Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:250

Zaaknummer

25-290/AL/NN

Inhoudsindicatie

Raadbeslissing. Klacht tegen (voormalig) mede-advocaat. Het is voor de raad als onvoldoende betwist komen vast te staan dat verweerster geen opdracht heeft gekregen om hoger beroep in te stellen en evenmin al werkzaamheden in de zaak had verricht. Dit betekent dat de raad ervan uit moet gaan dat verweerster ten onrechte toevoegingen heeft aangevraagd en vervolgens bij klager ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op de opvolgingspunten. Ook had van verweerster in redelijkheid verwacht mogen worden dat zij op verzoek van klager haar medewerking had verleend aan het terugdraaien van de mutaties van de toevoegingen. Klacht deels gegrond. Berisping.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 24 november 2025 in de zaak 25-290/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:

klager

 

over

verweerster 

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 6 februari 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 30 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN014/2305046 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 september 2025. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van verweerster van 14 augustus 2025.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    De heer A. werd in zijn asielprocedure bijgestaan door verweerster. Op 11 februari 2021 heeft in deze procedure een zitting plaatsgevonden. 

2.2    Op vrijdag 19 februari 2021 om 16:22 uur heeft de rechtbank Haarlem negatief beslist in de asielzaak van A.

2.3    Klager heeft op 19 februari 2021 om 18:30 uur aan verweerster in een e-mail laten weten dat A. hem heeft verzocht om de behandeling van de asielprocedure van verweerster over te nemen. Ook heeft hij haar gevraagd om de uitspraak van die dag toe te sturen, zodat hij daartegen hoger beroep kon indienen.

2.4    Verweerster heeft op 19 februari 2021 rond 20:00 uur bij de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: RvR) twee toevoegingen aangevraagd ten behoeve van A. Zij heeft klager en A. daar op dat moment niet over geïnformeerd.

2.5    Op maandag 22 februari 2021 heeft klager de uitspraak van verweerster ontvangen.

2.6    Op 3 maart 2021 heeft verweerster in haar e-mail aan klager geschreven:“Heeft u nog rechtsmiddelen voor betrokkene aangewend? Met het hoger beroep en de vovo was ik reeds bezig gegaan en in verband daarmee een toevoeging aangevraagd. De toevoegingen zijn nog niet afgegeven, maar zal ik na verstrekking aan u overdragen.”

2.7    Klager heeft in zijn e-mail van 4 maart 2021 gereageerd dat hij namens A. rechtsmiddelen heeft ingesteld en toevoegingen heeft aangevraagd, omdat verweerster niet eerder had aangegeven dat zij dat al had gedaan en ook al werkzaamheden had verricht.

2.8    Op 11 maart 2021 heeft verweerster klager gemeld dat de RvR na telefonisch overleg heeft meegedeeld dat zij de aan haar verleende toevoegingen aan klager moest overdragen. Verder heeft zij nog geschreven dat zij concreet met A. had afgesproken dat zij voor hem rechtsmiddelen zou aanwenden en dat zij na dit gesprek direct daarmee bezig is gegaan.

2.9    De aan verweerster verleende toevoegingen zijn gemuteerd op naam van klager. Aan A. is daarna door de RvR tweemaal een eigen bijdrage van € 208,- opgelegd.

2.10    Op 21 april 2021 en herhaald op 6 en 10 mei 2021 heeft verweerster klager verzocht om de haar toekomende opvolgingsvergoeding – 3 of 4 punten afhankelijk van de samenhang – over te maken. Zij stelde dat zij met het hoger beroepschrift al bijna klaar was en er vier uur aan had besteed.

2.11    Op 12 mei 2021 heeft klager verweerster verzocht om haar urenspecificatie toe te sturen. Daarop heeft verweerster dezelfde dag het volgende geantwoord:“Het was voor uw email, die bovendien na kantoortijd kwam en ook nadat ik definitief met A. had afgesproken hoger beroep en vovo aan te tekenen. Dat ik rechtsmiddelen zou aanwenden had ik al voor de uitspraak van de rechtbank afgesproken. Hoe u plotseling in beeld kwam, weet ik niet. Laat staan dat u zonder kennis van stukken/uitspraak dossier overnam. Evt. als u niet wilt verrekenen, moet kwestie door deken worden beslecht. Mutatie toevoeging was na overleg RvR.”

