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van haar ex-echtgenoot met wie zij in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld. De klacht houdt in dat verweerder niet voldoende de-escalerend heeft opgetreden en dat verweerder niet onafhankelijk is geweest en onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt aan de betrokken rechters. De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof onderschrijft dat oordeel en bekrachtigt de beslissing van de raad.
Uitspraak
Beslissing van 1 december 2025 in de zaak 240209
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
tegen:
verweerder
gemachtigde: [kantoorgenoot verweerder]
1 INLEIDING
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de advocaat van haar ex-echtgenoot met wie zij in een echtscheidingsprocedure is verwikkeld. De klacht houdt in dat verweerder niet voldoende de-escalerend heeft opgetreden en dat verweerder niet onafhankelijk is geweest en onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt aan de betrokken rechters. De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof onderschrijft dat oordeel en bekrachtigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 24-028/DB/LI) een beslissing gewezen op 24 juni 2024. In deze beslissing is de klacht van klaagster in alle onderdelen ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:82 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 24 juli 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van verweerder. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 6 oktober 2025. Daar is verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, verschenen. Klaagster is met berichtgeving niet verschenen.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.
3.2 Klaagster en haar ex-echtgenoot, hierna: “de man”, zijn verwikkeld in een langslepend geschil samenhangend met hun echtscheiding, in het kader waarvan meerdere gerechtelijke procedures hebben plaatsgevonden.
3.3 Klaagster heeft op 11 maart 2021 een verzoek tot wijziging van de zorgregeling tussen de man en de minderjarige dochter en een verzoek om vervangende toestemming voor de inschrijving op een andere basisschool bij de rechtbank ingediend. Deze verzoeken zijn behandeld ter zitting van de rechtbank van 23 november 2021. Verweerder heeft deze zitting waargenomen voor mr. F, advocaat van de man, en namens de man verweer gevoerd. De rechtbank heeft ter zitting aangestuurd op mediation. Verweerder heeft de man geadviseerd om in te stemmen met mediation. Bij tussenbeschikking van 14 december 2021 heeft de rechtbank bepaald dat de zaak voor de duur van vier maanden werd aangehouden in afwachting van een bericht van partijen over de resultaten van het mediationtraject. Nadat de mediation op verzoek van klaagster werd beëindigd, heeft de rechtbank bij beschikking van 29 april 2022 de verzoeken van klaagster afgewezen.
3.4 In r.o. 2.6.4 van de beschikking heeft de rechtbank overwogen:
“(2.6.4) Tijdens de mondelinge behandeling op 23 november 2021 is gebleken dat beide partijen nog steeds een week-om-weekregeling wensen, die thans ook nog steeds geldt, zodat de rechtbank daaruit begrijpt dat de moeder haar primaire verzoek tot het bepalen van (kort gezegd) een weekendregeling niet langer handhaaft. De rechtbank zal daarom het primaire verzoek van de moeder afwijzen. (…)”
3.5 Op 28 juli 2022 heeft mr. Van den B, advocaat en echtgenote van klaagster, hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 29 april 2022. Het Hof heeft aan partijen mediation aangeboden. Verweerder heeft de man geadviseerd om in te stemmen met mediation. Verweerder heeft daarna aan het Hof medegedeeld dat de man instemde met mediation. Het Hof heeft vervolgens aan partijen medegedeeld dat geen mediation zou plaatsvinden omdat niet door beide partijen was ingestemd met mediation.
3.6 Verweerder heeft op 27 september 2022 namens de man een verweerschrift ingediend. Punt 45 van dit verweerschrift luidde als volgt:
“(45) Het voornoemde deed zich ook voor ten tijde van de mondelinge behandeling d.d. 23 november 2021. Gedurende die behandeling gaf de vrouw – in niet mis te verstane bewoording – zowel zelf, als bij monde van haar advocaat te kennen dat zij een week-om-week regeling wenst en afziet van haar verzoek tot wijziging daarvan. Dat de vrouw thans stelt dat zij dat nimmer heeft gezegd of bedoeld acht de man in strijd met artikel 21 Rv. Het is immers uitermate onaannemelijk dat de meervoudige kamer c.q. een drietal rechters de vrouw en haar voormalig advocaat verkeerd hebben begrepen.”
3.7 De mondelinge behandeling bij het Hof heeft plaatsgevonden op 5 december 2023. Klaagster werd tijdens deze zitting bijgestaan door mr. Van den B, terwijl de man werd bijgestaan door verweerder.
3.8 De man heeft een klacht ingediend over mr. Van den B bij de deken. Verweerder heeft de man geadviseerd om deze klacht met het oog op de onderlinge verstandhouding in te trekken. De man heeft de klacht vervolgens ingetrokken.
