Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

01-12-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:250

Zaaknummer

240152

Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de eigen advocaat. Klager verwijt verweerder a) juridisch ondermaats te hebben gepresteerd, b) hem onvoldoende te hebben geïnformeerd en op onzorgvuldige wijze zijn werkzaamheden te hebben neergelegd, c) geen althans onvoldoende partijdigheid te hebben betracht en onvoldoende in het belang van klager te hebben gehandeld en d) niet te beschikken over een adequate klachtenregeling. Alleen klachtonderdeel b) is gegrond verklaard en aan verweerder is de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes weken opgelegd. Klager en verweerder komen hiertegen in beroep. Het hof acht klachtonderdeel a) en d) alsnog  gegrond en legt verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken op.

Uitspraak

Beslissing van 1 december 2025 in de zaak 240152

naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:

[Klager] wonende te [woonplaats]

klager

tegen:

[verweerder] advocaat te [vestigingsplaats]

verweerder

 

1    INLEIDING

1.1    Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de eigen advocaat. Klager verwijt verweerder a) ondermaats te hebben gepresteerd, b) hem onvoldoende te hebben geïnformeerd en op onzorgvuldige wijze zijn werkzaamheden te hebben neergelegd, c) geen althans onvoldoende partijdigheid te hebben betracht en onvoldoende in het belang van klager te hebben gehandeld en d) niet te beschikken over een adequate klachtenregeling. Alleen klachtonderdeel b) is gegrond verklaard en aan verweerder is de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes weken opgelegd. Klager en verweerder komen hiertegen in beroep. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de Raad van Discipline  en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager en verweerder in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-036/AL/GLD) een beslissing gegeven op 6 mei 2024. In deze beslissing is de klacht van klager wat betreft klachtonderdeel b) gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes weken opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL: 2024:122 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 13 mei 2025 ontvangen door de griffie van het Hof van Discipline (hierna: het hof). Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 5 juni 2025 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof: -    de stukken van de raad;  -    het verweerschrift van verweerder.    2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 29 september 2025. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Klager heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. 

3    FEITEN

Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat, voor zover in hoger beroep nog van belang, om de volgende feiten.

3.1    Klager is door de strafrechter in Duisland wegens computerfraude veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren. 

3.2    In die strafzaak is H. als getuige gehoord en die heeft – kort gezegd – verklaard dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan fraude.   3.3    Klager is van mening dat H. opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd, welke verklaring vervolgens gebruikt is bij de bewezenverklaring in de strafzaak tegen klager. Namens klager heeft verweerder H. gedagvaard, omdat H. volgens klager een meinedige verklaring heeft afgelegd en dit een onrechtmatige daad is jegens klager, waardoor klager schade heeft geleden. Klager heeft gevorderd dat H. wordt veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan klager, bestaande uit de gerechtskosten van de strafzaak in Duitsland, gederfde inkomsten, immateriële schade als gevolg van detentie en reputatieschade. 

3.4    Bij vonnis van 10 februari 2021 heeft de rechtbank Noord-Holland de vorderingen van klager afgewezen. 

3.5    Klager is van dat vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof in Amsterdam. Op  12 september 2022 heeft de mondelinge behandeling bij het gerechtshof plaatsgevonden en bij arrest van 25 oktober 2022  heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en klager veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Daarbij heeft het gerechtshof onder 1. overwogen:

“(..) Minder dan twee uur voor de mondelinge behandeling zijn namens [klager] per e-mail nog zes aanvullende producties aan het hof en de advocaat van de wederpartij toegezonden. Van de zijde van [H] is ter zitting tegen het late overleggen van deze stukken bezwaar gemaakt. Gehoord partijen en na beraad heeft het hof ter zitting geoordeeld dat de genoemde aanvullende producties bij de beoordeling buiten beschouwing zullen worden gelaten. De redenen daarvoor zijn de volgende. De wederpartij en zijn advocaat hebben door het late tijdstip van de indiening vrijwel geen tijd gekregen van de stukken kennis te nemen, terwijl bij het indienen daarvan geen reden is gegeven waarom deze niet eerder zijn verstrekt. Het gaat om stukken waarover [klager] al langer de beschikking had. Ook ter zitting is geen verklaring gegeven voor het feit dat is gewacht met indiening tot het allerlaatste moment voor de zitting. Door de advocaat van [klager] is verder toegegeven dat de stukken eerder hadden kunnen worden verkregen als eerder onderzoek was gedaan, zodat de stukken dus ook eerder hadden kunnen worden verstrekt. De aard en de omvang van de stukken stond eraan in de weg dat [H] en zijn advocaat nog de gelegenheid hadden om voorafgaand en/of tijdens de zitting van de inhoud van deze stukken kennis te nemen om daarop nog adequaat te kunnen reageren.”

3.6    In de Duitse strafzaak zijn ook getuigenverklaringen tegen klager afgelegd door D, E en S. Ook deze getuigen zijn namens klager door verweerder gedagvaard wegens het afleggen van een valse – meinedige – verklaring, hetgeen een onrechtmatige daad jegens klager oplevert en waardoor klager stelt schade te hebben geleden. Bij vonnissen van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, van 21 april 2022 zijn ook de vorderingen in die zaken afgewezen.

3.7    Klager heeft aan verweerder aangegeven van die vonnissen in hoger beroep te willen gaan. 

3.8    Bij brief van 1 juni 2022 heeft verweerder aan klager bericht geen positief procesadvies te kunnen uitbrengen om hoger beroep in te stellen in de civiele bodemprocedure tegen D, E en S. In die brief wordt ook een negatief advies gegeven ten aanzien van een te voeren  kortgedingprocedure tegen D wegens reputatieschade.

3.9    Vervolgens heeft verweerder hoger beroep aangetekend bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen hiervoor genoemde uitspraken van de rechtbank Gelderland. Bij e-mail van 29 juli 2022 heeft verweerder aan klager een kopie van de betekende hoger beroep dagvaardingen toegezonden.  

3.10     Op 31 oktober 2022 heeft klager aan verweerder een e-mail gezonden met als onderwerp “klacht” en op 1 november 2022  heeft hij verweerder een e-mail gezonden waarin hij verweerder verzoekt zich terug te trekken.

3.11     Op 4 november 2022  heeft verweerder aan klager een e-mail gezonden waarin onder meer staat: 

“Hierbij stuur ik u de berichten van terugtrekking door. U kunt dus nu zelf contact opnemen met de gerechtshoven en de verlangde uitstel vragen en vervangende rechtsbijstand vinden.” 

3.12     Op 10 november 2022 heeft klager een klacht over verweerder aan de deken gezonden.

3.13     Eveneens op 10 november 2022 heeft klager per e-mail aan verweerder nogmaals verzocht om hem te berichten welke zaken verweerder voor en namens klager op dat moment behandelde. Diezelfde dag heeft verweerder in antwoord daarop per e-mail aan klager bericht:

“We zijn bezig alle lopende dossiers te verzamelen. Ik zal ervoor zorgen dat het gereed is op de 14e.” 

3.14     Op 14 november 2022 heeft verweerder aan klager bericht dat hij nu toegang zou moeten hebben tot alle dossierstukken en op 17 november 2022  heeft verweerder die stukken nogmaals – maar nu op andere wijze gezonden – omdat er bij het eerdere bericht kennelijk iets is misgegaan.

3.15     Op 15 november 2022 heeft klager aan verweerder verzocht om voor het verstrijken van de  termijn van nog veertien dagen om de memorie van grieven te nemen summier grieven in te dienen  in de zaken tegen D, E en S, omdat het volgens klager voor een nieuwe advocaat onmogelijk is dit binnen de nog resterende termijn te doen. In een later stadium zal de memorie van grieven volgens klager dan nader worden aangevuld (door de nieuwe advocaat). 

