Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:255

Zaaknummer

25-398/AL/MN

Inhoudsindicatie

Verweerster is als advocaat-scheidingsmediator opgetreden in de echtscheiding van klaagster en haar ex-echtgenoot. De raad concludeert op grond van de mediationovereenkomst dat verweerster voor klaagster en haar ex-partner als advocaat - en dus niet in een andere hoedanigheid - heeft opgetreden. De raad beschouwt verweerster daarom als de (voormalige) eigen advocaat van klaagster en de raad zal bij de beoordeling van het handelen van verweerster de maatstaf van de eigen advocaat hanteren. De raad verklaart vervolgens de klacht over het handelen van verweerster ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 24 november 2025 in de zaak 25-398/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerster  gemachtigde: [naam]

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 5 december 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2    Op 17 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2393017 van de deken ontvangen. 

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 oktober 2025. Daarbij waren klaagster en verweerster met haar gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van klaagster met bijlagen van 9 september 2025. Van de met die e-mail gestuurde pleitnotities heeft de raad niet kennisgenomen. Deze zijn niet aan het klachtdossier toegevoegd.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Verweerster is als advocaat-scheidingsmediator opgetreden in de echtscheiding van klaagster en haar ex-echtgenoot. 

2.2    De eerste mediationbijeenkomst heeft plaatsgevonden op 14 mei 2024 en ter gelegenheid daarvan is de mediationovereenkomst getekend. 

2.3    Vervolgens hebben er in de periode van 27 mei 2024 tot en met 27 september 2024 nog vier mediationbijeenkomsten plaatsgevonden. 

2.4    Na de vijfde mediationbijeenkomst hebben klaagster en haar ex-partner overeenstemming bereikt over een aantal wijzigingen in het ouderschapsplan. 

2.5    Verweerster heeft bij e-mail van 30 september 2024 het gewijzigde ouderschapsplan voor ondertekening aan de partijen gestuurd en heeft daarbij ook aangegeven na te willen denken over het vervolg van de mediation. 

2.6    Na de ondertekening van het ouderschapsplan, heeft klaagster de mediation op 16 oktober 2024 beëindigd. 

2.7    In een e-mail van 23 oktober 2024 heeft verweerster aan partijen aangeboden om afzonderlijk met haar te overleggen over de voortzetting van de mediation. Daar is geen gebruik van gemaakt. 

2.8    Verweerster heeft op 6 juni, 9 juli, 2 augustus, 9 september, 8 oktober en 13 november 2024 een declaratie aan partijen gestuurd.

2.9    Op 25 oktober 2024 heeft klaagster bij het kantoor van verweerster een klacht ingediend. In een e-mail van 22 november 2024 heeft de klachtfunctionaris van het kantoor geoordeeld dat de klacht van klaagster ongegrond is.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    alle omstandigheden in aanmerking genomen geen redelijk honorarium in rekening te brengen, dan wel excessief te declareren; 

b)    haar zaak niet zorgvuldig te behandelen. 

 

4    VERWEER 

Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Maatstaf   

5.1    De raad zal eerst de vraag beantwoorden welke maatstaf bij de beoordeling van de klacht zal worden toegepast. Namens verweerster is betoogd dat zij in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, namelijk die van mediator, heeft opgetreden en dat daarom pas sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als door dat handelen het vertrouwen in de advocaat is geschaad. 

5.2    De raad overweegt hierover als volgt. Verweerster heeft voor aanvang van de mediation een mediationovereenkomst opgesteld, die vervolgens door klaagster en haar voormalige partner is ondertekend. Die overeenkomst luidt, voor zover relevant, als volgt:

De vFas-advocaat familiemediator, [verweerster], in deze optredend als vFas-advocaat-scheidingsmediator (…). Zij is gebonden aan de Gedragsregels die de vFas heeft vastgesteld voor de vFas-advocaat familiemediator.  

De vFAS-advocaat-scheidingsmediator heeft de verantwoordelijkheden zoals die staan omschreven in de Gedragsregels, en ook die welke voortvloeien uit de art. 7:400 tot en met 413 BW, behoudens voor zover daarvan in deze overeenkomst of de Gedragsregels wordt afgeweken.  

De partijen hebben welbewust gekozen voor een vFAS-advocaat (tevens scheidingsmediator). De informatie die de partners aan de scheidingsmediator ter kennis brengen wordt hem dan ook uitsluitend ter kennis gebracht in zijn hoedanigheid van advocaat. Aldus rekenen partijen op geheimhouding van hetgeen zij ter kennis van de advocaat (tevens scheidingsmediator) brengen en vertrouwen zij erop dat hij zich in voorkomende gevallen zal en kan beroepen op het verschoningsrecht dat hem op grond van art. 165 lid 2 aanhef en onder b Rv. toekomt.  

