Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

28-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:243

Zaaknummer

250312

Inhoudsindicatie

Beklag tegen de beslissing van de deken om geen advocaat aan te wijzen ongegrond.  Het hof stelt vast dat aan klaagster een advocaat is aangewezen bij beslissing van de deken van 30 juli 2025. Uit dit cassatieadvies volgt dat een cassatieprocedure geen redelijke kans van slagen heeft. De deken heeft klaagster er reeds in de aanwijzingsbeslissing op gewezen dat in deze zaak slecht éénmaal een advocaat wordt aangewezen, behoudens bijzondere omstandigheden. De deken mocht om die reden het tweede aanwijzingsverzoek van klaagster afwijzen. De omstandigheid dat klaagster het niet eens is met het procesadvies van de aan haar toegewezen advocaat brengt niet mee dat een andere advocaat moet worden aangewezen door de deken.

Uitspraak

Beslissing van 28 november 2025 in de zaak 250312      naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

    klaagster     

tegen:     

de deken

 

 

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken 1.1    Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 8 september 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat aan klaagster voor dezelfde kwestie al eerder een advocaat is aangewezen. Nu klaagster feitelijk eenzelfde aanwijzingsverzoek doet, heeft de deken dat afgewezen. 

Bij het hof 1.3    Klaagster heeft op 10 september 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier: -    het verweer van de deken -    de repliek -    de dupliek

1.5    Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier. 

 

2    FEITEN

2.1    Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.2    Op 1 september 2025 heeft klaagster de deken verzocht om het aanwijzen van een advocaat voor het instellen van cassatie tegen de uitspraak van 1 juli 2025 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (hierna: ‘de uitspraak’).  

2.3    De deken heeft op dit verzoek een afwijzingsbeslissing gegeven op 8 september 2025 omdat de deken bij beslissing van 30 juli 2025 reeds een advocaat (mr. H, cassatieadvocaat te Den Haag) had aangewezen voor het verstrekken van een cassatieadvies met betrekking tot dezelfde uitspraak alsook om, in het geval van een positief advies, cassatie in te stellen.

2.4    Op 21 augustus 2025 heeft mr. H een uitvoerig gemotiveerd cassatieadvies verstrekt aan klaagster. Mr. H heeft geconcludeerd dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om met een redelijke kans van slagen cassatie in te stellen tegen de uitspraak.  

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag 3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat het negatieve advies van mr. H te restrictief is en het niet aan de deken is om te bepalen of aan klaagster wel of niet opnieuw een advocaat wordt aangewezen. Verder voert klaagster aan dat aan haar een toevoeging is afgegeven voor de door klaagster gewenste second opinion. Het verstrekte cassatieadvies is ook niet volledig omdat de inhoud van haar e-mail van 21 augustus 2025 daarin niet is meegenomen. Klaagster acht om meerdere redenen een cassatieberoep wel kansrijk. 

3.2    Klaagster stelt belang te hebben bij instellen van cassatie zodat zij daarna een procedure kan starten bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en om haar recht te behouden op vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 

Verweer 3.3    De deken heeft aangevoerd dat aan klaagster een uitvoerig cassatieadvies is uitgebracht op  21 augustus 2025 dat mr. H samen met zijn kantoorgenoot mr. V heeft opgesteld. Mr. H heeft een negatief cassatieadvies aan klaagster gegeven. In het advies is door mr. H benoemd dat een bespreking van het cassatieadvies mogelijk is. Klaagster heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Het aanwijzingsverzoek van klaagster van 1 september 2025 is een hernieuwd aanwijzingsverzoek in dezelfde zaak. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat opnieuw aan klaagster een advocaat dient te worden aangewezen. Als de nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput kan klaagster nog steeds een procedure aanhangig maken bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien  de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft. 

4.2    Het hof stelt vast dat aan klaagster een advocaat (mr. H. te Den Haag) is aangewezen bij beslissing van de deken van 30 juli 2025. Mr. H heeft samen met zijn kantoorgenoot mr. V (beiden cassatieadvocaten) een uitvoerig cassatieadvies opgesteld waarin de informatie die klaagster op 1 augustus 2025 en 21 augustus 2025 heeft toegestuurd is verwerkt. Uit dit cassatieadvies volgt dat een cassatieprocedure geen redelijke kans van slagen heeft. Het feit dat het cassatieadvies is opgesteld door twee advocaten laat onverlet dat het als één advies heeft te gelden. 

4.3    De deken heeft klaagster er reeds in de aanwijzingsbeslissing van 30 juli 2025 op gewezen dat in deze zaak slecht éénmaal een advocaat wordt aangewezen, behoudens bijzondere omstandigheden. De deken mocht om die reden het tweede aanwijzingsverzoek van klaagster afwijzen temeer nu het advies van de eerst aangewezen advocaat goed gemotiveerd en onderbouwd is (zie HvD 16 augustus 2024 ECLI:NL:TAHVD:2024:218). De omstandigheid dat klaagster het niet eens is met het procesadvies van de aan haar toegewezen advocaat brengt niet mee dat een andere advocaat moet worden aangewezen door de deken (zie HvD 17 september 2012, ECLI:NL:TAHVD:2012:YA3483).

4.4    Klaagster voert nog aan dat de Raad voor Rechtsbijstand een toevoeging heeft afgegeven voor een second opinion over het instellen van cassatie. Het stuk waarnaar klaagster verwijst, betreft niet de afgifte van een daartoe strekkende toevoeging. Door een medewerker van de Raad voor Rechtsbijstand is uitsluitend bericht aan klaagster dat een toevoeging voor een second opinion kan worden afgegeven als daarom wordt verzocht. Uit de stukken blijkt niet of klaagster dat heeft gedaan.  Mocht klaagster een toevoeging voor een second opinion hebben aangevraagd en gekregen, ligt er allereerst een eigen verantwoordelijkheid bij klaagster om een advocaat te vinden. 

4.5    De omstandigheid dat klaagster een procedure wil starten bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en een vergoeding wil vorderen wegens overschrijding van de redelijke termijn vormen  ten slotte geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de deken opnieuw een advocaat had behoren aan te wijzen om een cassatieprocedure aanhangig te maken. 

4.6    De slotsom is dat de deken gegronde redenen had om niet nogmaals een advocaat voor het instellen van cassatie aan te wijzen. Daarom zal het hof het beklag ongegrond verklaren.   

 

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 8 september 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 28 november 2025