Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:237
Zaaknummer
240245
Inhoudsindicatie
Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de advocaat van de faillissementscurator. Klagers hebben twee klachten ingediend. Verweerster heeft volgens klagers gehandeld in strijd met de kernwaarden van de pilot van de rechtbank Gelderland, team Insolventies, locatie Zutphen. Ten tweede heeft verweerster volgens klagers ten onrechte geen inlichtingen over de pilot aan klagers verstrekt. De raad heeft klager 1 niet-ontvankelijk verklaard en de klacht in beide onderdelen ongegrond verklaard. Klagers komen hiertegen in beroep.
Uitspraak
Beslissing van 24 november 2025 in de zaak 240245
naar aanleiding van het hoger beroep van:
1. [klager 1] en 2. [klager 2] respectievelijk gevestigd te [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats]
respectievelijk klager 1 en klager 2, tezamen klagers
gemachtigde: G.F.M.G. Heutink, advocaat te Apeldoorn
tegen:
[verweerster] advocaat te [vestigingsplaats]
verweerster
gemachtigde: mr. W.A.J. Hagen, advocaat te Arnhem
1 INLEIDING
1.1 Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de advocaat van de faillissementscurator. Klagers hebben twee klachten ingediend. Verweerster heeft volgens klagers gehandeld in strijd met de kernwaarden van de pilot van de rechtbank Gelderland, team Insolventies, locatie Zutphen. Ten tweede heeft verweerster volgens klagers ten onrechte geen inlichtingen over de pilot aan klagers verstrekt. De raad heeft klager 1 niet-ontvankelijk verklaard en de klacht in beide onderdelen ongegrond verklaard. Klagers komen hiertegen in beroep.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klagers in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klagers en verweerster (zaaknummer: 24-252/AL/GLD) een beslissing gewezen op 12 augustus 2024. In deze beslissing is klager 1 niet-ontvankelijk verklaard en is de klacht ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:191 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klagers tegen de beslissing is op 29 augustus 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van verweerster. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 29 september 2025. Daar zijn [bestuurder van klager 2], bestuurder van klager 2, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde, verschenen. De gemachtigde van klagers heeft hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het hof stelt in aanvulling hierop de volgende feiten vast.
3.1 Bij arrest van 25 januari 2021 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is [klager 1] (hierna: de failliet) in staat van faillissement verklaard en daarbij is [de curator] tot curator aangesteld (hierna: de curator).
3.2 In dat faillissement is de curator een procedure gestart tegen [klager 2] (hierna: [klager 2). Verweerster, een kantoorgenote van de curator, trad in die periode op als advocaat van de curator.
3.3 Op 12 september 2023 heeft de curator bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ingediend. Dit verzoek strekte tot het verkrijgen van verlof om ten laste van [klager 2] conservatoire beslagen onder derden te leggen. In dat verzoekschrift staat onder meer het volgende:
“43. (..) De rechter-commissaris heeft de Curator op 28 juni 2023 toestemming gegeven voor het nemen van nadere rechtsmaatregelen jegens [klager 2], meer concreet om over te gaan tot het indienen van onderhavig beslagrekest, alvorens een procedure aanhangig te maken. Wanneer het beslag doel treft, kan [klager 2] voor een gesprek bij de rechter-commissaris worden uitgenodigd (..). 47. De Curator heeft nog geen eis in de hoofdzaak ingesteld. Hij verzoekt de termijn daarvoor te bepalen op twee maanden nadat het eerste beslag is gelegd en licht deze afwijkende langere termijn als volgt toe. 48. Het team Insolventies van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, is vanaf 17 maart 2022 gestart met een pilot om de werkwijze bij het voeren van procedures door curatoren te veranderen. Sinds die datum hoort de rechter-commissaris in beginsel bij alle soorten (civiele) procedures de curator en de betrokken wederpartij. Pas nadat het gesprek heeft plaatsgevonden, beslist de rechter-commissaris op het verzoek van de curator om in rechte tegen de betrokken wederpartij op te mogen treden. 49. Voor het leggen van conservatoir (derden)beslag kan de curator machtiging ontvangen zonder dat een gesprek met de rechter-commissaris plaatsvindt, maar voordat de curator een machtiging ontvangt om de hoofdzaak aanhangig te maken moet alsnog het in de vorige alinea omschreven gesprek plaatsvinden. Reden waarom de curator de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak zo ruim mogelijk moet laten stellen. 50. In het faillissement van [klager 1] heeft de curator machtiging ontvangen voor het voeren van de onderhavige verzoekschriftprocedure tot het verkrijgen van verlof. De rechter-commissaris heeft de Curator verzocht om daarbij te verzoeken om een termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak van twee maanden, zodat de rechter-commissaris voldoende tijd heeft voor het uitnodigen van de Curator en [klager 2] voor een gesprek op de rechtbank.”