2.12    Hierop heeft klager op 17 mei 2021 als volgt gereageerd:“(…) Uit navraag bij de rechtbank Haarlem is mij gebleken dat de uitspraak in deze zaak dateert van 19 februari 2021 te 16.22 uur, terwijl ik u dezelfde dag om 18.30 erover heb geïnformeerd dat cliënt mij had verzocht om daar hoger beroep tegen in te stellen.  Uitdrukkelijk daarnaar gevraagd stelt u in uw email van 12 mei jl. dat u vóór deze email van mij al 4 uur aan het opstellen van een beroepschrift met een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening had besteed. Omdat tussen de uitspraak en mijn email echter maar 2 uur heeft gezeten kan dit dus helemaal niet. (…) Deze toevoegingen zijn door u echter volkomen ten onrechte aangevraagd en u heeft daarmee een volstrekt onnodige kostenpost gecreëerd van € 408,00. Uw verrekeningsvoorstellen zijn dan ook niet akkoord. Mijn tegenvoorstel is dat u dit alsnog recht gaat zetten bij de Raad voor Rechtsbijstand. De toevoegingen heb ik vanzelfsprekend nog niet afgedeclareerd.”

2.13    Verweerster heeft daarop klager op 17 mei 2021 het volgende in haar e-mail geschreven:“Met betrokkene heb ik wel degelijk afspraken over het hoger beroep gemaakt. Dat deed ik direct na de zitting omdat ik op de negatieve uitspraak kon anticiperen, en ook na de uitspraak. Redenen om hieraan te twijfelen heb ik nooit gehad. Aan het hoger beroepschrift, incl. voorlopige voorzieningen, ben ik op de late vrijdagmiddag en het begin van de avond van 19-02 bezig geweest. Ik maakte vaart met het oog op een eventuele inbewaringstelling. Met bemoeienis van een andere advocaat heb ik tot dan geen moment rekening hoeven te houden. Uw email las ik later op de avond. (…) Er valt m.i. niets recht te zetten.”

2.14    Verweerster heeft op 28 juni 2021 verzocht om bemiddeling door de deken. Na een mislukte bemiddeling heeft verweerster op 18 juli 2023 een klacht tegen klager ingediend. 

2.15    Klager heeft op 6 februari 2024 onderhavige klacht tegen verweerster ingediend. Bij e-mail van 27 februari 2024 heeft de deken aan klager bericht dat zijn klacht zal worden aangehouden en nog niet doorgestuurd naar verweerster in afwachting van de beoordeling door de raad van de klacht van verweerster.

2.16    Bij beslissing van 26 augustus 2024 heeft de raad de klacht van verweerster ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld.

2.17    Klager heeft op 6 september 2024 bij verweerster geïnformeerd of zij inmiddels alsnog bereid was medewerking te verlenen aan het terugdraaien van de mutaties van de toevoegingen. Klager heeft de deken op 4 oktober 2024 laten weten dat hij zijn klacht doorzet, omdat hij geen reactie van verweerster heeft ontvangen.

