Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:256
Zaaknummer
25-429/AL/NN
Inhoudsindicatie
Raadbeslissing. Klacht tegen advocaat wederpartij. Verweerster heeft haar geheimhoudingsplicht geschonden door bij de rechtbank een gespreksverslag van de praktijkondersteuner van de huisarts over te leggen, waarin door de cliënte van verweerster de houding en het gedrag van klager tijdens de mediation zijn beschreven. Het voert echter onder de door verweerster aangevoerde omstandigheden te ver om haar dit tuchtrechtelijk te verwijten. Klacht in beide onderdelen ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 24 november 2025 in de zaak 25-429/AL/NN naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 INLEIDING
1.1 Klager beklaagt zich erover dat verweerster de geheimhoudingsplicht heeft geschonden door informatie over de tussen partijen gevoerde mediation in te brengen in de familierechtelijke procedure. Verweerster heeft naar voren gebracht dat de door haar ingediende gespreksverslagen van de Praktijk Ondersteuner Huisarts Geestelijke Gezondheidszorg (POH-GGZ) inderdaad passages over de mediation bevatten, maar dat het stuk niet was ingediend met het doel om daar uitlatingen over te doen en dat zij direct het stuk heeft ingetrokken toen zij erop was gewezen door de advocaat van klager.
1.2 De raad zal eerst het verloop van de procedure, de feiten waarop deze beslissing is gebaseerd, en de klacht op een rij zetten. Daarna zal de raad een oordeel geven over de klacht.
2 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
2.1 Op 18 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
2.2 Op 27 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2024 KNN147/2395868 van de deken ontvangen.
2.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 19 september 2025. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 2.2 genoemde klachtdossier.
3 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
3.1 Klager was met zijn ex-partner verwikkeld in een familierechtelijke procedure aangaande hun zoon, waarin verweerster de ex-partner van klager heeft bijgestaan.
3.2 Klager en zijn ex-partner hebben eerst geprobeerd hun geschillen op te lossen door middel van mediation.
3.3 Bij brief van 30 september 2024 heeft verweerster in de procedure een aantal aanvullende producties ingediend. Productie 27 bestond uit de gespreksverslagen van een zestal gesprekken van de cliënte van verweerster met haar POH-GGZ. Verweerster heeft in haar brief erbij vermeld dat uit deze productie de traumatische ervaringen van haar cliënte blijken.
3.4 In één van deze overgelegde gespreksverslagen heeft de POH-GGZ onder meer het volgende vermeld:
“(…) Patiënt vertelt dat het steeds slechter wordt. Ze wordt zich er steeds meer bewust van dat haar ex-partner haar niet alleen mentaal maar ook fysiek mishandeld heeft. Ze is hier niet eerlijk over geweest naar zichzelf. Dit maakt haar verdrietig en zorgt voor schuldgevoelens. Tijdens de mediation ging haar ex in de deuropening staan, kwam met zijn hoofd erg dichtbij en spuugde hij terwijl hij zei dat ze erlangs mocht. Patiënt voelde toen hoe bedreigend hij kan doen en tijdens de relatie kan doen. In het dagelijks leven wordt ze belemmerd door de stem van haar ex die in haar hoofd zit. Ook als ze op haar werk een uur lang te horen krijgt dat ze het erg goed doet, overheerst zijn kritiek in haar hoofd. Het kost haar een week om dit wat te verminderen en positieve feedback te geloven. Haar ex heeft zich misdragen tijdens de mediation hij is gaan schelden. De mediator heeft hem een tijdje naar buiten gestuurd om kalm te worden daarnaast gaf de mediator haar als advies dat ze haar zoon kan uitleggen dat ze verhuisd is omdat haar zoon (griffier: bedoeld zal zijn haar ex) naar tegen haar deed. (…)”
3.5 Op 8 oktober 2024 om 18:23 uur heeft de advocaat van klager aan verweerster in een e mail erop gewezen dat in productie 27 diverse informatie over de door partijen gevoerde mediation te lezen is en dat dit niet is toegestaan. Hij heeft verweerster dringend verzocht per omgaande de productie in te trekken bij de rechtbank. Verder heeft hij meegedeeld dat zijn cliënt overweegt een klacht tegen verweerster in te dienen.
