Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:253

Zaaknummer

25-335/AL/A

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. De raad heeft geoordeeld dat verweerder heeft opgetreden tegen klaagster, die eerder in een ander zaak door de kantoorgenoot van verweerder is bijgestaan. Het optreden tegen een (voormalig) cliënte is in strijd met gedragsregel 15 en raakt aan de kernwaarden onafhankelijkheid en partijdigheid. Gelet op de aard en de ernst van dit handelen, is de raad van oordeel dat de oplegging van een berisping passend en geboden is. Daarbij weegt de raad ook mee dat verweerder is doorgegaan met het behartigen van tegenstrijdige belangen, ook nadat klaagster hem verzocht heeft dat niet te doen.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 24 november 2025 in de zaak 25-335/AL/A naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over

verweerder  gemachtigde: mr. S. Knijnenburg

 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 28 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 20 mei 2025 heeft de raad van discipline in het ressort Amsterdam het klachtdossier met kenmerk 2449464/JS/YH van de deken ontvangen. In een beslissing van 28 mei 2025 heeft de voorzitter van het hof van discipline voor de behandeling van deze klacht de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden aangewezen.

1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 oktober 2025. Daarbij waren klaagster, verweerder en de gemachtigde van verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de e-mail van verweerder van 10 september 2025 en de e-mail van klaagster van 11 september 2025.

 

2    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1    Klaagster is in 2019 in een arbeidsgeschil met haar (toenmalige) werkgever bijgestaan door een voormalig kantoorgenoot van verweerder. 

2.2    Verweerder heeft vanaf 2024 de (nieuwe) werkgever van klaagster bijgestaan in een ontslagzaak (om bedrijfseconomische redenen) tegen klaagster.

 

3    KLACHT

3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a)    op te treden voor haar werkgever, terwijl een advocaat van het kantoor van verweerder in het verleden de belangen van klaagster heeft behartigd; 

b)    het geschil niet doelmatig te hebben benaderd door geen schikking voor te stellen; 

c)    in de procedure bij het UWV onjuiste informatie aan te leveren;

d)    zijn cliënt onjuiste adviezen te geven.

 

4    VERWEER 

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5    BEOORDELING

Klachtonderdeel a)

5.1    Een advocaat mag in het algemeen niet optreden tegen een voormalige cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Deze norm, als uitvloeisel van de kernwaarde partijdigheid, is verwoord in gedragsregel 15. De advocaat mag zich niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. Daarnaast moet de cliënt er ten volle op kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit al voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat. Wanneer aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c is voldaan (niet dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren) hoeft een advocaat aan zijn vroegere cliënt geen voorafgaande instemming als bedoeld in lid 4 te vragen. In twijfelgevallen dient de advocaat af te zien van het optreden in kwestie. Of een advocaat in een bepaald geval tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door op te treden tegen een voormalige cliënt moet worden beoordeeld aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval en wordt uiteindelijk getoetst aan artikel 46 Advocatenwet.

5.2    De raad stelt allereerst vast dat een (voormalig) kantoorgenoot van verweerder eerder is opgetreden voor klaagster. Deze kantoorgenoot heeft het kantoor van verweerder per 1 maart 2023 verlaten. Klaagster is dus een voormalige cliënte van het kantoor van verweerder. Ook staat vast dat daarna verweerder tegen klaagster heeft opgetreden. Dat wordt door verweerder ook erkend. Op grond van gedragsregel 15 is dat niet toegestaan, behalve als aan de in gedragsregel 15 lid 3 opgesomde voorwaarden is voldaan. Verweerder heeft bepleit dat in deze zaak aan die voorwaarden is voldaan. De raad volgt verweerder daar niet in en overweegt daarover het volgende.

5.3    De zaak waarin de kantoorgenoot van verweerder voor klaagster is opgetreden, is niet dezelfde zaak als de zaak waarin verweerder tegen klaagster is opgetreden. Er is daarom voldaan aan de eerste van de hierboven genoemde voorwaarden. Er zijn tussen deze twee zaken echter wel belangrijke overeenkomsten. Het zijn immers beide arbeidsrechtelijke zaken, waarin klaagster bezwaar heeft gemaakt tegen de beëindiging van haar dienstverband. Deze overeenkomsten tussen de zaken zijn mede van belang bij de beantwoording van de vraag of aan de andere twee voorwaarden is voldaan. 