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door zonder opdracht toevoegingen te hebben aangevraagd, beweerdelijk werkzaamheden te hebben verricht, aanspraak te maken op opvolgingspunten, leugenachtig te verklaren en te weigeren de zaak bij de Raad voor Rechtsbijstand recht te zetten. Toelichting Medio februari 2021 heeft A. klager verzocht om de behandeling van zijn asielzaak over te nemen van verweerster, omdat hij ontevreden over haar was. Na de uitspraak van de rechtbank op 19 februari 2021 heeft klager om 18:30 uur verweerster een e-mail gezonden waarin hij heeft aangegeven dat hij de behandeling van de asielprocedure overneemt. Verweerster heeft op vrijdagavond rond 20:00 uur toevoegingen aangevraagd. Zij was dus kennelijk op dat moment aan het werk, terwijl zij stelt dat zij de e-mail van klager vanwege het late tijdstip niet meer gelezen zou hebben. Er is helemaal geen sprake van overname of opvolging, omdat A. verweerster nooit opdracht heeft gegeven om hoger beroep voor hem in te stellen. Verweerster heeft haar verhaal daarover gedurende het debat met klager diverse keren aangepast. De ene keer heeft zij beweerd dat zij het hoger beroep zou instellen toen zij de uitspraak van de rechtbank aan hem meedeelde, de andere keer heeft zij beweerd dat zij al bij aanvang van de procedure had afgesproken dat zij hoger beroep zou instellen, dan weer beweert zij dat zij zich hoe dan ook vrij achtte om hoger beroep n te stellen en weer een andere keer heeft zij gesteld dat klager niet zonder haar toestemming het hoger beroep had mogen overnemen en dat zij dat zelfs had kunnen weigeren. Verweerster heeft zeker gesteld dat deze toevoegingen zouden moeten worden gemuteerd door zonder enig overleg dit af te kaarten met de RvR om op die manier een voldongen feit te creëren. De heer A. heeft daardoor twee eigen bijdragen opgelegd gekregen die hij niet kan betalen maar die wel op de vergoedingen van klager in mindering worden gebracht, terwijl verweerster uitbetaling van opvolgingsvergoedingen verlangt die de RvR niet verschuldigd is. Zij kan dit eenvoudig rechtzetten bij de RvR, door te laten weten dat zij ermee instemt dat de mutaties van de toevoegingen worden teruggedraaid. Verweerster blijft echter ten onrechte weigeren dit te doen.

 

4    VERWEER 

4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

 

5    BEOORDELING

De beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht 

5.1    Verweerster heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangevoerd dat de klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat klager niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen door haar handelen of nalaten. Klager is advocaat en klaagt namens zichzelf. Alleen de cliënt van klager zou als belanghebbende bij deze klacht kunnen worden aangemerkt. 

5.2    De vraag die voorligt is of klager voldoende eigen en rechtstreeks belang heeft bij zijn klacht. Uitgangspunt is namelijk dat het in de Advocatenwet voorziene recht om een klacht in te dienen tegen een advocaat niet aan eenieder toekomt, maar slechts aan degene die door het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd rechtstreeks in zijn belang is of kan worden getroffen. 

5.3    De raad is van oordeel dat heeft klager voldoende  eigen en rechtstreeks (financieel) belang heeft bij de klacht, nu hij als opvolgend advocaat direct betrokken is bij de zaak waar de klacht betrekking op heeft en daarmee ook bij de vraag of en hoe een toevoeging wordt verleend.

5.4    Verweerster heeft aangevoerd dat de klacht anders niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze niet tijdig is ingediend. De gewraakte gedraging dateert van 19 februari 2021. Op 6 februari 2024 is de klacht bij de deken ingediend, maar deze is door de deken destijds uitsluitend aan klager bevestigd. Verweerster werd pas op 6 oktober 2024 van de klacht op de hoogte gesteld en dat is na het verstrijken van de driejaarstermijn van 46g van de Advocatenwet. Een klacht is pas definitief ingediend als deze ook aan de verweerder kenbaar is gemaakt.

5.5    Verweerster kan niet worden gevolgd in deze uitleg van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet. Ingevolge dit artikel moet de klacht binnen drie jaar bij de deken zijn ingediend. Wat daarna met de klacht gebeurt is niet ter zake doende voor de beoordeling van de ontvankelijkheid in verband met de driejaarstermijn. Nu de deken de klacht op 6 februari 2024 heeft ontvangen, is de klacht binnen drie jaar en dus tijdig ingediend.

5.6    De raad verwerpt het primaire verweer van verweerster dat de klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Klager kan in zijn klacht worden ontvangen.

Inhoudelijke beoordeling van de klacht

5.7    Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven norm, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Het optreden van verweerster dient aan de hand van deze maatstaf beoordeeld te worden.

