Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRARL:2025:252
Zaaknummer
25-333/AL/MN
Inhoudsindicatie
Klacht over eigen advocaat. Klager verwijt verweerster (onder meer) dat zij niet (voldoende) heeft aangegeven dat de declaratie veel hoger zou uitvallen dan zij had begroot. De raad verwijst naar gedragsregel 17 en het arrest van het Hof van Justitie van Uit het klachtdossier volgt dat verweerster klager verschillende keren (telefonisch en schriftelijk) duidelijk heeft gewaarschuwd voor de oplopende kosten. Meer in het bijzonder heeft verweerster gewaarschuwd dat de advocaatkosten niet in verhouding staan tot de inhoud en het belang van de verzoeken van klager, heeft ze uitgelegd waarom de zaak duurder wordt als er instanties bij zijn betrokken en heeft ze een uitgebreide waarschuwing gegeven voor hoge kosten in het geval van een scheiding waarbij over alles wordt gediscussieerd. Ook heeft verweerster uitgelegd dat de kosten mede afhankelijk zijn van het aantal en de duur van de contactmomenten, maar ook van de medewerking van klager en zijn houding in de richting van verweerster. De raad merkt daarbij op dat het beter was geweest als verweerster - nadat het voor haar duidelijk werd dat haar declaratie hoger zou worden dan de oorspronkelijk schatting - een nieuwe en actuele (schriftelijke) raming had gemaakt van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig was om deze procedure af te ronden. De raad is echter - ondanks deze kanttekening - van oordeel dat verweerster klager voldoende en overeenkomstig gedragsregel 17 op de hoogte heeft gebracht dat de declaratie hoger zou worden dan haar oorspronkelijk schatting.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 24 november 2025 in de zaak 25-333/AL/MN naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster gemachtigde: mr. E.R. Jonker
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 25 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 20 mei 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2390740 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 6 oktober 2025. Daarbij waren klager, verweerster en de gemachtigde van verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerster heeft klager bijgestaan in een familierechtelijke procedure.
2.2 In een brief van 9 oktober 2023 heeft verweerster de opdracht aan klager bevestigd.
2.3 Op 9 oktober 2023 heeft verweerster een voorschotnota aan klager gestuurd en daarna maandelijks in de periode van oktober 2023 tot en met november 2024 een declaratie met urenspecificatie voor de door haar verrichte werkzaamheden gestuurd.
2.4 Verweerster heeft op verschillende momenten in een e-mail met klager gecorrespondeerd over de financiële afspraken, het oplopen van de kosten en de noodzaak om relevante informatie stukken te verstrekken.
2.5 In een e-mail van 25 november 2024 heeft verweerster aan klager laten weten dat zij de opdracht neerlegt, nadat klager vraagtekens heeft gezet bij de facturen.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) hem niet (tijdig) op de hoogte te stellen van het feit dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan de aanvankelijk opgegeven schatting;
b) haar declaratie niet transparant in te richten;
c) alle omstandigheden in aanmerking genomen geen redelijk honorarium in rekening te brengen, dan wel excessief te declareren;
d) zijn zaak onvoldoende zorgvuldig te behandelen.
4 VERWEER
Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 De tuchtrechter moet bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.
5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Klachtonderdelen a), b) en c)
5.4 Bij de beoordeling van deze klachtonderdelen is in het bijzonder gedragsregel 17 van belang. Die gedragsregel bepaalt dat - zakelijk weergeven - een advocaat een redelijk honorarium in rekening moet brengen en vooraf transparant moet zijn over zijn honorarium, de kosten en de wijze van declareren. Daardoor zal de advocaat veelal een inschatting moeten geven van de te verwachten tijdsbesteding en het totaal aan kosten (honorarium). Zodra de advocaat voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan de aanvankelijk aan de cliënt opgegeven schatting, stelt hij zijn cliënt daarvan op de hoogte.
5.5 Ook neemt de raad het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023, ECLI:EU:2023:14 in aanmerking. In dat arrest heeft het Hof van Justitie - kort gezegd - geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Verder is in dat arrest overwogen dat een advocaat, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.
5.6 De raad stelt op grond van het klachtdossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast. Verweerster heeft in haar opdrachtbevestiging de financiële afspraken vastgelegd, waaronder de afstand van gefinancierde rechtsbijstand, het uurtarief en betaling van een voorschot van € 2.000,-. Ook heeft verweerster aangegeven dat het op voorhand erg lastig is om in te schatten hoeveel kosten de zaak met zich mee zal brengen, omdat de kosten afhankelijk zijn van onder andere de hoeveelheid van hun contact, de reactie en actiesnelheid van de wederpartij, maar ook van het aantal kwesties waarover tussen partijen onenigheid bestaat. In het eerste gesprek tussen klager en verweerster heeft verweerster het totaal aan kosten geschat op een bedrag van € 6.000 tot € 9.000.
