Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:236
Zaaknummer
240244
Inhoudsindicatie
Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de advocaat als faillissementscurator. Klagers hebben vier klachten ingediend. Ten eerste heeft verweerder volgens klagers in strijd gehandeld met de kernwaarden van de pilot van de rechtbank Gelderland, team Insolventies, locatie Zutphen. Ten tweede heeft verweerder volgens klagers ten onrechte geen inlichtingen over de pilot aan klagers verstrekt. Ten derde verwijten klagers verweerder niet tijdig te reageren en ten vierde heeft verweerder volgens klagers in een gesprek met de rechter-commissaris op 21 november 2023 in strijd met de waarheid verklaard. De raad heeft klager 1 niet-ontvankelijk verklaard en de vier klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klagers komen hiertegen in beroep.
Uitspraak
Beslissing van 24 november 2025 in de zaak 240244
naar aanleiding van het hoger beroep van:
1. [klager 1] en 2. [klager 2] respectievelijk gevestigd te [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats]
respectievelijk klager 1 en klager 2, tezamen klagers
gemachtigde: mr. G.F.M.G. Heutink, advocaat te Apeldoorn
tegen:
[verweerder] advocaat te [vestigingsplaats]
gemachtigde: mr. W.A.J. Hagen, advocaat te Arnhem
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Deze zaak betreft een klacht over het handelen van de advocaat als faillissementscurator. Klagers hebben vier klachten ingediend. Ten eerste heeft verweerder volgens klagers in strijd gehandeld met de kernwaarden van de pilot van de rechtbank Gelderland, team Insolventies, locatie Zutphen. Ten tweede heeft verweerder volgens klagers ten onrechte geen inlichtingen over de pilot aan klagers verstrekt. Ten derde verwijten klagers verweerder niet tijdig te reageren en ten vierde heeft verweerder volgens klagers in een gesprek met de rechter-commissaris op 21 november 2023 in strijd met de waarheid verklaard. De raad heeft klager 1 niet-ontvankelijk verklaard en de vier klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klagers komen hiertegen in beroep.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klagers in beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klagers en verweerder (zaaknummer: 24-251/AL/GLD) een beslissing gewezen op 12 augustus 2024. In deze beslissing is klager 1 niet-ontvankelijk verklaard en zijn de vier klachtonderdelen ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:188 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klagers tegen de beslissing is op 29 augustus 2024 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof: - de stukken van de raad; - het verweerschrift van verweerder. 2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 29 september 2025. Daar zijn [bestuurder van klager 2], bestuurder van klager 2, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, verschenen. De gemachtigde van klagers heeft hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het hof stelt in aanvulling hierop de volgende feiten vast.
3.1 Bij arrest van 25 januari 2021 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is [klager 1] (hierna: de failliet) in staat van faillissement verklaard en daarbij is verweerder tot curator aangesteld (hierna: de curator).
3.2 In dat faillissement is door verweerder, in zijn hoedanigheid van faillissementscurator, een procedure gestart tegen [klager 2] (hierna: [klager 2]). [mr. H], een kantoorgenote van verweerder, treedt in die periode op als advocaat van verweerder q.q.
