Rechtspraak
Uitspraakdatum
25-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2025:164
Zaaknummer
25-637/DB/OB
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat in hoedanigheid van deken deels kennelijk niet-ontvankelijk, deels kennelijk ongegrond en raad deels kennelijk onbevoegd. Niet gebleken dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch van 25 november 2025
in de zaak 25-637/DB/OB
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De voorzitter van de raad van discipline (hierna: “voorzitter”) heeft kennisgenomen van het e-mailbericht van 19 september 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant (hierna: de deken), van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 8 en van het nagekomen e-mailbericht met bijlagen van klager van 7 oktober 2025.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster was tot 21 maart 2024 werkzaam als deken in het arrondissement Gelderland.
1.2 Op 6 december 2021 heeft klager een klacht ingediend tegen mr. B, advocaat. De klacht is onderzocht door een stafjurist van het Bureau van de Orde van Advocaten Gelderland. Het klachtdossier is op 18 september 2023 doorgezonden aan de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden. Bij beslissing van 20 november 2023 (ECLI:NL:TADRARL:2023:347) heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden de klacht deels niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. Bij beslissing van 13 mei 2024 (ECLI:NL:TADRARL:2024:124) heeft de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden het verzet ongegrond verklaard.
1.3 Op 5 november en 30 december 2024 heeft klager e-mails gestuurd aan het Bureau van de Orde van Advocaten Gelderland met de vraag of de deken een dekenbezwaar tegen mr. B wilde indienen. Bij e-mail van 30 december 2024 heeft het Bureau van de Orde van Advocaten Gelderland klager als volgt bericht:
“(…) Uw klacht is reeds afgehandeld en er is al een uitspraak van de Raad van Discipline in deze zaak. Wij zullen uw e-mail beschouwen als een signaal. U wordt verder niet op de hoogte gehouden van het verloop van een signaal.”
1.4 Bij e-mail van 3 januari 2025 heeft klager een klacht tegen verweerster ingediend. Bij beslissing van 16 januari 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline het onderzoek naar de klacht opgedragen aan de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
Verweerster heeft nagelaten effectief dekenonderzoek te doen en heeft tegen mr. B geen dekenbezwaar ingediend of anderszins geïntervenieerd, hetgeen heeft bijgedragen aan het dekken van misdaad. Dit levert een onrechtmatige (ambts)daad op, die niet verjaart.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Toetsingskader
De klacht heeft betrekking op het optreden van verweerster in haar hoedanigheid van deken. Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
4.2 Beoordeling
Voor zover klager verweerster verwijt dat zij een onrechtmatige (ambts)daad heeft gepleegd heeft te gelden dat het niet aan de tuchtrechter, maar aan de civiele rechter is om te oordelen over de civielrechtelijke verhouding tussen partijen. De tuchtrechter komt ter zake geen bevoegdheid toe. In zoverre zal de voorzitter de raad kennelijk onbevoegd verklaren.
4.3 Klager verwijt verweerster dat zij tegen mr. B geen dekenbezwaar heeft ingediend, noch anderszins heeft geïntervenieerd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de stafjurist de klacht onder verweersters verantwoordelijkheid conform het bepaalde in de Leidraad dekenaal klachtonderzoek in behandeling heeft genomen en onderzocht. Het is de voorzitter niet gebleken dat dit onderzoek en de communicatie daarover met klager niet op correcte wijze is verlopen. Na afronding van het dekenaal onderzoek is de klacht op klagers verzoek doorgezonden aan de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden. De raad van discipline Arnhem-Leeuwarden heeft de klacht onderzocht. Bij beslissingen van de raad van discipline Arnhem-Leeuwarden van 20 november 2023 en 13 mei 2024 is onherroepelijk op de klacht beslist. De voorzitter constateert dat aldus de gebruikelijke tuchtrechtelijke procedure is gevolgd.
4.4 De voorzitter overweegt verder dat verweerster in haar hoedanigheid van (toenmalig) deken een discretionaire bevoegdheid en beleidsvrijheid had om (al dan niet op grond van ontvangen signalen) een onderzoek te verrichten naar – mogelijk – tuchtrechtelijk verwijtbare gedragingen en om vervolgens op grond van de uitkomsten van dat onderzoek een dekenbezwaar in te dienen of anderszins te interveniëren. Kennelijk heeft verweerster op basis van de door klager ingediende klacht en door hem verstrekte informatie geen aanleiding gezien om een dekenbezwaar in te dienen, noch om anderszins te interveniëren. Gelet op de aan verweerster toekomende discretionaire bevoegdheid en beleidsvrijheid stond het verweerster vrij om geen dekenbezwaar in te dienen en niet te interveniëren. Dat door het optreden van verweerster het vertrouwen in de advocatuur is geschaad, is de voorzitter op basis van de overlegde stukken geenszins gebleken. Vast staat dat verweerster vanaf 21 maart 2024 niet meer werkzaam is als deken. Voor zover klager verweerster verwijt dat verweerster naar aanleiding van klagers e-mails aan het Ordebureau van 5 november en 30 december 2024 geen dekenbezwaar tegen mr. B heeft ingediend is de voorzitter eveneens van oordeel dat niet is gebleken dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur is geschaad. Verweerster was vanaf 21 maart 2024 immers helemaal niet meer bevoegd om een dekenbezwaar in te dienen, zodat haar alleen al om die reden het niet indienen van een dekenbezwaar niet kan worden aangerekend.
4.5 Omdat niet is gebleken dat verweerster zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien van en/of het vertrouwen in de advocatuur is of kon worden geschaad, zal de voorzitter de klacht kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de raad, voor zover de klacht ziet op het verwijt dat verweerster een onrechtmatige (ambts)daad heeft gepleegd, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk onbevoegd; de klacht, voor het overige, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.Aldus beslist door mr. E. Loesberg, voorzitter, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber- van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 25 november 2025