3.9 Op 21 december 2022 heeft mr. Van den B namens klaagster een voorstel gedaan tot het treffen van een minnelijke regeling. Verweerder heeft dit voorstel namens de man, die er de voorkeur aan gaf de beschikking van het Hof af te wachten, afgewezen.
3.10 Op 10 januari 2023 heeft mr. Van den B zich namens klaagster onttrokken en heeft mr. O zich namens klaagster gesteld.
3.11 Bij beschikking van 19 januari 2023 heeft het Hof de beschikking van de rechtbank vernietigd, en opnieuw rechtdoende, de zorgregeling gewijzigd enkel voor zover deze het wisselmoment betreft, en de beschikking van de rechtbank voor het overige bekrachtigd.
3.12 Op 31 januari 2023 heeft verweerder in overleg met de man het dossier gesloten en zijn bijstand aan de man beëindigd.
3.13 Bij e-mail van 12 maart 2023 heeft de man, naar aanleiding van een e-mail van mr. O van 7 maart 2023 aan verweerder, aan mr. O medegedeeld dat verweerder niet meer voor hem optrad.
3.14 Bij e-mail van 26 april 2023 heeft mr. O aan verweerder medegedeeld dat zij niet rechtstreeks met de man zou communiceren en dat in haar visie verweerders bijstand nog niet was geëindigd.
3.15 Bij e-mail van 1 mei 2023 heeft de man nogmaals aan mr. O medegedeeld dat verweerder niet langer voor hem optrad en dat mr. O rechtstreeks met de man contact kon hebben.
3.16 Op 17 mei 2023 heeft klaagster een e-mail gestuurd aan verweerder. Verweerder heeft mr. O bij e-mail van 22 mei 2024 nogmaals bericht dat hij de man niet meer bijstond en aan haar medegedeeld dat hij verdere e-mails niet meer in behandeling zou nemen.
3.17 Op 11 augustus 2023 heeft klaagster in kort geding vervangende toestemming gevraagd voor een – buiten de schoolvakantie geplande - vakantie naar Spanje. Klaagster heeft gesteld dat het vanwege haar nieuwe baan niet langer mogelijk was om tijdens de schoolvakanties op vakantie te gaan. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2023. Ter zitting is de man bijgestaan door verweerder. Verweerder heeft namens de man verweer gevoerd en in dat verband onder meer naar voren gebracht dat aan het bestaan van de door klaagster gestelde arbeidsrelatie werd getwijfeld en dat het missen van schooldagen niet in het belang van de minderjarige dochter werd geacht.
3.18 Bij vonnis van 12 september 2023 heeft de voorzieningenrechter de vordering van klaagster toegewezen.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft niet ingegrepen in de steeds verder escalerende communicatie;
2. Verweerder is niet onafhankelijk geweest en heeft daardoor onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de betrokken minderjarige;
3. Verweerder heeft onjuiste en onvolledige informatie verstrekt aan de betrokken rechters;
4. Verweerder heeft zich op respectloze wijze gedragen jegens klaagster;
5. Verweerder heeft in de kort gedingprocedure tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat (a) deze procedure eenvoudig had kunnen worden voorkomen als verweerder eerst bewijs had opgevraagd en (b) doordat hij klaagster persoonlijk heeft aangevallen, haar heeft beschuldigd van leugens en haar op respectloze wijze heeft bejegend.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 Ten aanzien van klachtonderdeel 1 heeft de raad vooropgesteld dat op het moment dat verweerder als advocaat van de man in beeld kwam, klaagster en de man al langdurig met elkaar in geschil waren en diverse gerechtelijke procedures achter de rug hadden. Vast staat dat verweerder zijn cliënt heeft geadviseerd mee te werken aan het verbeteren van de communicatie. Verweerder heeft zijn cliënt tot tweemaal toe geadviseerd om deel te nemen aan mediation en zijn cliënt was daar beide keren toe bereid. Ook heeft verweerder zijn cliënt geadviseerd over te gaan tot intrekking van de klacht tegen mr. Van den B, hetgeen vervolgens is geschied. Dat verweerder op andere momenten of op andere wijzen de-escalerend had moeten optreden is de raad uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet gebleken. De raad heeft klachtonderdeel 1 dan ook ongegrond verklaard.