3.3 Op 12 september 2023 heeft verweerder, in zijn hoedanigheid van faillissementscurator, bij de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag ingediend. Dit verzoek strekte tot het verkrijgen van verlof om ten laste van [klager 2] conservatoire beslagen onder derden te leggen. In dat verzoekschrift staat onder meer het volgende:
“43. (..) De rechter-commissaris heeft de Curator op 28 juni 2023 toestemming gegeven voor het nemen van nadere rechtsmaatregelen jegens [klager 2], meer concreet om over te gaan tot het indienen van onderhavig beslagrekest, alvorens een procedure aanhangig te maken. Wanneer het beslag doel treft, kan [klager 2] voor een gesprek bij de rechter-commissaris worden uitgenodigd (..). 47. De Curator heeft nog geen eis in de hoofdzaak ingesteld. Hij verzoekt de termijn daarvoor te bepalen op twee maanden nadat het eerste beslag is gelegd en licht deze afwijkende langere termijn als volgt toe. 48. Het Team Insolventies van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, is vanaf 17 maart 2022 gestart met een pilot om de werkwijze bij het voeren van procedures door curatoren te veranderen. Sinds die datum hoort de rechter-commissaris in beginsel bij alle soorten (civiele) procedures de curator en de betrokken wederpartij. Pas nadat het gesprek heeft plaatsgevonden, beslist de rechter-commissaris op het verzoek van de curator om in rechte tegen de betrokken wederpartij op te mogen treden. 49. Voor het leggen van conservatoir (derden)beslag kan de curator machtiging ontvangen zonder dat een gesprek met de rechter-commissaris plaatsvindt, maar voordat de curator een machtiging ontvangt om de hoofdzaak aanhangig te maken moet alsnog het in de vorige alinea omschreven gesprek plaatsvinden. Reden waarom de curator de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak zo ruim mogelijk moet laten stellen. 50. In het faillissement van [klager 1] heeft de Curator machtiging ontvangen voor het voeren van de onderhavige verzoekschriftprocedure tot het verkrijgen van verlof. De rechter-commissaris heeft de Curator verzocht om daarbij te verzoeken om een termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak van twee maanden, zodat de rechter-commissaris voldoende tijd heeft voor het uitnodigen van de Curator en [klager 2] voor een gesprek op de rechtbank.”
3.4 Bij e-mail van 16 oktober 2023 heeft de gemachtigde van klagers aan verweerder onder meer het volgende geschreven:
“De deurwaarder heeft op 6 oktober aan mijn opdrachtgever [klager 2] betekend de grosse van een beschikking dd 13 september 2023 van de Voorzieningenrechter Amsterdam. In het daarbij behorende beslagrekest heeft u in de alinea met randnummers 48 en 49 verwezen naar een pilot terzake de werkwijze van curatoren bij het voeren van procedures. (..) Op 13 oktober 2023 is de dagvaarding in de hoofdzaak aan mijn opdrachtgever betekend, evenwel zonder dat mijn client door de R.C. in het faillissement is gehoord. Hoe moet ik dat zien in het licht van de volgens de regelgeving van de pilot voorgeschreven hoorzitting bij de RC voordat er gedagvaard wordt?”
3.5 Vervolgens is er e-mail contact geweest tussen de gemachtigde van klagers en [mr. H]. Bij e-mail van 23 oktober 2023 heeft [mr. H] aan de gemachtigde van klagers onder meer geschreven:
“(..) Hoe het ook zij, u vraagt hoe het dagvaarden zich verhoudt tot de pilot dat procespartijen voorafgaand aan een procedure worden gehoord. Het is geen wettelijk(e) voorwaarde/vereiste dat eerst een hoorzitting/gesprek moet plaatsvinden voordat de curator tot dagvaarden kan overgaan. Het betreft slechts een pilot. Overigens zal het rechtercommissariaat te Zutphen ook in dit geval, waar de dagvaarding reeds is betekend, een dergelijke hoorzitting/bespreking met partijen op prijs stellen. Het zou mooi zijn als verder procederen daarmee voorkomen kan worden.”
3.6 Bij e-mail van diezelfde dag heeft de gemachtigde van klagers aan [mr. H] geschreven:
“Graag ontvang ik meer info over de tekst van de pilot. Wat heeft u daarover? En kan ik daar een kopie van krijgen?”
3.7 Daarop heeft [mr. H] per e-mail diezelfde dag aan de gemachtigde van klagers geantwoord:
“Daar kan ik u niet aan helpen. Zoals ik u bij e-mail van 13 oktober 2023 reeds heb laten weten, beschikt de curator niet over een afschrift van de regeling.”