3.16     Op 21 november 2022 om 16.46 uur heeft verweerder klager per e-mail  bericht dat hij een memorie van grieven zal indienen die klager later kan (doen) aanvullen. In de e-mail staat verder dat het goed is als na het indienen van de memorie van grieven de wegen van klager en verweerder zich scheiden. ‘Ter beëindiging van het geschil’ heeft verweerder bij het e-mailbericht een vaststellingsovereenkomst gezonden, waarbij is opgemerkt dat de inhoud daarvan niet onderhandelbaar is. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen:

“Artikel 1 [verweerder] zal voor [klager] voor de roldatum van 22 oktober a.s. een korte MvG indienen, welke [klager] later zal (laten) aanvullen. [klager] is hierbij gewezen op het gegeven dat een aanvulling van voornoemd processtuk ongebruikelijk is. [klager] draagt de verantwoordelijkheid van de aanvulling (door een andere advocaat). (..)

Artikel 3 (..) Tevens zal [klager] zich onthouden van het indienen van enige tuchtklacht jegens [verweerder] (en zijn kantoorgenoten), op straffe van een dwangsom van een bedrag van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro) ineens. Deze dwangsom kan eveneens geïnd worden op het afgescheiden vermogen van rechtspersonen waarin [klager] betrokken is. (..)”

Verder is in de e-mail vermeld dat verweerder uiterlijk om 19.30 uur van die dag de getekende vaststellingsovereenkomst van klager wenst te hebben ontvangen, bij gebreke waarvan het aanbod van verweerder vervalt. Op diezelfde dag  heeft klager naar verweerder via e-mail gereageerd dat hij dit beschouwt als een vorm van chantage en zich door verweerder niet onder druk laat zetten.  Op 26 november 2022 heeft klager aangifte  gedaan van chantage/afpersing door verweerder. 

3.17     Op 30 november 2022 heeft klager de eerder aan de deken gezonden klacht aangevuld  en op 15 december 2022 nogmaals. 

4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) juridisch ondermaats te presteren;

Verweerder heeft volgens klager de zaak in hoger beroep juridisch verkeerd aangepakt. Dit blijkt volgens klager ook uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam. Klager heeft een geluidsopname van de zitting bij het gerechtshof waaruit blijkt dat het hof niet te spreken was over het handelen van verweerder. Verweerder had onvoldoende kennis van zaken en van het civiele recht. Daarnaast heeft verweerder geen uitstel aangevraagd voor een zitting en heeft hij belangrijke documenten achtergehouden dan wel bewust niet ingediend, wat in het nadeel van klager heeft gewerkt. 

b) klager onvoldoende te informeren en op de hoogte te houden en in strijd met gedragsregel 14 op een onzorgvuldige wijze zijn werkzaamheden neer te leggen;

Volgens klager heeft verweerder hem niet op de hoogte gebracht dat er op 30 augustus 2022 en op 11 oktober 2022 een memorie van grieven moest worden ingediend in een drietal zaken bij het gerechtshof in Arnhem. Dit had volgens klager tot gevolg dat hij te korte tijd had om een andere advocaat te vinden die voor hem de memorie van grieven kon indienen. Volgens klager berichtte verweerder hem op het allerlaatste moment dat hij toch grieven namens klager wilde indienen, maar wel onder de voorwaarde dat klager dan eerst een vaststellingsovereenkomst zou tekenen. Dat heeft klager als chantage ervaren. Klager ontving pas stukken van zijn zaken als hij daar zelf actief om vroeg. Klager heeft nooit pleitnota’s gezien. 

c) geen, althans onvoldoende partijdigheid te betrachten en onvoldoende in het belang van klager te handelen;

