Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:244
Zaaknummer
250011
Inhoudsindicatie
De voormalig accountant van verweerster heeft concept jaarstukken 2021 voor verweerster opgesteld en beklaagt zich erover dat verweerster deze stukken zonder zijn instemming aan haar opvolgend accountant als definitief heeft gepresenteerd. De raad heeft de klacht gegrond verklaard en verweerster een onvoorwaardelijke schorsing opgelegd. Het hof bekrachtigt de uitspraak van de raad.
Uitspraak
Beslissing van 28 november 2025 in de zaak 250011
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerster
tegen:
klager
1 INLEIDING
1.1 Deze zaak betreft een klacht van de voormalig accountant van verweerster. Klager heeft concept jaarstukken 2021 voor verweerster opgesteld en beklaagt zich erover dat verweerster deze stukken zonder zijn instemming aan haar opvolgend accountant als definitief heeft gepresenteerd. De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft de klacht gegrond verklaard en verweerster een onvoorwaardelijke schorsing opgelegd. Verweerster is in hoger beroep gekomen. Het door verweerster aangevoerde leidt er niet tot dat het hof anders over de klacht oordeelt. Het hof bekrachtigt de uitspraak van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline 2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-442/DB/LI) een beslissing gewezen op 9 december 2024. In deze beslissing is de klacht van klager gegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van een onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van 26 weken opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2024:168 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline 2.3 Het beroepschrift van verweerster tegen de beslissing is op 8 januari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van klager. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 3 oktober 2025. Daar is klager verschenen. Verweerster was zonder bericht afwezig.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Klager is de voormalige accountant van verweerster. Op 2 september 2022 heeft klager de jaarstukken over 2021 in concept aan verweerster toegezonden. Daarop is een watermerk ‘concept’ aangebracht. Klager heeft geen samenstellingsverklaring afgegeven voor de jaarstukken over 2021, omdat er nog onbeantwoorde vragen waren over continuïteitsvraagstukken van de onderneming van verweerster. De opdrachtrelatie tussen klager en verweerster is vervolgens beëindigd.
3.3 Verweerster heeft nadien een nieuwe accountant gevonden. Op 24 januari 2023 heeft zij de nieuwe accountant het volgende bericht:
“Bijgaand laat ik u toekomen de definitieve jaarstukken over het jaar 2020 en 2021. […]”
3.4 Op 22 juni 2023 heeft de nieuwe accountant de jaarstukken over 2022 samengesteld. Daarin is onder meer vermeld:
“De in dit rapport opgenomen vergelijkende cijfers zijn ontleend aan de jaarrekening 2021 samengesteld op 2 september 2022 door [klager].”
3.5 Op 26 juni 2023 heeft verweerster de jaarstukken over 2022 ingediend bij de Orde van Advocaten.
3.6 Op 21 juli 2023 heeft klager aan verweersters nieuwe accountant geschreven:
“In reactie op uw bericht […] breng ik, als voormalig accountant, het volgende onder uw aandacht. Volgens mij is sprake van onderstaande feiten: […] 3. De opdracht tot het samenstellen van de jaarrekeningen 2020 en 2021 is door mij niet afgerond; 4. De concept cijfers zijn door mij op 2 september 2022 naar [verweerster] verzonden; 5. De opdracht is niet afgerond omdat door mij bij de conceptcijfers 2020 en 2021 vragen zijn gesteld die naar mijn mening niet adequaat en afdoende beantwoord zijn; 6. In de jaarrekening 2022 is vermeld dat de jaarrekening 2021 (op 2 september 2022) door mij is samengesteld; 7. Dat dit niet mogelijk is gezien punt 5 hiervoor. Dit leidt tot de volgende vragen: 1. Hoe is voor u zeker dat de cijfers 2021 door mij zijn samengesteld? 2. Op welke wijze zijn deze definitieve stukken 2021 aan u gepresenteerd? […]”
3.7 Op 2 augustus 2023 heeft de nieuwe accountant gereageerd:
“Naar aanleiding van uw vragen hoe het voor mij zeker is dat de cijfers 2021 door u zijn samengesteld en op welke wijze deze definitieve stukken aan mij zijn gepresenteerd kan ik u als volgt informeren: [Verweerster] heeft ons op 24 januari 2023 medegedeeld dat de jaarstukken over 2021 definitief waren. Omdat wij de beginbalans op afloop wilden vaststellen hebben wij het definitieve rapport opgevraagd en van cliënt ontvangen. Ik verwijs u hierbij kortheidshalve naar de in de bijlage opgenomen mail waarin zij de definitieve cijfers over 2021 aanbiedt. Ik had daarbij geen reden te twijfelen aan de juistheid van de informatie van cliënt. Uit de jaarstukken 2021 die ik heb ontvangen staat op pagina 4 in de aanhef niet dat het concept cijfers betreft en de pagina’s in het aangeboden rapport zijn ook niet voorzien van een watermerk “concept”.