3.8 Daags daarna heeft de gemachtigde nogmaals verzocht hem iets te verstrekken over de pilot, waarop [mr. H] hem heeft laten weten dat de curator niet over een afschrift van de pilot beschikt en dus ook geen stukken kan sturen.
3.9 Op 25 oktober 2023 heeft de gemachtigde van klagers bij de rechtbank Gelderland een verzoek op grond van artikel 69 van de Faillissementswet (Fw) ingediend. Op diezelfde dag heeft de gemachtigde bij de deken een klacht tegen verweerder ingediend.
3.10 Per brief van 3 november 2023 heeft de rechter-commissaris, kort gezegd, aan de gemachtigde van klagers bericht dat hij – gelet op de reactie van verweerder daarop – geen reden ziet om de verzoeken op grond van artikel 69 Fw nader te behandelen en verzoekt hij de gemachtigde van klagers verhinderdata door te geven om een bespreking te kunnen plannen.
3.11 Op 21 november 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden bij de rechter-commissaris. Tijdens dit gesprek heeft de gemachtigde van klagers een wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris ingediend, waardoor dit gesprek is onderbroken.
3.12 Naar aanleiding van dat gesprek heeft de gemachtigde van klager aan verweerder bij brief van 24 november 2023 onder meer geschreven:
“Voor het geval u niet bereid bent om uit eigener beweging de dagvaarding terug te nemen, vraag ik u mij binnen 1 week na vandaag te bevestigen dat u de dagvaarding niet zonder nadrukkelijke toestemming van de R.C. zult aanbrengen.”
3.13 Bij uitspraak van 21 december 2023 van de rechtbank Gelderland, wrakingskamer, is het verzoek tot wraking van de rechter-commissaris afgewezen.
3.14 Gelijktijdig met de klacht tegen verweerder hebben klagers ook soortgelijke klachten ingediend tegen [mr. H] en tegen [mr. Van S], laatstgemelde in haar hoedanigheid van patroon van [mr. H]. Die klachten zijn eveneens doorgezonden aan de raad en zijn gevoegd met de onderhavige zaak behandeld op 10 juni 2024 (zaaknummers 24-252 en 24-253). Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 10 juni 2024 heeft de gemachtigde van klagers uitstel van de zitting gevraagd wegens medische redenen. Dit verzoek is door de raad niet gehonoreerd.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) in strijd te handelen met de kernwaarden van de pilot;
Toelichting: Verweerder heeft [klager 2] op 12 september 2023 gedagvaard zonder dat het in de pilot genoemde hoorgesprek had plaatsgevonden. Op de vraag die aan verweerder per e-mail is gesteld over de betreffende pilot is geen enkel antwoord gekomen. Hierdoor gaan klagers ervan uit dat de rechter-commissaris geen toestemming heeft gegeven voor de dagvaarding. De failliet is evenals [klager 2] belanghebbende in deze procedure, omdat het ook in het belang van de failliet is dat er door verweerder geen zinloze kosten worden gemaakt.
b) ten onrechte geen informatie/inlichtingen te verstrekken;
Toelichting: Verweerder en [mr. H] hebben ten onrechte geweigerd om inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de pilot. Per e-mails aan verweerder is gevraagd om een afschrift van de regeling volgens de pilot. Verweerder heeft daarop kenbaar gemaakt dat hij geen afschrift van de regeling heeft. Ook na een rappel aan verweerder van 23 oktober 2023 heeft [mr. H] diezelfde dag kenbaar gemaakt dat zij klagers niet verder kon helpen. Verweerder beschikt over de schriftelijke stukken die zien op de inhoud van de pilot, aangezien de rechter-commissarissen van de rechtbank Gelderland de curatoren in Gelderland hebben geïnformeerd over de pilot.