Klager is ervan overtuigd dat verweerder onder druk is gezet om de zaak niet serieus voor te bereiden. Dat heeft verweerder klager ook verteld, aldus klager. Klager meent zich te herinneren dat verweerder door een partij is gebeld. Verweerder heeft ook nagelaten gehoor te geven aan het verzoek van klager om getuigen bij de rechter-commissaris te horen. In plaats daarvan heeft verweerder de betreffende personen gedagvaard en voor de civiele route gekozen. Klager had alle vragen voor de getuigen al uitgewerkt en was juist bij verweerder gekomen, omdat hij van verweerder in die procedure graag bijstand wilde. 

d) niet te beschikken over een adequate klachtenregeling;

Klager heeft zijn klacht kenbaar gemaakt bij het kantoor van verweerder, maar de klachtenfunctionaris heeft met klager geen contact opgenomen.  

5    BEOORDELING EN BESLISSING RAAD

5.1    Het eerste klachtonderdeel, juridisch ondermaats presteren, heeft de raad ongegrond verklaard. Het is de raad niet duidelijk geworden waarom verweerder de betreffende stukken zo laat in het geding heeft gebracht bij het hof, maar dit levert op zichzelf naar het oordeel van de raad nog geen tuchtrechtelijk verwijtbare handelwijze op. Ook is de raad op grond van de stukken niet gebleken dat verweerder onvoldoende kennis van het civiele recht had. 

5.2    Het tweede klachtonderdeel, het onvoldoende informeren en op onzorgvuldige wijze de werkzaamheden neerleggen, heeft de raad gegrond verklaard. Niet alleen heeft verweerder belangrijke informatie en afspraken niet schriftelijk vastgelegd, maar ook heeft verweerder op onzorgvuldige wijze zijn werkzaamheden voor klager neergelegd en daarnaast klager op ongeoorloofde wijze onder druk gezet om een vaststellingsovereenkomst te tekenen zodat verweerder een memorie van grieven zou indienen. Daarenboven bevat die vaststellingsovereenkomst naar het oordeel van de raad voorwaarden die buiten proportie zijn. De voorwaarde dat klager zich dient te onthouden van het indienen van enige tuchtklacht jegens verweerder op straffe van een dwangsom van € 10.000 ineens, duidt er naar het oordeel van de raad op dat verweerder zijn eigen belang heeft laten prevaleren boven dat van klager. 

5.3    Het verwijt dat verweerder door de opponenten van klager onder druk is gezet is ongegrond verklaard nu dit niet door klager nader is onderbouwd en daarmee niet is komen vast te staan. 

5.4    Het verwijt dat verweerder geen getuigen heeft gehoord maar in plaats daarvan dagvaardingen heeft uitgebracht heeft de raad eveneens ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat aan verweerder een grote vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem passend voorkomt. 

5.5    Ten slotte heeft de raad de klacht dat verweerder geen adequate klachtenregeling heeft ongegrond verklaard nu gebleken is dat verweerder daar wel over beschikt maar dat de klachtenfunctionaris nog geen contact met klager heeft opgenomen. 

5.6    De raad heeft verweerder aangerekend dat hij klager onvoldoende op de hoogte heeft gehouden voor de voortgang van zijn zaken en lopende termijnen. Ook heeft de raad verweerder aangerekend dat hij niet meer kan terugvinden op welke wijze hij klager op de hoogte heeft gehouden. Het vorenstaande kan ook niet los worden gezien van de onzorgvuldige wijze waarop verweerder zijn opdracht heeft neergelegd en het aan klager op het allerlaatste moment voor het verlopen van een termijn voorleggen van een vaststellingsovereenkomst houdende onbetamelijke voorwaarden. Voorts heeft de raad bij het bepalen van de maatregel ook in overweging genomen  dat aan klager in 2023 de maatregel van waarschuwing is opgelegd in een tuchtzaak waarin ook de informatievoorziening aan zijn cliënt te wensen over liet. De raad heeft geoordeeld dat de maatregel van voorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening voor de duur van zes weken, met een proeftijd van twee jaar, in deze passend en geboden is. 

