Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:254
Zaaknummer
25-363/AL/GLD
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. De raad heeft geoordeeld dat verweerder heeft opgetreden tegen klaagster, die hij in dezelfde procedure als advocaat heeft bijgestaan. Het optreden tegen een (voormalig) cliënte is in strijd met gedragsregel 15 en raakt aan de kernwaarden onafhankelijkheid en partijdigheid. Gelet op de aard en de ernst van dit handelen, en de beperkte mate waarin verweerder zich daarvan bewust lijkt, is de raad van oordeel dat de oplegging van een berisping passend en geboden is.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 24 november 2025 in de zaak 25-363/AL/GLD naar aanleiding van de klacht van:
klaagster gemachtigde: mr. K.W.A. Wools
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 26 november 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 3 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24/142 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 oktober 2025. Daarbij waren klaagster met haar gemachtigde en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 In een echtscheidingsprocedure tussen klaagster en haar ex-partner F. heeft verweerder als advocaat voor F. opgetreden.
2.2 Op 29 juli 2024 heeft verweerder een brief aan klaagster gestuurd. Die brief luidt, voor zover relevant, als volgt: Ik begreep van cliënte dat zij hier recentelijk met u over heeft gesproken en dat u heeft meegedeeld dat u ook wenst dat het komt tot een echtscheiding. In die situatie kan het komen tot het indienen va neen gezamenlijk verzoek en dan wordt de zaak bij de Rechtbank ‘afgedaan’ zonder zitting. Voordat ik een dergelijk verzoek kan indienen, dien ik u wel kort te spreken. (…) Ik attendeer u erop dat er ook voor u enige kosten aan verbonden zijn, in ieder geval die van het griffiegeld (te voldoen aan de Rechtbank) en een beperkte bijdrage in de kosten van mijn bijstand (de hoogte daarvan is afhankelijk van uw inkomen.
2.3 Op 28 augustus 2024 heeft verweerder nog een brief aan klaagster gestuurd. Die brief luidt, voor zover relevant als volgt:
Het doel van een gesprek is dat u samen komt tot het maken van afspraken (…) en dat dat wordt vastgelegd in een convenant. U zult dus samen in gesprek moeten gaan, in mijn bijzijn. Reden waarom ik geen afzonderlijk gesprek met u zal aangaan: ik vind het wel prima om met, voorafgaande aan het gesprek, een kort telefonisch contact te hebben. (…) Wat betreft kosten: er is griffiegeld verschuldigd aan de Rechtbank en u zult ook (afhankelijk van uw inkomen) een vergoeding moeten voldoen voor mijn werkzaamheden.
2.4 Op 11 september 2024 heeft verweerder voor klaagster een toevoeging aangevraagd.
2.5 Op 13 september 2024 heeft verweerder aan klaagster een factuur voor de eigen bijdrage in deze procedure gezonden. Daarnaast heeft verweerder in een e-mail van 13 september 2024 aan klaagster bevestigd dat hij een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank zal gaan indienen.
2.6 In een e-mail van 16 oktober 2024 heeft klaagster aan verweerder geschreven dat de gemeenschappelijke echtscheiding is mislukt.
2.7 Op 23 oktober 2024 heeft verweerder eenzijdig, namens zijn cliënte F., een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank.
2.8 Op 14 november 2024 heeft de gemachtigde van klaagster namens klaagster een klacht ingediend bij het kantoor van verweerder over het handelen van verweerder. 2.9 Op 26 november 2024 heeft klaagster een klacht tegen verweerder ingediend bij de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) de belangen van klaagster onvoldoende te hebben behartigd;
b) in strijd met de kernwaarde partijdigheid en in strijd met gedragsregel 15 lid 2 te hebben gehandeld.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 De tuchtrechter moet bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing betrekt de tuchtrechter de kernwaarden zoals omschreven in art. 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.2 Een advocaat mag in het algemeen niet optreden tegen een voormalige cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Ook mag een advocaat niet tegelijkertijd voor meer dan één partij optreden in een zaak waarin deze partijen een tegengesteld belang hebben. Deze norm, als uitvloeisel van de kernwaarde partijdigheid, is verwoord in gedragsregel 15. De advocaat mag zich niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. Daarnaast moet de cliënt er ten volle op kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit al voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat. Wanneer aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c is voldaan (niet dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren) behoeft een advocaat aan zijn vroegere cliënt geen voorafgaande instemming als bedoeld in lid 4 te vragen. In twijfelgevallen dient de advocaat af te zien van het optreden in kwestie. Of een advocaat in een bepaald geval tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door op te treden tegen een voormalige cliënt moet worden beoordeeld aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval en wordt uiteindelijk getoetst aan artikel 46 Advocatenwet.
5.3 De raad stelt op grond van de feiten de volgende gang van zaken vast. Klaagster en haar ex-partner F. hebben een echtscheidingsprocedure gevoerd. In eerste instantie heeft verweerder in die procedure (alleen) F. bijgestaan. Vervolgens heeft verweerder een toevoeging voor klaagster aangevraagd en heeft verweerder een factuur voor de eigen bijdrage aan klaagster gestuurd. Uit die handelingen leidt de raad af dat verweerder vanaf dat moment ook klaagster als zijn cliënte is gaan bijstaan. Dat volgt ook uit de inhoud van de hierboven genoemde e-mails van verweerder aan klaagster.
5.4 Verweerder heeft hierover betoogd dat hij aan klaagster heeft uitgelegd dat hij alleen voor F. optrad, maar dat hij een gemeenschappelijk verzoek zou kunnen indienen als de partijen het eens zouden worden over de woning. Volgens verweerder had hij dit voorbehoud gemaakt en aan klaagster uitgelegd dat hij de advocaat van alleen F. zou blijven als zij er op dit punt niet uit zouden komen. De raad is van oordeel dat deze stelling van verweerder over het door hem gemaakte voorbehoud – die overigens niet wordt bevestigd door klaagster of door stukken in het klachtdossier – de conclusie van de raad niet anders maakt. Uit de vastgestelde gang van zaken kan niet anders worden geconcludeerd dan dat ook klaagster de cliënte van verweerder was in deze procedure.
5.5 Tussen klaagster en F. is er op enig moment een verschil van inzicht ontstaan over een belangrijk punt in de procedure. De belangen van partijen liepen vanaf dat moment (en misschien ook al eerder) uiteen. Verweerder had op dat moment van zowel klaagster als F. afscheid moeten nemen. Verweerder heeft dat echter niet gedaan. Hij is vanaf dat moment alleen voor F. gaan optreden en (dus) tegen klaagster .Verweerder heeft daarmee in strijd met gedragsregel 15 gehandeld. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. De klacht worden daarom gegrond verklaard.
6 MAATREGEL
De raad heeft geoordeeld dat verweerder heeft opgetreden tegen klaagster, die hij in dezelfde procedure als advocaat heeft bijgestaan. Het optreden tegen een (voormalig) cliënte is in strijd met gedragsregel 15 en raakt aan de kernwaarden onafhankelijkheid en partijdigheid. Gelet op de aard en de ernst van dit handelen, en de beperkte mate waarin verweerder zich daarvan bewust lijkt, is de raad van oordeel dat de oplegging van een berisping passend en geboden is.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline: - verklaart de klacht gegrond; - legt aan verweerder de maatregel van berisping op; - veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; - veroordeelt [verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; - veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. N.C. Milani en J.G. Molenaar, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 24 november 2025