3.4 Bij e-mail van 16 oktober 2023 heeft de gemachtigde van klagers aan de curator onder meer het volgende geschreven:
“De deurwaarder heeft op 6 oktober aan mijn opdrachtgever [klager 2] betekend de grosse van een beschikking dd 13 september 2023 van de Voorzieningenrechter Amsterdam. In het daarbij behorende beslagrekest heeft u in de alinea met randnummers 48 en 49 verwezen naar een pilot terzake de werkwijze van curatoren bij het voeren van procedures. (..) Op 13 oktober 2023 is de dagvaarding in de hoofdzaak aan mijn opdrachtgever betekend, evenwel zonder dat mijn client door de R.C. in het faillissement is gehoord. Hoe moet ik dat zien in het licht van de volgens de regelgeving van de pilot voorgeschreven hoorzitting bij de RC voordat er gedagvaard wordt?”
3.5 Vervolgens is er e-mail contact geweest tussen de gemachtigde van klagers en verweerster.
3.6 Bij e-mail van 23 oktober 2023 heeft de gemachtigde van klagers aan verweerster geschreven:
“Graag ontvang ik meer info over de tekst van de pilot. Wat heeft u daarover? En kan ik daar een kopie van krijgen?”
3.7 Daarop heeft verweerster per e-mail diezelfde dag aan de gemachtigde van klagers geantwoord:
“Daar kan ik u niet aan helpen. Zoals ik u bij e-mail van 13 oktober 2023 reeds heb laten weten, beschikt de curator niet over een afschrift van de regeling.”
3.8 Op 25 oktober 2023 heeft de gemachtigde van klagers bij de rechtbank Gelderland een verzoek op grond van artikel 69 van de Faillissementswet (Fw) ingediend. Op diezelfde dag heeft de gemachtigde bij de deken een klacht tegen verweerster ingediend.
3.9 Per brief van 3 november 2023 heeft de rechter-commissaris, kort gezegd, aan de gemachtigde van klagers bericht dat hij – gelet op de reactie van de curator daarop – geen reden ziet om de verzoeken op grond van artikel 69 Fw nader te behandelen en verzoekt hij de gemachtigde van klagers verhinderdata door te geven om een bespreking te kunnen plannen.
3.10 Op 21 november 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden bij de rechter-commissaris.
3.11 Gelijktijdig met de klacht tegen verweerster hebben klagers ook soortgelijke klachten ingediend tegen de curator en tegen [mr. Van S], laatstgemelde in haar hoedanigheid van patroon van verweerster. Die klachten zijn eveneens doorgezonden aan de raad en zijn gevoegd met de onderhavige zaak behandeld op 10 juni 2024 (zaaknummers 24-251 en 24-253). Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 10 juni 2024 heeft de gemachtigde van klagers om uitstel van de zitting gevraagd wegens medische redenen. Dit verzoek is door de raad niet gehonoreerd.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) in strijd te handelen met de kernwaarden van de pilot
Toelichting: De curator heeft [klager 2] op 12 september 2023 gedagvaard zonder dat het in de pilot genoemde hoorgesprek had plaatsgevonden. Op de vraag die aan de curator per e-mail is gesteld over de betreffende pilot is geen enkel antwoord gekomen. Hierdoor gaan klagers ervan uit dat de rechter-commissaris geen toestemming heeft gegeven voor de dagvaarding. Verweerster is hierdoor te ver gegaan in de vrijheid die haar toekomt als advocaat van de wederpartij. De failliet is evenals [klager 2] belanghebbende in deze procedure, omdat het ook in het belang van [klager 1] is dat er door de curator geen zinloze kosten worden gemaakt.