6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klager

Klachtonderdeel a) 6.1    Juridisch ondermaats presteren werd niet uitgediept en daardoor is klager zeer ernstig geschaad. Verweerder had geen enkele plausibele verklaring waarom hij de stukken (grieven) zo laat, c.q. niet heeft ingebracht, terwijl een advocaat alles zou moeten kunnen onderbouwen en weerleggen. Hier is geen sprake van. Klager wil bewijzen dat verweerder onder zware druk stond en zijn oren heeft laten hangen naar een criminele organisatie. Daarnaast kan klager bewijzen dat verweerder informatie opzettelijk heeft gelekt naar criminelen. 

Klachtonderdeel c) 6.2    Verweerder heeft alles aan zijn laars gelapt, als strafrechtadvocaat word je niet geacht ‘kampers’ aan te pakken. Het betreft zeer zware misdadigers die – kort gezegd – advocaten intimideren. Overigens is klager opdrachtgever die – in overleg met de Duitse autoriteiten – de strategie bepaalt. Verweerder heeft zich er makkelijk vanaf gemaakt en is niet de confrontatie aangegaan om de gedaagden veroordeeld te krijgen. De Duitse justitie heeft klager gevraagd om alle betrokkenen opnieuw te onderwerpen aan een getuigenverhoor onder ede bij de rechter-commissaris. 

Klachtonderdeel d) 6.3    Op de website staat duidelijk vermeld dat er een interne klachtenregeling is en dat men, indien men ontevreden is, zich kan wenden tot verweerder, die tevens als klachtenfunctionaris fungeert. Verder is daarin vermeld de ontvangst van de klachtbrief schriftelijk wordt bevestigd waarbij klagers desgewenst worden uitgenodigd om de klacht mondeling toe te lichten De door klager ingediende klacht werd niet serieus genomen. Klager heeft nimmer contact gehad met de klachtenfunctionaris en dat is in strijd met de interne klachtenregeling.  

Beroepsgronden verweerder

6.4    Het beroep van verweerder richt zich tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel b) en tegen de opgelegde maatregel van voorwaardelijke schorsing.

Grief 1 6.5    Verweerder heeft klager van alle relevante informatie voorzien. Dat is met name in de persoonlijke en telefonische contacten met klager geweest, doch er is hieromtrent ook door verweerder gecorrespondeerd met klager. Verweerder begrijpt dat het aan hem als advocaat en ‘professional’ is om het een en ander adequaat schriftelijk vast te leggen. Verweerder heeft in eerste aanleg geen kopieën van de relevante correspondentie kunnen overleggen. Het kantoor van verweerder kent een werkwijze waarbij rolinformatie steeds per brief aan de cliënt wordt doorgestuurd. Op dit moment is een specialist ingeschakeld om via de back-up van de kantoorsystemen deze verzonden correspondentie te achterhalen. Zodra deze correspondentie achterhaald is, zal deze worden nagezonden en ingebracht in de procedure.

6.6    Voordat de bijstand werd neergelegd, had klager reeds zelf aangegeven bijstand elders te willen zoeken. Juist om te bewerkstelligen dat zijn belangen niet geschaad zouden worden, is er op  initiatief van verweerder overleg geweest om de eventuele overdracht wel op ordentelijke wijze te laten plaatsvinden. Er was oog voor de belangen van klager en het eindigen van de rechtsbijstand heeft verweerder op een zorgvuldige wijze willen doen. Verweerder heeft klager gevraagd om overleg om dit op ordentelijke wijze te doen. Verweerder heeft oog gehad voor de belangen van klager. Uiteraard wilde verweerder niet dat de belangen van klager geschaad werden. 