3.6 Verweerster heeft op dezelfde dag om 18:40 uur als volgt gereageerd:
“(…) Ik zal bijlage nummer 27 intrekken bij de Rechtbank. Het stuk is niet ingediend met als doel om over de mediation te berichten, maar om aan te geven dat cliënte hulpverlening heeft van de POH GGZ, als gevolg van de relatie van partijen. Zoals ook blijkt uit de omschrijving in de brief naar de Rechtbank. Het is nimmer mijn doel of die van cliënte geweest om iets over de mediation naar buiten te brengen, het zijn uitlatingen van mijn cliënte naar haar hulpverleenster welke zijn opgenomen in de verslaglegging van de hulpverleenster en waarvan het verslag integraal is overgelegd. Hoe dan ook, ik zal het stuk intrekken. U ontvangt zo dadelijk daarvan een bericht van mij.”
3.7 Verweerster heeft vervolgens op dezelfde dag om 18:47 uur een F9-formulier bij de rechtbank ingediend waarin zij heeft verzocht om bijlage 27 buiten beschouwing te laten.
3.8 Na een telefoongesprek tussen verweerster en de advocaat van klager waarin de klacht aan de orde is gekomen, heeft de advocaat van klager verweerster bij e-mail van 9 oktober 2024 het volgende bericht:
“Ik heb zoals verzocht met cliënt gesproken over het feit dat u duidelijkheid wenst over of cliënt wel of niet een klacht gaat indienen tegen u, omdat u, zo begreep ik het, indien dat het geval is u voornemens bent zich te onttrekken. Dit heeft als mogelijk gevolg dat de rechtbank de zitting morgen zal gaan uitstellen. Cliënt heeft bij mij aangegeven dat hij zich hierdoor onder druk gezet voelt.
Cliënt heeft verder aangegeven dat hij op dit moment nog niet zeker weet of hij een klacht gaat indienen tegen u. Hij wil hier nog verder over nadenken. Cliënt heeft bij mij aangegeven dat het verder aan u is om ten aanzien van de procedure hierover uw eigen afweging te maken.”
3.9 Verweerster heeft op dezelfde dag in haar e-mail als volgt gereageerd:
“Uw interpretatie is onjuist. Ik heb verzocht om duidelijkheid te verschaffen, zodat ik mij kan beraden (en overleg kan plegen) of het in het belang van cliënte is dat ik haar nog langer bijsta. Ik heb op geen enkele manier uw cliënt onder druk gezet, maar alleen gevraagd of hij inmiddels deze duidelijkheid kan verschaffen.”
3.10 Verweerster heeft zich teruggetrokken als advocaat van de ex-partner van klager. De mondelinge behandeling van de zaak heeft de volgende dag plaatsgevonden, waarna de rechtbank een eindbeslissing heeft gewezen.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) vrijwillig vertrouwelijke informatie uit mediation te delen met de rechtbank;
Toelichting
In de overgelegde gespreksverslagen stonden uitspraken over het gedrag van klager tijdens de mediation en specifieke opmerkingen van de mediator. Ondanks dat verweerster aan de advocaat van klager heeft aangegeven dat het niet de bedoeling van haar of haar cliënte is geweest om vertrouwelijke informatie te delen, heeft zij dit toch gedaan. Er waren alternatieven voorhanden, zoals het weglaten van de vertrouwelijke informatie uit het gespreksverslag.
b) ongepaste druk uit te oefenen door te besluiten zich terug te trekken toen verweerster hoorde van het voornemen om een klacht in te dienen.
Toelichting
Het besluit zich terug te trekken creëerde ongepaste druk en had de potentie om de zaak te vertragen, nu deze actie slechts een dag voor de zitting plaatsvond.
5 VERWEER
5.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
6 BEOORDELING
Maatstaf
6.1 Deze zaak betreft een klacht over een advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. De raad zal het optreden van verweerster aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdeel a) schending geheimhoudingsverplichting
6.2 In klachtonderdeel a) wordt verweerster verweten dat zij haar geheimhoudingsverplichting heeft geschonden door een gespreksverslag van de praktijkondersteuner van de huisarts van haar cliënte over te leggen aan de rechtbank.