5.2 De raad heeft de klachtonderdelen 2, 3, 4 en 5 gezamenlijk behandeld. De raad heeft overwogen dat het de taak van verweerder was om de belangen van de man te behartigen. Dat verweerder daarbij onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de betrokken minderjarige is de raad niet gebleken. In het kader van de behartiging van de belangen van de man stond het verweerder vrij om standpunten in te nemen, ook al waren die klaagster onwelgevallig. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat het in punt 45 van het verweerschrift verwoorde standpunt berustte op een, naar achteraf is gebleken, onjuiste interpretatie van klaagsters mededelingen ter zitting. Verweerder had uit die mededelingen afgeleid dat klaagster haar eerdere verzoek tot wijziging van de co-ouderschapsregeling had ingetrokken. Mede gelet op het feit dat de rechtbank de uitlatingen van klaagster ook zo had opgevat, kan verweerder van deze onjuiste interpretatie geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
5.3 De raad heeft in de overlegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geen aanknopingspunten gevonden voor de feitelijke juistheid van de verwijten van klaagster dat verweerder zich op respectloze wijze jegens haar heeft gedragen, haar persoonlijk heeft aangevallen en haar heeft beschuldigd van leugens. Van onnodig grievende uitlatingen jegens of over klaagster is dan ook niet gebleken.
5.4 De raad volgt klaagster tot slot niet in haar standpunt dat de kort gedingprocedure eenvoudig voorkomen had kunnen worden als verweerder eerst bewijs had opgevraagd. Naast het al dan niet bestaan van de arbeidsrelatie van klaagster was ook de vraag of het missen van schooldagen in het belang van de minderjarige was onderwerp van het geschil. Over dit laatste punt stonden partijen lijnrecht tegenover elkaar en niet valt in te zien op welke wijze dit onderdeel door het opvragen van bewijs had kunnen worden beslecht.
5.5 Omdat naar het oordeel van de raad niet is gebleken dat verweerder de grenzen van de aan hem, in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij, toekomende vrijheid heeft overschreden, heeft de raad de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Klaagster is het met het oordeel van de raad niet eens. Klaagster voert - samengevat weergegeven - het volgende aan.
6.2 De raad is ten onrechte voorbij gegaan aan het standpunt van klaagster dat verweerder in de kort gedingprocedure evident onpleitbare standpunten heeft ingenomen op een wijze waarop (ook) de belangen van de minderjarige zijn geschaad. Verweerder heeft volgens klaagster ‘blind’ de door emoties gevoede wensen van zijn cliënt gevolgd, op een manier waarop de belangen van de overige betrokkenen schade hebben geleden. Van verweerder mocht worden verwacht dat hij de stelling dat klaagster heeft gelogen over haar dienstverband en valsheid in geschrifte heeft gepleegd, deugdelijk zou onderbouwen. Ook had verweerder niet namens zijn cliënt de blote stelling mogen innemen dat een vakantie buiten de schoolvakanties niet in het belang van de minderjarige zou zijn. Verweerder is klaagster tijdens de kort gedingzitting onheus blijven bejegenen door de voorzieningenrechter te verzoeken om klaagster een bewijsopdracht geven ten aanzien van het door haar gestelde dienstverband. Verweerder heeft met deze aanhoudende en onnodig polariserende opstelling de belangen van de minderjarige veronachtzaamd.
6.3 Verweerder heeft verder onjuiste, althans onvolledige, informatie aan de rechtbank verstrekt. Klaagster heeft hiervan diverse voorbeelden genoemd, die niet allemaal door de raad in de beoordeling zijn betrokken. Zo heeft verweerder aanvankelijk namens zijn cliënt betoogd dat er geen zorgen waren over de minderjarige op school, terwijl verweerder op een ander moment een tegenovergesteld standpunt heeft ingenomen. Verder heeft verweerder onvolledige rapporten ingediend, zodat de schoolresultaten van de minderjarige goed leken, terwijl de achterliggende grafieken met tegenvallende resultaten door verweerder zijn achtergehouden.
6.4 Tot slot voert klaagster aan dat de raad de steeds verder escalerende situatie in de periode na het hoger beroep niet volledig heeft beoordeeld. Op basis van de door de raad opgesomde feiten lijkt het alsof verweerder al sinds 31 januari 2023 niet meer in beeld was als advocaat van zijn cliënt, maar gedurende de vier maanden daarna zijn er veel berichten gestuurd met telkens het e-mailadres van verweerder in cc. Ondanks dat de inhoud van deze berichten steeds verder escaleerde, heeft verweerder niet ingegrepen of op zijn minst kenbaar gemaakt dat hij niet meer optrad voor zijn cliënt.
Verweer verweerder
6.5 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Overwegingen hof
7.1 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden, die een herhaling van eerder door klager ingenomen standpunten inhouden, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt het hoger beroep van klaagster en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 bekrachtigt de beslissing van 24 juni 2024 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-028/DB/LI.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Sijses, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 1 december 2025.