5.8    Klager heeft gesteld dat A. verweerster nooit opdracht heeft gegeven om hoger beroep in te stellen of een voorlopige voorzieningen aan te vragen, waardoor zij ten onrechte toevoegingen heeft aangevraagd en aanspraak heeft gemaakt op opvolgingspunten. Verweerster heeft dit nadrukkelijk betwist, maar de raad constateert dat zij geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij wel een opdracht van A. heeft gekregen om hoger beroep in te stellen. Evenmin heeft verweerster op enigerlei wijze aangetoond dat zij daadwerkelijk al werkzaamheden had verricht ten behoeve van een hoger beroep of een voorlopige voorziening, waardoor zij aanspraak kon maken op opvolgingspunten. Zo heeft verweerster geen opdrachtbevestiging, geen reeds opgestelde (concept-) processtukken en geen urenspecificatie overgelegd. Dat deze stukken, zoals door verweerster ter zitting verklaard, in de Cloud verloren zouden zijn gegaan, acht de raad zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk. Ook is het gelet op de tijdstippen van de diverse e-mails van klager en verweerster niet waarschijnlijk dat zij al processtukken had opgesteld en toevoegingen had aangevraagd voordat zij kennisnam van de e-mail waarin klager heeft meegedeeld de zaak van haar over te nemen. Voor de raad is verder van belang dat verweerster blijkens het dossier verschillende, tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de wijze waarop de opdracht aan haar om hoger beroep in te stellen tot stand is gekomen. Gelet op het voorgaande is het voor de raad als onvoldoende betwist komen vast te staan dat verweerster geen opdracht heeft gekregen om hoger beroep in te stellen en evenmin al werkzaamheden in de zaak had verricht. Dit betekent dat de raad ervan uit moet gaan dat verweerster ten onrechte toevoegingen heeft aangevraagd en vervolgens bij klager ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op de opvolgingspunten. De raad is van oordeel dat verweerster hiermee niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. In zoverre is de klacht gegrond.

5.9    Ten aanzien van het verwijt van klager dat verweerster ten onrechte is blijven weigeren de zaak bij de RvR recht te zetten, stelt de raad voorop dat een goede beroepsuitoefening binnen de advocatuur is gediend met een onderlinge verhouding tussen advocaten die berust op vertrouwen en welwillendheid. Daarom worden advocaten geacht zich te onthouden van al wat hun onderlinge verhouding kan verstoren. Dit betekent ook dat de advocaat voortvarendheid dient te betrachten bij de afwikkeling van financiële aangelegenheden die hen beiden aangaan. De raad is van oordeel dat van verweerster in redelijkheid verwacht had mogen worden dat zij op verzoek van klager haar medewerking had verleend aan het terugdraaien van de mutaties van de toevoegingen. Verweerster kan niet worden gevolgd in haar verweer tijdens de zitting dat zij hiertoe niet de mogelijkheid had. Nu verweerster heeft geweigerd haar medewerking te verlenen, heeft zij gedragsregel 24 geschonden en dit valt haar naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk te verwijten. Ook in zoverre is de klacht gegrond.

5.10    De raad is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verweerster leugenachtige verklaringen heeft afgelegd. De klacht zal in zoverre ongegrond worden verklaard. De raad neemt zoals in 5.8 is overwogen op grond van de gebrekkige betwisting door verweerster aan dat zij geen opdracht heeft gekregen van haar cliënt om in hoger beroep te gaan, maar dat dit voor haar risico komt betekent niet dat ook zonder meer vaststaat dat verweerster leugenachtige verklaringen heeft afgelegd. 

 

6    MAATREGEL 

6.1    De klacht is grotendeels gegrond. Verweerster heeft door haar handelen onder meer de kernwaarde (financiële) integriteit geschonden. De schending van deze kernwaarde maakt het handelen van verweerster laakbaar. Daarom is de maatregel van berisping passend en geboden.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klager, b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 

7.4    Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart de klacht ongegrond voor zover deze betrekking heeft op het verwijt dat verweerster leugenachtig heeft verklaard; -    verklaart de klacht voor het overige gegrond; -    legt aan verweerster de maatregel van berisping op; -    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; -    veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. S.M. Bosch-Koopmans en N.A. Heidanus, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.   

Griffier    Voorzitter

 

Verzonden op : 24 november 2025