3.8 Op 16 augustus 2023 heeft de nieuwe accountant aan klager geschreven:
“Ik ga geen jaarstukken mailen. Als bijlage de eerste pagina’s van het rapport dat u op 2 september 2022 naar de klant heeft gestuurd. De klant heeft aangegeven dat dit de definitieve jaarstukken zijn over 2021. Nergens staat dat het concept stukken zijn.”
3.9 De nieuwe accountant heeft daarbij de eerste pagina’s van de door hem van verweerster ontvangen jaarstukken over 2021 bijgevoegd. Daarin is geen watermerk ‘concept’ aangebracht.
3.10 Op 31 december 2023 heeft verweerster zich vrijwillig van het tableau laten schrappen.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.
4.2 Verweerster wordt verweten de door klager opgestelde conceptjaarstukken 2021 van verweersters kantoor zonder medeweten en zonder toestemming van klager in het maatschappelijk verkeer te hebben gepresenteerd als definitieve cijfers die van klager afkomstig zijn. De naam van klager is daardoor verbonden aan een verantwoording die mogelijk onjuist, onzorgvuldig en misleidend is. Klager kan niet anders dan vaststellen dat verweerster zijn financieel rapport 2021 heeft aangepast en hierdoor valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Zij heeft de deken voorgelogen en misleid en daarmee de kernwaarde integriteit overtreden.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft vastgesteld dat de jaarstukken over 2021 niet definitief waren. Klager heeft daarvoor geen samenstellingsverklaring afgegeven en slechts op 2 september 2022 conceptjaarstukken gestuurd, voorzien van het watermerk ‘concept’. Verweerster heeft erkend dat zij ermee bekend was dat er geen samenstellingsverklaring is afgegeven door klager. In de stukken die de nieuwe accountant van klaagster heeft ontvangen, is het watermerk ‘concept’ echter verwijderd. De raad kan daaruit slechts concluderen dat verweerster dit watermerk heeft verwijderd. Daarmee heeft zij het doen voorkomen alsof de jaarstukken over 2021 definitief waren, terwijl zij er mee bekend was dat dit niet het geval was. Deze jaarstukken - valselijk gepresenteerd als definitief samengesteld door een accountant - zijn vervolgens verwerkt in de samengestelde jaarstukken over 2022 door de nieuwe accountant en zijn daarna door verweerster ook bij de Orde ingediend. Dat voldoet niet aan de kernwaarde (financiële) integriteit. Dat verweerster (volgens haar verweer) onvoldoende besef heeft van het (maatschappelijke) gewicht van de term ‘samengesteld’ door een accountant, pleit haar daar niet van vrij. Datzelfde geldt voor zover er uit de onderliggende cijfers geen onvolkomenheden of bijzonderheden zouden zijn voortgekomen. Het betaamt een advocaat simpelweg niet om conceptjaarstukken te presenteren als waren zij definitief.