6.7    Achteraf gezien had verweerder het zorgvuldiger kunnen doen. Verweerder heeft toen de afweging gemaakt om in de correspondentie wat beknopter te zijn, daar hij eerder het één en ander uitgebreid had toegelicht. Het gegeven dat verweerder begrepen had dat klager directeur is geweest van een advocatenkantoor, heeft daarin meegespeeld. Verweerder achtte klager op basis hiervan bekend met de gevolgen van het beëindigen van de rechtsbijstand.   6.8    Verweerder zou dit thans anders doen, hij zou thans uitgebreider zijn in zijn correspondentie. Verweerder heeft hier zeker lering uit getrokken. Dat de correspondentie summier is, betekent echter nog niet dat daarmee het één en ander ook in tuchtrechtelijke zin onvoldoende is volgens verweerder. 

6.9    Terugkijkend had de vaststellingsovereenkomst  met die inhoud niet aan klager moeten worden aangeboden, aldus verweerder. Klager had in eerdere e-mails het vertrouwen in verweerder opgezegd, hem aansprakelijk gesteld en vervolgens toch weer om zijn bijstand verzocht. Verweerder meende dat het mogelijk moest zijn om afspraken te maken om de betrekkingen te normaliseren. Onder dreiging van tuchtrechtelijke maatregelen komt zijn professionele vrijheid in het geding, aldus verweerder. Verweerder heeft nadien over de vaststellingsovereenkomst overleg met de deken gehad en zij begreep zijn wens om hier afspraken over te maken, maar vond dat verweerder zich kon beperken tot de beperkte omvang van de ingediende grieven. Verweerder deelt dat standpunt grotendeels, behalve dat verweerder meent dat hij niet voor een beperkt deel een vertrouwensband kan hebben en voor het overige een juridisch geschil met zijn cliënt. Er is sprake van een vertrouwensbreuk of niet. De overweging van de raad dat verweerder zijn eigen belang heeft laten prevaleren, klager voor het blok heeft gezet en dat het schier onmogelijk voor klager was om bijstand elders te vinden, deelt verweerder niet volledig. Er zijn 18.000 advocaten in Nederland en verweerder heeft moeite zich voor te stellen dat klager geen andere advocaat kon vinden. Verweerder beoogde juist het belang van klager te dienen maar hij wenste daar dan wel afspraken over te maken. 

Grief II Strafmaat 6.10     Verweerder begrijpt dat als iemand hardleers (b)lijkt te zijn, straffen zwaarder kunnen worden. Verweerder kan voor zichzelf zeggen dat hij niet hardleers is. De raad lijkt er geen rekening mee te hebben gehouden dat de feiten die in deze zaak aan de orde zijn, zich hebben afgespeeld lang voordat de tuchtzaak waarin de waarschuwing werd opgelegd bij de tuchtrechter diende. De afgelopen periode is het secretariaat op het kantoor én op de schop gegaan én versterkt. Er is inzicht dat het anders moet. Het gaat inmiddels ook veel beter. Er is thans nog betere ondersteuning op kantoor. Er wordt nog beter gelet op het adequaat corresponderen met de clientèle. De les is helder voor verweerder, dit gaat niet meer gebeuren. Verweerder verzoekt de klachten ongegrond te verklaren, subsidiair een lichtere maatregel op te leggen. 

Verweer klager en verweerder

6.11     Klager en verweerder hebben gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    In deze zaak gaat het om een klacht tegen de (voormalig) eigen advocaat. De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden omschreven in artikel 10a Advocatenwet. 

7.2    Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. 