b) ten onrechte geen informatie/inlichtingen te verstrekken
Toelichting: Verweerster en de curator hebben ten onrechte geweigerd om inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de pilot. Per e-mails aan de curator is gevraagd om een afschrift van de regeling volgens de pilot. De curator heeft daarop kenbaar gemaakt dat hij geen afschrift van de regeling heeft. Ook na een rappel aan de curator van 23 oktober 2023 heeft verweerster diezelfde dag kenbaar gemaakt dat zij klagers niet verder kon helpen. De curator beschikt over de schriftelijke stukken die zien op de inhoud van de pilot, aangezien de rechter-commissarissen van de rechtbank Gelderland de curatoren in Gelderland hebben geïnformeerd over de pilot.
5 BEOORDELING EN BESLISSING RAAD
5.1 De raad heeft bij voornoemde beslissing de failliet niet-ontvankelijk verklaard en de twee klachtonderdelen ongegrond verklaard.
5.2 Daartoe heeft de raad met betrekking tot de ontvankelijkheid van klager 1 overwogen dat de failliet geen zelfstandige rol speelt in de procedure die de curator in het faillissement voert tegen een derde. Evenmin is gebleken dat als gevolg van het optreden van de curator en/of verweerster zijn belangen zijn geschaad.
5.3 De raad heeft verder overwogen dat niet gebleken is dat verweerster onbetamelijk of in strijd met de kernwaarden van de pilot zou hebben gehandeld. Een kernwaarde van de pilot is juist dat er een gesprek met de rechter-commissaris plaats kan vinden als deze daar prijs op stelt en in onderhavig geval heeft dat gesprek ook plaatsgevonden, ruim voordat de dagvaarding voor het eerst diende.
5.4 Het tweede klachtonderdeel heeft de raad ongegrond verklaard nu er wel degelijk informatie is verstrekt over de pilot aan klagers.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klagers
6.1 Klagers voeren aan dat het onbegrijpelijk is dat de raad het aanhoudingsverzoek van hun gemachtigde niet heeft gehonoreerd en heeft beslist dat de mondelinge behandeling van 10 juni 2024 door moest gaan. Omdat beide klagers hadden afgesproken dat hun gemachtigde de behartiging van hun belangen ter zitting van de raad voor hun rekening zouden nemen, waren zij er dan ook helemaal niet op bedacht en ook niet op voorbereid dat hun gemachtigde ineens verhinderd was en ook waren zij er niet op bedacht dat de raad het uitstelverzoek niet zou honoreren. Om die reden waren klagers zelf ook niet aanwezig op de zitting van 10 juni 2024. Het argument van de raad dat de curator recht heeft op een tijdige beslissing gaat volgens klagers niet op. De raad lag meer dan op schema om de zaken zeer ruim binnen de gemiddelde doorlooptijd af te doen en ook bij toewijzing van het aanhoudingsverzoek hadden de zaken ruim binnen 6,5 maand afgedaan kunnen worden. Klagers hebben er belang bij dat hun zaak in twee instanties wordt behandeld en verzoeken dan ook de zaak terug te verwijzen naar de raad. 6.2 Als tweede grief voeren klagers aan dat de raad klager 1 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Kernpunt is volgens hen dat de curator er voor zal waken dat er geen zinloze kosten worden gemaakt. Daarbij laat de raad ten onrechte geheel in het midden dat het niet om het vaststellen van een van de verplichtingen van een faillissementscurator gaat maar dat het er om gaat dat de curator (in de visie van klager 1) die verplichting niet is nagekomen. Daarover zwijgt de raad ten onrechte volledig. De curator is immers overgegaan tot dagvaarding zonder dat het in de pilot bedoelde verplicht voorgeschreven hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Het toezicht door de rechter-commissaris is niet meer dan uiterst marginaal, en is daarnaast ook zeker geen beletsel voor het indienen van een tuchtrechtelijke klacht. Verder overweegt de raad dat op geen enkele wijze is gebleken of aangetoond dat door de advocaat zinloze kosten zijn gemaakt, hetgeen volgens klagers een onbegrijpelijke stellingname is. Immers is de advocaat overgegaan tot dagvaarding zonder dat het in de pilot bedoelde verplicht voorgeschreven hoorgesprek heeft plaatsgevonden.