5.4    Ten aanzien van de tweede voorwaarde (geen vertrouwelijke informatie) heeft verweerder verklaard dat hij - nadat hij er op was gewezen dat klaagster een oud-cliënte van zijn kantoor is geweest - er achter kwam dat er van de oude zaak nog een digitaal dossier op zijn kantoor beschikbaar was. Verweerder heeft dat dossier ook ingezien. De raad is gelet op die omstandigheid van oordeel dat aan de tweede voorwaarde van gedragsregel 15 lid 3 niet is voldaan. Dat klaagster niet heeft aangegeven over welke concrete vertrouwelijke informatie verweerder heeft kunnen beschikken, maakt dat niet anders. Mede door de hierboven genoemde overeenkomsten tussen de oude en de nieuwe zaak is naar het oordeel van de raad in voldoende mate gebleken dat verweerder beschikte over vertrouwelijke informatie afkomstig van klaagster, dan wel over informatie over klaagster die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak tegen klaagster. 

5.5    De raad is op grond van de hierboven genoemde omstandigheden van oordeel dat de door klaagster gemaakte bezwaren tegen het optreden van verweerder in deze zaak redelijk zijn en dat dus ook aan de derde voorwaarde niet is voldaan. De raad overweegt daarbij dat verweerder zelf had kunnen vaststellen dat er redelijke bezwaren zouden zijn tegen zijn optreden in deze zaak, maar dat hij van dat optreden zeker had moeten afzien nadat klaagster haar bezwaren daarover kenbaar had gemaakt. Verweerder heeft zich echter niet teruggetrokken en is in deze zaak blijven optreden.

5.6    De raad is van oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet, zoals in het bijzonder is uitgewerkt in gedragsregel 15. De raad zal dit klachtonderdeel daarom gegrond verklaren.

Klachtonderdelen b) c) en d)

5.7    Deze klachtonderdelen zien op het optreden van verweerder in diens hoedanigheid van advocaat van de wederpartij. Uitgangspunt is dat aan de advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid, die mede voortvloeit uit de kernwaarde partijdigheid als bedoeld in artikel 10a Advocatenwet, mag niet ten gunste van een tegenpartij worden beknot, tenzij diens belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Deze vrijheid vindt haar begrenzing in de plicht van de advocaat zich te onthouden van (feitelijke) stellingen waarvan hij de onjuistheid kent of redelijkerwijs kan kennen. De ratio van deze beperking van bedoelde vrijheid van de advocaat is, dat de rechter en de wederpartij door de onware feiten niet worden misleid. Daarbij moet wel in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. Daarnaast mag een advocaat zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij van zijn cliënt. 

5.8    Do raad is van oordeel dat klaagster deze klachtonderdelen - tegenover de betwisting daarvan door verweerder - onvoldoende heeft onderbouwd. In het klachtdossier bevinden zich geen stukken die de verwijten van klaagster bevestigen. De juistheid van deze door klaagster gemaakte verwijten is daarom niet vast komen te staan. Het voorgaande betekent dat deze klachtonderdelen ongegrond worden verklaard.

 

6    MAATREGEL 

6.1    De raad heeft geoordeeld dat verweerder heeft opgetreden tegen klaagster, die eerder in een ander zaak door de kantoorgenoot van verweerder is bijgestaan. Het optreden tegen een (voormalig) cliënte is in strijd met gedragsregel 15 en raakt aan de kernwaarden onafhankelijkheid en partijdigheid. Gelet op de aard en de ernst van dit handelen, is de raad van oordeel dat de oplegging van een berisping passend en geboden is. Daarbij weegt de raad ook mee dat verweerder is doorgegaan met het behartigen van tegenstrijdige belangen, ook nadat klaagster hem verzocht heeft dat niet te doen.

 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2    Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a)    € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,

b)    € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c)    € 500,- kosten van de Staat.

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 

7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline: -    verklaart klachtonderdeel a) gegrond; -    verklaart klachtonderdelen b), c) en d) ongegrond; -    legt aan verweerder de maatregel van berisping van op; -    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster; -    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;  -    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. N.C. Milani en J.G. Molenaar, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op  24 november 2025.

Griffier    Voorzitter

  Verzonden op : 24 november 2025