6.3 De raad stelt voorop dat één van de beperkingen van de onder 6.1 vermelde grote mate van vrijheid van een advocaat van een wederpartij is dat deze niet mag onthullen wat tussen de betrokken partijen in het kader van een mediation is besproken. Het is vaste jurisprudentie van het hof van discipline dat de geheimhoudingsverplichting die partijen bij mediation overeen zijn gekomen op onaanvaardbare wijze aan waarde in zou boeten als de advocaat naar eigen goeddunken, op grond van een eigen opvatting over wat het belang hiervan is voor zijn cliënt en zonder de wederpartij daarin te kennen, in de procedure gebruik zou maken van stukken uit de mediation of zich anderszins uit zou laten over het doel, de inhoud en/of de uitkomst van de mediation. De geheimhoudingsverplichting rust ook op de advocaat als deze, zoals in het geval van verweerster, niet direct bij de mediation betrokken is geweest en (dus) ook geen geheimhoudingsverklaring heeft ondertekend.
6.4 De raad stelt vast dat verweerster niet het mediationverslag heeft overgelegd, maar gespreksnotities van de POH-GGZ van de huisarts waarin onder meer is vermeld wat de cliënte van verweerster aan de POH heeft verteld over de mediation. Hoewel de betreffende passages niet over de inhoud van de mediation gaan, worden daarin wel de houding en het gedrag van klager tijdens de mediation beschreven. Naar het oordeel van de raad valt ook deze informatie onder de geheimhoudingsplicht van verweerster en had zij dit deel van het gespreksverslag niet bij de rechtbank mogen indienen.
6.5 Verweerster heeft in haar verweer naar voren gebracht dat zij het betreffende stuk heeft ingebracht in de procedure ter onderbouwing van de traumatische ervaringen van haar cliënte en het nooit de bedoeling is geweest om mededelingen te doen over de mediation. Zij heeft binnen een half uur nadat zij erop was gewezen door de advocaat van klager het betreffende stuk bij de rechtbank ingetrokken en onverwijld de Raad voor de Kinderbescherming hierover bericht. De ochtend daarna heeft verweerster bij de griffie van de rechtbank gecontroleerd of het stuk inderdaad uit het dossier was gehaald en de advocaat van klager direct hiervan telefonisch op de hoogte gesteld. In haar verweer aan de deken heeft zij haar verontschuldigingen aangeboden en aangegeven dat zij in het vervolg in soortgelijke situaties hier nog scherper op zal toezien.
6.6 Hoewel verweerster haar geheimhoudingsplicht heeft geschonden, voert het onder deze omstandigheden naar het oordeel van de raad te ver om haar dit tuchtrechtelijk te verwijten. Klachtonderdeel a) zal om die reden ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel b) ongeoorloofde druk uitoefenen
6.7 In klachtonderdeel b) wordt verweerster verweten dat zij ongepaste druk op klager heeft uitgeoefend door te besluiten zich terug te trekken toen zij hoorde dat klager overwoog een klacht tegen haar in te dienen.
6.8 Verweerster heeft in haar verweer benadrukt dat zij op geen enkele manier de wederpartij onder druk heeft gezet. Voorafgaand aan de e-mail van de advocaat van klager van 9 oktober 2024 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de advocaat van klager en verweerster. Hierin is onder meer gesproken over de e-mail van de advocaat van klager waarin werd gedreigd met indiening van een klacht tegen verweerster. Verweerster heeft in dit telefoongesprek laten weten dat zij de kwestie al had voorgelegd aan de deken. Na het telefoongesprek ontving verweerster de e-mail van de advocaat van klager waarin is vermeld dat klager zich onder druk gezet voelde. Verweerster heeft dit direct weerlegd in haar reactie hierop. De cliënte van verweerster heeft er uiteindelijk zelf voor gekozen om zonder verweerster verder te gaan in de procedure, die overigens op geen enkele wijze vertraging heeft opgelopen.
6.9 Gelet op dit verweer is voor de raad niet komen vast te staan dat verweerster ongeoorloofde druk heeft uitgeoefend op klager. Haar cliënte heeft besloten niet meer van haar diensten gebruik te maken, waardoor verweerster zich moest onttrekken. Dit is verweerster niet aan te rekenen. Nu niet valt in te zien welk tuchtrechtelijk verwijt verweerster in dezen kan worden gemaakt, zal klachtonderdeel b) ongegrond worden verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart beide klachtonderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. S.M. Bosch-Koopmans en M.H. Pluymen, leden, bijgestaan door mr. W.E. Markus-Burger als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 24 november 2025