7.3    De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Overwegingen hof

Klachtonderdeel a 7.4    De beroepsgrond betreffende klachtonderdeel a), ondermaats presteren, slaagt.  Zowel bij de raad als tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft verweerder verklaard dat hij de aanvullende producties die hij kort voor de zitting bij het gerechtshof  Amsterdam had ingediend, reeds bij de dagvaarding aan het hof had meegestuurd. Uit het arrest van het gerechtshof is echter gebleken dat verweerder pas twee uren voor aanvang van de mondelinge behandeling deze producties heeft ingediend. Het gerechtshof heeft deze aanvullende producties bij de beoordeling buiten beschouwing gelaten omdat de wederpartij en zijn advocaat door het late tijdstip van de indiening vrijwel geen tijd hebben gekregen van de stukken kennis te nemen, terwijl bij het indienen daarvan geen reden is gegeven waarom deze niet eerder zijn verstrekt. Daarbij heeft het gerechtshof geoordeeld dat door verweerder ter zitting geen verklaring is gegeven voor het feit dat is gewacht met indiening tot het allerlaatste moment voor de zitting en dat door verweerder verder ter zitting is toegegeven dat de stukken eerder hadden kunnen worden verkregen als eerder onderzoek was gedaan, zodat de stukken dus ook eerder hadden kunnen worden verstrekt. 

7.5    Verder is uit het onderzoek ter zitting gebleken dat verweerder klager in de veronderstelling heeft laten verkeren dat het mogelijk was dat verweerder eerst een summiere memorie van grieven bij het gerechtshof in zou dienen die in een later stadium door klager zelf zou kunnen worden aangevuld. Blijkens zijn antwoord van 17 november 2022 aan klager heeft verweerder deze veronderstelling van klager ook niet gecorrigeerd, nu daarin is aangegeven dat hij zal nadenken over het verzoek om grieven in te dienen. Ingevolge de twee-conclusieregel, die besloten ligt in artikel 347 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het later aanvullen van de grieven met nieuwe grieven immers niet mogelijk en dienen alle grieven en weren in het eerste inhoudelijke processtuk te worden opgenomen. In plaats daarvan antwoordt verweerder - de middag vóór de roldatum van 22 november 2022 - op 21 november 2022:

 “Als ik voor u een memorie van grieven zal indienen, welke u zelf later zult (laten) aanvullen heb ik geen zin meer in gedoe.” 

Het had op de weg van verweerder gelegen om klager te waarschuwen voor de werking van de twee-conclusieregel, Dat heeft hij echter nagelaten, klaarblijkelijk omdat hij niet (voldoende) van deze regel op de hoogte is.  Het uit het voorgaande blijkende gebrek aan civiele procesrechtelijke kennis rekent het hof verweerder aan.

7.6 Deze bovengenoemde verwijten zijn, afzonderlijk maar ook in onderlinge samenhang bezien, zodanig ernstig dat het hof het verwijt van juridisch ondermaats presteren gegrond acht. Daarmee heeft verweerder de kernwaarden deskundigheid op laakbare wijze geschonden. Klachtonderdeel a) zal alsnog gegrond worden verklaard. 

Klachtonderdeel b) 7.7 Verweerder heeft beroep ingesteld tegen de gegrondverklaring van dit onderdeel en aangevoerd dat hij klager van alle relevante informatie heeft voorzien. Deels is dit, zo heeft hij aangevoerd, mondeling en telefonisch gebeurd, maar er zijn ook schriftelijke vastleggingen. Ten tijde van de procedure bij de raad was het nog niet gelukt die stukken boven water te krijgen, maar in  zijn  beroepschrift heeft verweerder toegezegd alsnog kopieën van de relevante correspondentie aan het hof te overleggen. Dit heeft hij echter niet gedaan. Het hof kan derhalve niet vaststellen of verweerder klager op toereikende wijze van informatie heeft voorzien. De beroepsgrond van verweerder faalt. Het hof verenigt zich met de overwegingen van de raad op dit punt en maakt die tot de zijne.    7.8 Dit geldt ook voor de overwegingen van de raad op het punt van de wijze waarop verweerder zijn werkzaamheden voor klager heeft neergelegd. Het voor het blok zetten van klager om de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen alvorens de memorie van grieven in te dienen acht het hof ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daarenboven bevat die vaststellingsovereenkomst ook naar het oordeel van het hof buitenproportionele voorwaarden die er op wijzen dat verweerder zijn eigen belang heeft laten prevaleren boven dat van klager.  Met dit handelen heeft verweerder op ernstige wijze de kernwaarde van integriteit geschonden. 