c) niet tijdig te reageren;
Toelichting: Op het verzoek aan verweerder per brief van 24 november 2023 om binnen een week te reageren op die betreffende brief, heeft verweerder niet gereageerd. Bovendien is in die betreffende brief aan verweerder verzocht om het dreigement dat hij maakte tijdens het gesprek op 21 november 2023 – namelijk dat hij aangifte wegens verduistering zal gaan doen als [klager 2] zich op het standpunt blijft stellen dat er geen of onvoldoende verhaal is – terug te nemen. Ook daarop heeft verweerder (dus) niet gereageerd.
d) in strijd met de waarheid te verklaren, dan wel onvolledig te verklaren/informeren;
Toelichting: Tijdens het gesprek met de rechter-commissaris van 21 november 2023 heeft verweerder in strijd met de waarheid verklaard. Verweerder heeft bijvoorbeeld de rechter-commissaris niet geïnformeerd omtrent de gelden die onder het beslag vallen, terwijl dat een van de kernpunten van het overleg betrof. Ook heeft verweerder tijdens het gesprek ontkend dat hij eerder heeft gesteld dat wanneer het beslag doel treft, [klager 2] voor een gesprek bij de rechter-commissaris kan worden uitgenodigd en dat het aanhangig maken van een dagvaardingsprocedure, zonder verzekering van verhaal, kostentechnisch te riskant is en derhalve niet in het belang is van de gemeenschappelijke schuldeisers. Daarnaast heeft verweerder ontkend dat door hem eerder is gesteld dat er een gesprek moest hebben plaatsgevonden vóór de dagvaarding van 12 september 2023. Tot slot stelt verweerder in de onderhavige klachtprocedure dat het hem onbekend is of er een afschrift van de pilot bestaat en dat hij daarover dan ook niet beschikt. Dit voorgaande is alle in strijd met de waarheid door verweerder verklaard.
5 BEOORDELING EN BESLISSING RAAD 5.1 De raad heeft bij voornoemde beslissing de failliet niet-ontvankelijk verklaard en de vier klachtonderdelen ongegrond verklaard.
5.2 Daartoe heeft de raad met betrekking tot de ontvankelijkheid van klager 1 overwogen dat de failliet geen zelfstandige rol speelt in de procedure die verweerder als curator in het faillissement voert tegen een derde. Evenmin is gebleken dat als gevolg van het optreden van de curator zijn belangen rechtstreeks zijn geschaad. 5.3 De raad heeft verder overwogen dat niet gebleken is dat verweerder als curator onbetamelijk of in strijd met de kernwaarden van de pilot zou hebben gehandeld. Een kernwaarde van de pilot is juist dat er een gesprek met de rechter-commissaris plaats kan vinden als deze daar prijs op stelt en in onderhavig geval heeft dat gesprek ook plaatsgevonden, ruim voordat de dagvaarding voor het eerst diende.
5.4 Het tweede klachtonderdeel (b) heeft de raad ongegrond verklaard nu er wel degelijk informatie is verstrekt over de pilot aan klagers. Ook het derde klachtonderdeel (c) is ongegrond verklaard aangezien door verweerder adequaat is gereageerd op berichten of vragen van de gemachtigde van klager, zij het niet altijd binnen de door de gemachtigde gestelde termijn, hetgeen echter niet leidend is.