6.3 Met hun derde grief voeren klagers aan dat de raad het verwijt van handelen in strijd met de kernwaarden van de pilot ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De pilot ziet op een handelwijze bij faillissementen om procedures te voorkomen. Dat maakt het verwijt dat de curator treft extra zwaar. De raad gaat in zijn overweging op dit punt volledig voorbij aan het verwijt dat inhoudt dat er is gedagvaard zonder voorafgaand hoorgesprek. Het beslag heeft, naar bekend is, nauwelijks tot geen doel getroffen terwijl de curator in strijd met zijn eigen stellingname vervolgens toch is gaan dagvaarden. Klagers mochten ervan uitgaan dat de curator niet tot dagvaarding over zou gaan nu het beslag niet tot het beoogde effect leidde. Het trof geen te respecteren doel (€ 437,31). Bovendien bleek de voorzieningenrechter met de voorwaarde van de curator genoegen te nemen nu hij de op grond van de pilot verzochte langere termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak, uitdrukkelijk afwees. De door de curator in het rekest opgenomen voorwaarde werd dus door de voorzieningenrechter beoordeeld en gerespecteerd. Daarmee staat vast dat de curator daarvan niet klakkeloos mag afwijken en al helemaal niet door voor de rechter-commissaris te verzwijgen dat het beslag geen (te respecteren) doel had getroffen. Ook die handelwijze is klachtwaardig.
6.4 Ten slotte voeren klagers aan dat de raad ten onrechte klachtonderdeel b) ongegrond heeft verklaard. Namens verweerster is in haar antwoord d.d. 22 november 2023 aan de deken geantwoord:
“De curator beschikt niet over concrete schriftelijke stukken die zien op de inhoud van de pilot. [mr. H] dient de belangen van de Curator te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat de curator haar verschaft en zij mag in het algemeen afgaan op de juistheid daarvan. Slechts in uitzonderingsgevallen is zij gehouden de juistheid daarvan te verifiëren. Van een uitzondering is in dit geval geen sprake.”
Volgens klagers is genoemd antwoord een pertinente onwaarheid. Waar verweerster stelt dat de curator niet over een afschrift van de pilot beschikt verklaart verweerster opzettelijk in strijd met de waarheid. Daarmee heeft verweerster niet alleen geprobeerd om klagers in de maling te nemen maar ook de raad.
Verweer verweerster
6.5 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
Grief 1 Ten onrechte geen aanhouding zitting raad
7.2 Klagers hebben ter zitting verzocht de zaak terug te verwijzen naar de raad en daarbij verwezen naar het arrest van het hof van 29 oktober 2018 (ECLI:NL:TAHVD:2018:194), waarin het hof heeft geoordeeld dat de raad bij de behandeling van het verzet van klager het beginsel van hoor en wederhoor onvoldoende in acht heeft genomen waarna het hof de zaak heeft terugverwezen naar de raad. Daarbij heeft het hof overwogen dat de overweging(en) van de (griffier van de) raad dat klager geen inhoudelijke medische verklaring heeft overgelegd, de afwijzing van het verzoek onvoldoende dragen. Verwacht had mogen worden dat nader onderzoek zou zijn verricht of klager in redelijkheid wel in staat was nadere medische gegevens te verstrekken. Het hof heeft hierbij betrokken dat niet is gebleken dat uitstel om welke reden ook onaanvaardbaar was en dat enig belang van verweerder daardoor zou worden geschaad.
7.3 Verweerster heeft tegen deze grief aangevoerd dat de aanwezigheid van de gemachtigde van klagers niet nodig was. Klagers wisten al langere tijd van de behandeling van de zaak af en voor die behandeling heeft de gemachtigde tweemaal klachten en de toelichting daarop schriftelijk ingediend. Uit het beroepschrift blijkt dat er van aanvullende argumenten of reacties zelfs nu nog geen sprake is, en dus ten tijde van de behandeling in eerste instantie ook niet, aldus verweerster.
