Rechtspraak
Uitspraakdatum
28-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:241
Zaaknummer
250328
Inhoudsindicatie
Hoger beroep na beslissing op verzet. De beroepsgronden van klager leveren geen grond op voor doorbreking van het appelverbod.
Uitspraak
Beslissing van 28 november 2025 in de zaak 250328
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerster
1 DE PROCEDURE
Bij de Raad van Discipline
1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 29 april 2025 van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad). In deze beslissing is de klacht van klager, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:63 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.2 Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. Bij beslissing van 29 september 2025 heeft de raad het verzet van klager ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op verzet). De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:131 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het Hof van Discipline (hierna: het hof)
1.3 Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing op verzet. Het beroepschrift van klager is op 29 september 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
1.4 Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad.
1.5 Het hof heeft de zaak in raadkamer behandeld.
2 BEROEPSGRONDEN
2.1 Het hoger beroep van klager is gericht tegen de beslissing op verzet, zo blijkt uit het beroepschrift.
2.2 Wat klager aanvoert, komt erop neer dat de voorzittersbeslissing van 29 april 2025 niet juist is. Volgens klager is bij het nemen van de beslissing een onjuiste maatstaf toegepast en berust de beslissing op onjuiste en onvolledige feiten. Klager voert daartoe aan dat verweerster gecoördineerde verklaringen in het onderliggende geding heeft ingebracht, wat onder meer blijkt uit de forensische taalanalyse die de raad volgens klager buiten beschouwing heeft gelaten, waardoor verweerster die verklaringen in dit geval eerst zelf kritisch had moeten toetsen. Verder voert klager aan dat sprake is van een keten van procesbedrog waarbij verweerster de regie had en dit faciliteerde, en dat er sprake is van schending /misbruik van procesrecht (artt. 21 en 149 Rv) door verweerster en haar cliënt en schending van kernwaarden van de advocatuur door verweerster. Klager verzoekt het hof dit in rechte vast te stellen en aan verweerster een passende disciplinaire maatregel op te leggen.
3 BEOORDELING
Wettelijk kader
3.1 Artikel 46h Advocatenwet maakt verzet mogelijk tegen een voorzittersbeslissing zoals in deze zaak. Op grond van lid 7 van dit artikel staat tegen de beslissing op verzet geen rechtsmiddel open. Dat betekent dat geen hoger beroep mogelijk is tegen een beslissing van de raad waarbij het verzet ongegrond is verklaard. Er geldt een zogenoemd appelverbod. Er kan een uitzondering op deze regel worden gemaakt, als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof doordat bij de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel (het recht op hoor en wederhoor) is geschonden. Het appelverbod kan dan worden doorbroken. Het hof zal onderzoeken of daarvan in deze zaak sprake kan zijn.
Het oordeel van het hof
3.2 Het hof stelt vast dat wat klager aanvoert betrekking heeft op de motivering van de voorzittersbeslissing van 29 april 2025, die volgens klager onjuist is, en dat klager ter onderbouwing van zijn standpunt nader ingaat op de inhoud van de onderliggende zaak. Dat is echter geen grond voor doorbreking van het appelverbod (zie HvD, 20 september 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:183). Zoals hiervoor staat, kan het appelverbod alleen worden doorbroken als de raad bij de behandeling van het verzet een fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden, waardoor de procedure bij de raad geen eerlijk proces is geweest. Klager voert niet aan dat daarvan sprake is en het hof heeft ook daarbuiten op basis van de inhoud van het dossier geen grond om aan te nemen dat fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. De stelling van klager dat (de voorzitter van) de raad geen kennis heeft genomen van de forensische taalanalyse, kan ook niet tot de conclusie leiden dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces bij de raad. Klager onderbouwt zijn stelling niet en uit de beslissing van 29 september 2025 blijkt dat de raad ook die verzetsgrond bij de beoordeling van het verzet heeft betrokken en heeft geoordeeld dat bij de beoordeling van de klacht door de voorzitter van de raad met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening is gehouden.
3.3 De conclusie is dan ook dat klager geen beroep heeft gedaan op gronden die aanleiding kunnen geven tot doorbreking van het appelverbod. Klager is daarom niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.C.A.T. Frima en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 28 november 2025.