5.2 Met betrekking tot de maatregel heeft de raad overwogen dat de handelwijze van verweerster grenst aan valsheid in geschrifte en dat zij daarmee de kernwaarde (financiële) integriteit met voeten heeft getreden. Niet alleen heeft zij daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad, maar ook het vertrouwen dat de samenleving moet kunnen hebben in door accountants opgestelde jaarrekeningen. Hoewel verweerster zich inmiddels heeft uitgeschreven als advocaat, rechtvaardigt dit een zware maatregel, waarbij de raad ook betrokken heeft dat aan verweerster eerder een maatregel is opgelegd wegens schending van de kernwaarde (financiële) integriteit (RvD ’s-Hertogenbosch 24 juni 2024, ECLI:NL:TADRSHE:2024:83). De raad heeft verweerster een onvoorwaardelijke schorsing van 26 weken opgelegd.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerster
6.1 Verweerster heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd:
1. Inhoudelijk: - Verweerster heeft het woord “definitief” gebruikt om aan te geven dat het de laatst beschikbare versie van de jaarstukken was, niet om te suggereren dat de stukken waren goedgekeurd. Gebruik van het woord “definitief” was onzorgvuldig, maar niet kwaadwillend. - Verweerster heeft de accountant en de NOvA gemeld dat de stukken nog niet formeel waren goedgekeurd. In het rapport van de NOvA wordt gesproken over “voorlopige cijfers”. - Er was geen sprake van opzet om te misleiden, maar de bedoeling om de beschikbare informatie zo goed mogelijk te presenteren. - Verweerster heeft het watermerk “concept” niet bewust verwijderd. Mogelijk is het verloren gegaan door veelvuldig kopiëren.
2. Met betrekking tot de maatregel: - De opgelegde maatregel is disproportioneel. - De omstandigheden in deze zaak zijn significant anders dan in de eerdere zaak die door de raad is meegewogen. - Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wordt verweerster te zwaar gestraft voor een situatie die mede is ontstaan door toedoen van haar accountant. Klager heeft in strijd met zijn professionele verplichtingen gehandeld.
Verweer klager 6.2 Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf 7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Overwegingen hof 7.2 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de raad en neemt die over.
7.3 Het hof voegt hieraan nog toe dat vaststaat dat de jaarstukken van 2021 niet definitief waren. Verweerster, die als advocaat ook zelf met concept-documenten in allerlei stadia zal hebben gewerkt, behoort als geen ander te weten dat wat zij noemt: “de laatst beschikbare versie van de jaarstukken” waarin bovendien diagonaal een watermerk “concept’ stond, in geen geval kan worden uitgelegd als ‘definitief’. De verklaring van verweerster dat het watermerk mogelijk door veelvuldig kopiëren verloren is gegaan, acht het hof niet geloofwaardig aangezien onweersproken is aangevoerd dat het digitale stukken betrof, die alleen bewust kunnen worden gewijzigd.
7.4 Verweerster heeft gemanipuleerd met gegevens waaraan in het maatschappelijk verkeer veel vertrouwen wordt gehecht. Ook het hof kan, net als de raad, gelet op het verdwijnen van het watermerk niet anders dan concluderen dat verweerster opzettelijk en uitsluitend met het oog op haar eigen belangen de opvolgend accountant heeft willen misleiden met onjuiste gegevens. Bovendien is verweerster ook in hoger beroep net als bij de raad, zonder bericht, niet ter zitting verschenen en heeft zij het hof ook daarmee geen handvatten gegeven om een andere dan de raad opgelegde maatregel te overwegen. Het hof acht de opgelegde maatregel passend. Het voordoen tegenover haar nieuwe accountant dat haar voormalig accountant een definitieve jaarrekening had samengesteld, door bewust het watermerk “concept” te verwijderen, is een handeling die een advocaat onwaardig is en het vertrouwen in de advocatuur ernstig beschadigt. Dit klemt te meer aangezien iedere jaarrekening uiteraard een doorwerking heeft in opvolgende jaren. De eerdere veroordeling waarnaar de raad heeft verwezen, betrof weliswaar een andersoortige casus, maar dat doet niet af aan het feit dat het ook in die zaak ging om de financiële integriteit van verweerster.
7.5 Het hof verwerpt de beroepsgronden van verweerster en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 PROCESKOSTEN
8.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerster op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021: a) € 50,- kosten van klager (forfaitair); b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten; c) € 1.000,- kosten van de Staat.
8.2 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
8.3 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
9.1 bekrachtigt de beslissing van 9 december 2024 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 24-442/DB/LI;
9.2 veroordeelt verweerster tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
9.3 veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima, R. van der Hoeven, P.J.G. van der Boom en I.P.A. van Heijst, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 28 november 2025.