7.4 Naar het oordeel van het hof had de raad de mondelinge behandeling aan dienen te houden. Het onthouden van bijstand door een advocaat, ook in een tuchtprocedure, is hoogstens mogelijk als het uitstelverzoek in strijd met de goede procesorde is. Niet gesteld of gebleken is dat hiervan sprake was. Deze beroepsgrond slaagt, maar leidt niet tot terugverwijzing naar de raad. Klagers hebben ter gelegenheid van de behandeling in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad om al datgene naar voren te brengen wat hen wenselijk voorkomt. Desgevraagd hebben klagers ter zitting bevestigd dat de door de raad omschreven klachtomschrijving juist is. In tegenstelling tot de zaak in het door klagers aangehaalde arrest, zijn klagers in onderhavige zaak dan ook voldoende in de gelegenheid gesteld om te reageren op het betoog van verweerster. Nu het hof de zaak als geheel opnieuw beoordeelt, is er geen reden voor vernietiging van de beslissing van de raad op deze grond.
Grief 2 Ten onrechte klager 1 niet-ontvankelijk verklaard
7.5 Het is vaste rechtspraak van het hof dat als maatstaf geldt dat slechts kan worden geklaagd over een advocaat indien de klager door het handelen of nalaten van deze advocaat (rechtstreeks) in zijn eigen belang is of kan worden getroffen en dat, voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure is vereist, het klachtrecht door de deken wordt uitgeoefend. Bovendien houdt de rechter-commissaris toezicht op het beheer van de curator en dient de curator aan de rechter-commissaris rekening en verantwoording af te leggen. Dat de curator is overgegaan tot dagvaarding zonder dat het hoorgesprek heeft plaatsgevonden maakt nog niet dat als gevolg daarvan zinloze kosten zijn gemaakt, waarvan overigens ook niet is gebleken. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de raad in dit klachtonderdeel.
Grief 3 Ten onrechte handelen in strijd met de kernwaarden van de pilot ongegrond verklaard
7.6 Uit de processtukken is gebleken dat de curator de voorzieningenrechter met het oog op de pilot heeft verzocht de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak te bepalen op twee maanden nadat het eerste beslag is gelegd. Deze afwijkende langere termijn is door de curator verzocht met het doel om het in de pilot beoogde hoorgesprek met de rechter-commissaris te laten plaatsvinden voordat de dagvaarding in de hoofdzaak zou worden uitgebracht. Deze langere termijn is echter door de voorzieningenrechter geweigerd, met als gevolg dat het hoorgesprek heeft plaatsgevonden nadat de dagvaarding was uitgebracht. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat verweerster heeft gehandeld in strijd met de bedoeling van de pilot of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Grief 4 Ten onrechte geen inlichtingen/informatie verstrekt ongegrond verklaard
7.7 Ter zitting heeft de gemachtigde van klagers verklaard dat de curator de brief, die aan hem en alle curatoren door de rechtbank Gelderland betreffende de pilot is toegestuurd, dient te verstrekken aan klagers zodat zij de inhoud daarvan kunnen toetsen aan hetgeen verweerster daarover schriftelijk aan hen heeft meegedeeld. Namens verweerster is daarop verklaard dat deze brief, waarin ook andere mededelingen van de rechters-commissarissen staan, vertrouwelijk is en dat zij niet verplicht is deze brief aan klagers te verstrekken. Het hof volgt het standpunt van verweerster hierin. Het niet verstrekken van dit schrijven geeft onvoldoende aanleiding voor tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, mede gelet op de inhoud van het verzoekschrift conservatoir beslag en het gesprek met de rechter-commissaris, waarin relevante informatie over de pilot aan klagers is verstrekt.
Slotsom
De beroepsgronden (met uitzondering van grief 1) falen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 12 augustus 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-251/AL/GLD.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. J.W.M. Tromp en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Land-Smorenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 24 november 2025.