Klachtonderdeel c) 7.9 Deze beroepsgrond faalt. Klager heeft zijn stelling dat sprake is geweest van geen, althans onvoldoende partijdigheid door druk van derden niet (voldoende) onderbouwd en is het hof ook niet gebleken.

Klachtonderdeel d) 7.10 De raad heeft klachtonderdeel d) beschouwd als het ontbreken van een adequate klachtenbehandeling van verweerder. Uit het onderzoek is het hof echter gebleken dat de klacht van klager er op ziet dat er in het geheel geen vervolg is gegeven aan zijn ingediende klacht bij het kantoor van verweerder. Verweerder heeft, nadat de klacht was ingediend op 31 oktober 2022, contact met de (door hem ingeschakelde advocaat van een ander kantoor als) klachtenfunctionaris opgenomen en eerst op 23 december 2022 de klacht doorgestuurd. Toen bleek dat klager onderhavige klacht bij de deken had ingediend, verkeerde verweerder in de veronderstelling dat daarmee de interne klachtenprocedure was geëindigd, aldus verweerder in zijn verklaring ter zitting. Desgevraagd heeft verweerder verklaard klager daarvan niet op de hoogte te hebben gebracht. Naar het oordeel van het hof heeft verweerder niet alleen de klacht veel te laat doorgestuurd naar de klachtenfunctionaris, maar ook ten onrechte klager niet geïnformeerd over het beëindigen van de klachtenprocedure. Klachtonderdeel d) zal daarom eveneens alsnog gegrond worden verklaard. 

8    MAATREGEL

8.1    De door het hof gegrond verklaarde klachtonderdelen a), b) en d) hebben betrekking op schending van de kernwaarden deskundigheid en integriteit en dat maakt het handelen van verweerder zodanig laakbaar dat het vertrouwen in de advocatuur als geheel een ernstige deuk heeft opgelopen. Het hof komt tot een verdergaande gegrondverklaring dan de raad en constateert daarenboven dat de gegrond verklaarde klachtonderdelen een samenhang vertonen, hetgeen het hof ertoe brengt de opgelegde maatregel te verzwaren. 

8.2 Met betrekking tot de onder 6.2 overweging in de beslissing van de raad dat aan klager in 2023 de maatregel van waarschuwing is opgelegd in een tuchtzaak waarin ook de informatievoorziening aan zijn cliënt te wensen overliet, merkt het hof op dat deze waarschuwing na het in deze zaak aan de orde gestelde handelen van verweerder in 2022 is opgelegd, zodat bij bepaling van de op te leggen maatregel in onderhavige zaak hiermee geen rekening wordt gehouden. 

8.3 Al met al komt het hof tot de conclusie dat de aard en ernst van het vastgestelde tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en nalaten van verweerder zodanig zijn dat een schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken op zijn plaats is. 

  9    PROCESKOSTEN

9.1    Omdat het hof eerder door de raad ongegrond verklaard delen van de klacht alsnog gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.2     Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                    a) € 50,- kosten  van klager (forfaitair);  c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; d) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

9.4     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1     vernietigt de beslissing van 6 mei 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-036/AL/GLD, voor zover klachtonderdelen a en d ongegrond zijn verklaard en aan verweerder de maatregel van voorwaardelijke schorsing is opgelegd;

en doet opnieuw recht:

10.2     verklaart klachtonderdelen a en d alsnog gegrond;

10.3     bekrachtigt de beslissing van 6 mei 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-036/AL/GLD, voor het overige;

10.4     legt aan verweerder de maatregel op van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van vier weken, met ingang van de datum van deze beslissing;  

10.5     bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 22 december 2025,  met dien verstande dat:

- deze schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;      - verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en       - deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven.

Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. J.W.M. Tromp en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Land-Smorenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2025.  

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 1 december 2025.