5.7 Uiteindelijk is er veel meer in rekening gebracht. In totaal bijna €20.000.-. Klager verwijt verweerster dat zij niet (voldoende) heeft aangegeven dat de declaratie veel hoger zou uitvallen dan zij had begroot. De raad volgt klager niet in dit verwijt. Uit het klachtdossier volgt dat verweerster klager verschillende keren (telefonisch en schriftelijk) duidelijk heeft gewaarschuwd voor de oplopende kosten. Meer in het bijzonder heeft verweerster gewaarschuwd dat de advocaatkosten niet in verhouding staan tot de inhoud en het belang van de verzoeken van klager, heeft ze uitgelegd waarom de zaak duurder wordt als er instanties bij zijn betrokken en heeft ze een uitgebreide waarschuwing gegeven voor hoge kosten in het geval van een scheiding waarbij over alles wordt gediscussieerd. Ook heeft verweerster uitgelegd dat de kosten mede afhankelijk zijn van het aantal en de duur van de contactmomenten, maar ook van de medewerking van klager en zijn houding in de richting van verweerster.
5.8 De raad merkt daarbij op dat het beter was geweest als verweerster - nadat het voor haar duidelijk werd dat haar declaratie hoger zou worden dan de oorspronkelijk schatting - een nieuwe en actuele (schriftelijke) raming had gemaakt van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig was om deze procedure af te ronden. De raad is echter - ondanks deze kanttekening - van oordeel dat verweerster klager voldoende en overeenkomstig gedragsregel 17 op de hoogte heeft gebracht dat de declaratie hoger zou worden dan haar oorspronkelijk schatting.
5.9 Klager verwijt verweerster ook dat zij haar declaraties niet transparant heeft ingericht. Gedragsregel 17 lid 4 bepaalt dat een advocaat zijn declaratie aldus moet inrichten dat de cliënt eenvoudig kan vaststellen hoeveel wordt gerekend voor honorarium, verschotten en omzetbelasting en in hoeverre voorschotten worden verrekend. Verder staat in die gedragsregel dat een advocaat zijn honorarium in beginsel periodiek declareert en deugdelijk gespecificeerd onder opgave van tarief en tijdsbesteding of een andere overeengekomen grondslag. De raad stelt vast dat verweerster overeenkomstig deze bepaling maandelijks een declaratie aan klager heeft gestuurd. Ook inhoudelijk voldoen de declaraties aan de in deze gedragsregel genoemde eisen. Anders dan klager heeft betoogd, zijn de door verweerster gebruikte beschrijvingen van haar werkzaamheden gebruikelijk en voldoende specifiek. Bovendien heeft verweerster op het eerste verzoek van klager een nadere toelichting op deze gedeclareerde werkzaamheden gegeven.
5.10 Klager klaagt ten slotte over de hoogte van de declaraties. Ter zake de hoogte van de declaraties beperkt de tuchtrechter zich tot een marginale toets, in die zin dat niet beoordeeld wordt of de declaratie juist is, maar of er sprake is van excessief declareren. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt. De raad begrijpt dat klager het gedeclareerde bedrag fors vindt, zeker gezien de oorspronkelijk door verweerster gemaakte schatting. De raad is echter van oordeel dat op grond van de overgelegde declaraties en urenspecificaties niet is gebleken dat er sprake is van een wanverhouding tussen de verrichte werkzaamheden en het aantal in rekening gebrachte uren.
5.11 De raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat de klachtonderdelen a), b) en c) ongegrond zijn.
Klachtonderdeel d)
5.12 Klager stelt dat verweerster zijn zaak onvoldoende zorgvuldig heeft behandeld. Gelet op de onderbouwing van dit klachtonderdeel is klager in het bijzonder van mening dat de procedure onnodig lang heeft geduurd en dat verweerster sneller en efficiënter had kunnen werken. Verweerster heeft dit verwijt betwist en zij heeft uitgelegd door welke omstandigheden het lang heeft geduurd voordat deze zaak op zitting kwam. Die omstandigheden zijn haar niet aan te rekenen. De raad is van oordeel dat niet is gebleken dat het handelen of nalaten van verweerster de oorzaak is geweest van de door klager gestelde vertragingen. De raad acht bovendien van belang dat verweerster steeds alle (proces)stukken en correspondentie in concept aan klager heeft voorgelegd, alvorens zij deze heeft ingediend bij de rechtbank of heeft verzonden aan de wederpartij. Klager heeft op dat moment nooit geklaagd of inhoudelijke opmerkingen gehad over de kwaliteit of over een gebrek aan voortvarendheid. De raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet vast is komen te staan dat verweerster onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel wordt daarom ook ongegrond verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline: - verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. N.C. Milani en J.G. Molenaar, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 24 november 2025