5.5 Ten slotte is ook het laatste klachtonderdeel (d), het in strijd met de waarheid verklaren tijdens het gesprek met de rechter-commissaris op 21 november 2023, wegens onvoldoende onderbouwing ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klagers
6.1 Klagers voeren aan dat het onbegrijpelijk is dat de raad het aanhoudingsverzoek van hun gemachtigde niet heeft gehonoreerd en heeft beslist dat de mondelinge behandeling van 10 juni 2024 door moest gaan. Omdat beide klagers hadden afgesproken dat hun gemachtigde de behartiging van hun belangen ter zitting van de raad voor hun rekening zouden nemen, waren zij er dan ook helemaal niet op bedacht en ook niet op voorbereid dat hun gemachtigde ineens verhinderd was en ook waren zij er niet op bedacht dat de raad het uitstelverzoek niet zou honoreren. Om die reden waren klagers zelf ook niet aanwezig op de zitting van 10 juni 2024. Het argument van de raad dat de curator recht heeft op een tijdige beslissing gaat volgens klagers niet op. De raad lag meer dan op schema om de zaken zeer ruim binnen de gemiddelde doorlooptijd af te doen en ook bij toewijzing van het aanhoudingsverzoek hadden de zaken ruim binnen 6,5 maand afgedaan kunnen worden. Klagers hebben er belang bij dat hun zaak in twee instanties wordt behandeld en verzoeken dan ook de zaak terug te verwijzen naar de raad.
6.2 Als tweede grief voeren klagers aan dat de raad klager 1 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Kernpunt is volgens hen dat verweerder, in hoedanigheid van faillissementscurator, er voor zal waken dat er geen zinloze kosten worden gemaakt. Daarbij laat de raad ten onrechte geheel in het midden dat het niet om het vaststellen van een van de verplichtingen van de faillissementscurator gaat maar dat het er om gaat dat verweerder, in hoedanigheid van faillissementscurator, (in de visie van klager 1) die verplichting niet is nagekomen. Daarover zwijgt de raad ten onrechte volledig. Verweerder, in hoedanigheid van faillissementscurator, is immers overgegaan tot dagvaarding zonder dat het in de pilot bedoelde verplicht voorgeschreven hoorgesprek heeft plaatsgevonden, aldus klagers. Het toezicht door de rechter-commissaris is niet meer dan uiterst marginaal, en is daarnaast ook zeker geen beletsel voor het indienen van een tuchtrechtelijke klacht. Verder overweegt de raad dat op geen enkele wijze is gebleken of aangetoond dat door de advocaat zinloze kosten zijn gemaakt, hetgeen volgens klagers een onbegrijpelijke stellingname is. Immers is de advocaat overgegaan tot dagvaarding zonder dat het in de pilot bedoelde verplicht voorgeschreven hoorgesprek heeft plaatsgevonden.
6.3 Met hun derde grief voeren klagers aan dat de raad het verwijt van handelen in strijd met de kernwaarden van de pilot ten onrechte ongegrond heeft verklaard. De pilot ziet op een handelwijze bij faillissementen om procedures te voorkomen. Dat maakt het verwijt dat verweerder (in hoedanigheid van faillissementscurator) treft, extra zwaar. De raad gaat in zijn overweging op dit punt volledig voorbij aan het verwijt dat inhoudt dat er is gedagvaard zonder voorafgaand hoorgesprek. Het beslag heeft, naar bekend is, nauwelijks tot geen doel getroffen terwijl verweerder in strijd met zijn eigen stellingname vervolgens toch is gaan dagvaarden. Klagers mochten er van uitgaan dat verweerder niet tot dagvaarding over zou gaan nu het beslag niet tot het beoogde effect leidde. Het trof geen te respecteren doel (€ 437,31). Bovendien bleek de voorzieningenrechter met de voorwaarde van verweerder genoegen te nemen nu hij de op grond van de pilot verzochte langere termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak, uitdrukkelijk afwees. De door verweerder in het rekest opgenomen voorwaarde werd dus door de voorzieningenrechter beoordeeld en gerespecteerd. Daarmee staat vast dat verweerder daarvan niet klakkeloos mag afwijken en al helemaal niet door voor de rechter-commissaris te verzwijgen dat het beslag geen (te respecteren) doel had getroffen. Ook die handelwijze is klachtwaardig.