De partijen zijn er van op de hoogte dat scheidingsmediation een vorm van familiemediation is, die zich van andere mediations onderscheidt doordat de advocaat-scheidingsmediator hen ook van juridische informatie voorziet en, indien van toepassing, de procedure afwikkelt.  

Al hetgeen tijdens de mediation door de partijen wordt medegedeeld is vertrouwelijk en geldt als aan de vFAS-advocaat (tevens scheídingsmediator) en aan elkaar toevertrouwd.   

5.3    De raad concludeert op grond van deze overeenkomt dat verweerster voor klaagster en haar ex-partner als advocaat - en dus niet in een andere hoedanigheid - heeft opgetreden. De raad beschouwt verweerster daarom als de (voormalige) eigen advocaat van klaagster en de raad zal bij de beoordeling van het handelen van verweerster de maatstaf van de eigen advocaat hanteren.

5.4    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van verweerster. Er is sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

Klachtonderdeel a)

5.5    Klaagster klaagt over de hoogte van de declaraties van verweerster. De raad stelt voorop dat de tuchtrechter niet bevoegd is om declaratiegeschillen tussen cliënten en hun advocaten te beslechten. Daar is deze klachtprocedure ook niet voor bedoeld. De tuchtrechter waakt wel voor excessief declareren. Of daarvan sprake is hangt af van de omstandigheden van het geval. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt kan worden.

5.6    In dit geval is de raad van oordeel dat van excessief declareren niet is gebleken. Klaagster heeft niet betwist dat verweerster de door haar gedeclareerde werkzaamheden heeft verricht. Verder geven de stukken in het klachtdossier en de door verweerster gegeven toelichting (over de complexiteit van de mediation, de opstelling van de beide partijen en de noodzaak van de door haar gemaakte uren) geen aanleiding om vraagtekens te zetten bij het aantal uren die verweerster aan deze zaak heeft besteed. De raad begrijpt wel dat klaagster het gedeclareerde bedrag fors vindt, mede gelet op wat de mediation voor haar heeft opgeleverd. Dat enkele feit maakt echter niet dat er sprake is van excessief declareren. Dat is niet vast komen te staan. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster is dan ook geen sprake. Klachtonderdeel a) wordt daarom ongegrond verklaard. 

Klachtonderdeel b)

5.7    Klaagster verwijt verweerster dat zij haar zaak niet zorgvuldig heeft behandeld. Klaagster heeft (onder meer) aangevoerd dat zij zich niet gehoord heeft gevoeld, dat verweerster haar ex-partner in de gesprekken te veel ruimte heeft gegeven en dat zij een onjuist voorstel heeft gedaan over de financiële afwikkeling van de scheiding. 

5.8    Verweerster heeft uitgebreid en onder verwijzing naar stukken, waaronder de verslagen van de vijf mediationgesprekken, toegelicht hoe de mediation is verlopen en wat haar rol daarbij is geweest. Op grond van die stukken is niet gebleken dat verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld. De mediation heeft naar het oordeel van de raad op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden en overeenkomstig de vooraf door partijen afgesproken en vastgelegde regels. Beide partijen hebben voldoende de gelegenheid gehad om schriftelijk en in de verschillende gesprekken hun standpunten naar voren te brengen. De raad ziet geen aanwijzingen dat verweerster te veel ruimte gaf aan de ex-partner van klaagster. Ook was er voor verweerster geen aanleiding om de mediation beëindigen, zoals door klaagster is betoogd. Als klaagster zich niet meer kon vinden in de manier waarop de mediation verliep, had zij immers zelf met de mediation kunnen stoppen, wat zij uiteindelijk ook heeft gedaan. Ten slotte is op grond van het klachtdossier ook niet gebleken dat verweerster inhoudelijk onjuiste (financiële) voorstellen heeft gedaan tijdens de mediation. Die stelling van klaagster is onvoldoende onderbouwd. 

5.9    Op grond van het voorgaande komt de raad tot de conclusie dat niet vast is komen te staan dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat betekent dat ook klachtonderdeel b) ongegrond wordt verklaard. 

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. N.C. Milani en J.G. Molenaar, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op  24 november 2025.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op : 24 november 2025