Rechtspraak
Uitspraakdatum
27-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:240
Zaaknummer
250384
Zaaknummer
250385
Inhoudsindicatie
Het indienen van een klacht door klager over verweerders is niet het geëigende middel om de aanpak of wijze van onderzoek door verweerders (in hun hoedanigheid van [voormalig] deken) in de procedure over de klacht over mr. P. ter discussie te stellen. Op grond van de artikelen 46j jo. 46h Advocatenwet kon klager tegen de voorzittersbeslissing van 10 november 2025 verzet instellen bij diezelfde raad en in die procedure naar voren brengen en toelichten op welke punten het dekenaal onderzoek van verweerders niet deugde of tekort is geschoten. Omdat klager het klachtrecht gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld zal de voorzitter de klacht van klager over verweerders niet verwijzen.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van het Hof van Discipline van 27 november 2025 in de zaken 250384 en 250385 naar aanleiding van de klachten van: klager gemachtigde: [naam]
verweerster 1 (250384)
en
verweerster 2 (250385)
samen te noemen: verweerders
1 HET VERZOEK
1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 6 november 2025 waarin verweerster 2 op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet als bijlagen meestuurt twee e-mailberichten van klager van 25 september 2025 en 4 november 2025.
1.2 In het e-mailbericht van 25 september 2025 dient klager een klacht in over verweerster 1 en in het e-mailbericht van 4 november 2025 dient klager een klacht in over verweerster 2.
2 DE BEOORDELING
2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een (voormalig) deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.
2.2 Uit de door klager ingediende klachten over verweerders begrijpt de voorzitter dat klager een klacht heeft ingediend over mr. P. en dat klager ontevreden is over de klachtbehandeling door verweerders in hun hoedanigheid van (voormalig) deken. Tevens meent klager dat verweerster 2 ten onrechte heeft aangegeven dat zij niet kan toetsen of klager aan zijn gemachtigde een volmacht heeft verstrekt.
2.3 Omdat uit de stukken van klager niet kon worden vastgesteld of de klacht over mr. P. inmiddels door verweerster 2 naar de Raad van Discipline Amsterdam was doorgezet voor verdere behandeling, is op 21 november 2025 door de griffie van het hof navraag gedaan bij het bureau van de Orde van Advocaten van Amsterdam.
2.4 Op 24 november 2025 heeft het bureau van de Orde van Advocaten van Amsterdam de voorzittersbeslissing van de Raad van Discipline Amsterdam opgestuurd die op 10 november 2025 is gegeven (25-530/A/A). In deze beslissing zijn vijf klachtonderdelen van klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en één klachtonderdeel kennelijk ongegrond.
2.5 Het indienen van een klacht door klager over verweerders is niet het geëigende middel om de aanpak of wijze van onderzoek door verweerders (in hun hoedanigheid van [voormalig] deken) in de procedure over de klacht over mr. P. ter discussie te stellen. Op grond van de artikelen 46j jo. 46h Advocatenwet kon klager tegen de voorzittersbeslissing van 10 november 2025 verzet instellen bij diezelfde raad en in die procedure naar voren brengen en toelichten op welke punten het dekenaal onderzoek van verweerders niet deugde of tekort is geschoten.
2.6 Omdat klager het klachtrecht gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld zal de voorzitter de klacht van klager over verweerders niet verwijzen.
3 BESLISSING
De voorzitter van het Hof van Discipline:
wijst het verzoek tot verwijzing af.
Deze beslissing is gewezen op 27 november 2025 door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter.
Plaatsvervangend voorzitter
De beslissing is verzonden op 27 november 2025.