6.4 Ten vierde voeren klagers aan dat de raad ten onrechte klachtonderdeel b) ongegrond heeft verklaard. Verweerder heeft in zijn antwoord d.d. 22 november 2023 aan de deken geantwoord:
“Los van de vraag of er überhaupt een afschrift van de pilot bestaat (dat is mij als curator niet bekend) is er geen wet of regel die mij als curator verplicht om klagers te voorzien van de bedoelde informatie. Over een afschrift van de pilot beschik ik niet.”
Volgens klagers is genoemd antwoord een pertinente onwaarheid. Waar verweerder stelt dat hij niet over een afschrift van de pilot beschikt verklaart verweerder opzettelijk in strijd met de waarheid. Daarmee heeft verweerder niet alleen geprobeerd om klagers in de maling te nemen maar ook de raad.
6.5 Ten slotte voeren klagers aan dat zij in de repliek bij de deken d.d. 2 januari 2024 aanvullende klachten hebben ingediend, waarop - volgens klagers - niet of apert onvoldoende is gereageerd.
Verweer verweerder
6.6 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Maar ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Indien de advocaat zich bij de vervulling van die andere functie zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Voor een advocaat die optreedt als faillissementscurator brengt deze maatstaf mee dat niet snel van tuchtrechtelijk handelen sprake zal zijn. Dat komt onder meer omdat een curator bij de uitoefening van zijn taak rekening dient te houden met uiteenlopende belangen nu hij de boedel vertegenwoordigt en het belang van de schuldeisers van de gefailleerde. Ook speelt een rol dat de curator zijn taak uitoefent onder toezicht van de rechter-commissaris en dat het in de eerste plaats aan de rechter-commissaris is te beslissen of het handelen van de curatoren zich binnen de wettelijke kaders afspeelt. Met inachtneming van het voorgaande zal het hof de klacht van klagers beoordelen. (HvD 1 februari 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:11) Zie ook bijv. HvD 7 april 2014, 6971, HvD 7 april 2014, 6984).
Grief 1 Ten onrechte geen aanhouding zitting raad
7.2 Klagers hebben ter zitting verzocht de zaak terug te verwijzen naar de raad en daarbij verwezen naar het arrest van het hof van 29 oktober 2018 (ECLI:NL:TAHVD:2018:194), waarin het hof heeft geoordeeld dat de raad bij de behandeling van het verzet van klager het beginsel van hoor en wederhoor onvoldoende in acht heeft genomen waarna het hof de zaak heeft terugverwezen naar de raad. Daarbij heeft het hof overwogen dat de overweging(en) van de (griffier van de) raad dat klager geen inhoudelijke medische verklaring heeft overgelegd, de afwijzing van het verzoek onvoldoende dragen. Verwacht had mogen worden dat nader onderzoek zou zijn verricht of klager in redelijkheid wel in staat was nadere medische gegevens te verstrekken. Het hof heeft hierbij betrokken dat niet is gebleken dat uitstel om welke reden ook onaanvaardbaar was en dat enig belang van verweerder daardoor zou worden geschaad.
7.3 Verweerder heeft tegen deze grief aangevoerd dat de aanwezigheid van de gemachtigde van klagers niet nodig was. Klagers wisten al langere tijd van de behandeling van de zaak af en voor die behandeling heeft de gemachtigde meermaals klachten met uitgebreide schriftelijke toelichting ingediend. Uit het beroepschrift blijkt dat er van aanvullende argumenten of reacties zelfs nu nog niet of nauwelijks sprake is, en daar dus ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste instantie ook niet. Dat betekent dat ook inhoudelijk de aanwezigheid van de gemachtigde voor klagers niet noodzakelijk was en niets had kunnen toevoegen, aldus verweerder.
7.4 Naar het oordeel van het hof had de raad de mondelinge behandeling aan dienen te houden. Deze beroepsgrond slaagt, maar leidt niet tot terugverwijzing naar de raad. Klagers hebben ter gelegenheid van de behandeling in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad om al datgene naar voren te brengen wat hen wenselijk voorkomt. Desgevraagd hebben klagers ter zitting bevestigd dat de door de raad omschreven klachtomschrijving juist is. In tegenstelling tot de zaak in het door klagers aangehaalde arrest, zijn klagers in onderhavige zaak dan ook voldoende in de gelegenheid gesteld om te reageren op het betoog van verweerder. Nu het hof de zaak als geheel opnieuw beoordeelt, is er geen plaats voor vernietiging van de beslissing van de raad op deze grond.
Grief 2 Ten onrechte klager 1 niet-ontvankelijk verklaard
7.5 Het is vaste rechtspraak van het hof dat als maatstaf geldt dat slechts kan worden geklaagd over een advocaat indien de klager door het handelen of nalaten van deze advocaat (rechtstreeks) in zijn eigen belang is of kan zijn getroffen en dat, voor zover in het algemeen belang een tuchtrechtelijke procedure is vereist, het klachtrecht door de deken wordt uitgeoefend. Bovendien houdt de rechter-commissaris toezicht op het beheer van de curator en dient de curator aan de rechter-commissaris rekening en verantwoording af te leggen. Dat de curator is overgegaan tot dagvaarding zonder dat het hoorgesprek heeft plaatsgevonden maakt nog niet dat als gevolg daarvan zinloze kosten zijn gemaakt, waarvan overigens ook niet is gebleken. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van de raad in dit klachtonderdeel.
Grief 3 Ten onrechte handelen in strijd met de kernwaarden van de pilot ongegrond verklaard (klachtonderdeel a)
7.6 Uit de processtukken is gebleken dat de curator de voorzieningenrechter met het oog op de pilot heeft verzocht de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak te bepalen op twee maanden nadat het eerste beslag is gelegd. Deze afwijkende langere termijn is door de curator verzocht met het doel om het in de pilot beoogde hoorgesprek met de rechter-commissaris te laten plaatsvinden voordat de dagvaarding in de hoofdzaak zou worden uitgebracht. Deze langere termijn is echter door de voorzieningenrechter geweigerd, met als gevolg dat het hoorgesprek heeft plaatsgevonden nadat de dagvaarding was uitgebracht. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de bedoeling van de pilot of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Grief 4 Ten onrechte geen inlichtingen/informatie verstrekt ongegrond verklaard (klachtonderdeel b)
7.7 Ter zitting heeft de gemachtigde van klagers verklaard dat verweerder de brief die aan hem en alle curatoren door de rechtbank Gelderland betreffende de pilot is toegestuurd, dient te verstrekken aan klagers zodat zij de inhoud daarvan kunnen toetsen aan hetgeen verweerder daarover schriftelijk aan klagers heeft meegedeeld. Verweerder heeft daarop verklaard dat deze brief, waarin ook andere mededelingen van de rechters-commissarissen staan, vertrouwelijk is en dat hij niet verplicht is deze brief aan klagers te verstrekken. Het hof volgt het standpunt van verweerder hierin. Het niet verstrekken van dit schrijven geeft onvoldoende aanleiding voor tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen, mede gelet op de inhoud van het verzoekschrift conservatoir beslag en het gesprek met de rechter-commissaris, waarin relevante informatie over de pilot aan klagers is verstrekt.
Grief 5 Ten onrechte niet of niet naar behoren gereageerd op de klachten 4 tot en met 10 (klachtonderdelen c) en d)
7.8 Het hof overweegt dat de klachtonderdelen 4 tot en met 10 op juiste wijze zijn samengevat door de deken in de klachtonderdelen c) en d), die door de raad zijn behandeld en beoordeeld. Het hof verenigt zich met de overwegingen van de raad op deze klachtonderdelen.
Slotsom
De beroepsgronden (met uitzondering van grief 1) falen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 bekrachtigt de beslissing van 12 augustus 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-251/AL/GLD.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. J.W.M. Tromp en F.C. van der Jagt-Vink leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Land-Smorenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 24 november 2025.
