Rechtspraak
Uitspraakdatum
24-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSHE:2025:163
Zaaknummer
25-489/DB/LI
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht van een voormalig medewerker tegen de eigenaar van een advocatenkantoor. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door bij de deken een afspraak te maken en deze vervolgens niet na te komen. Berisping.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch
van 24 november 2025
in de zaak 25-489/DB/LI
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 7 november 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 23 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K24-114 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 oktober 2025. Daarbij was klager aanwezig. Verweerder is niet verschenen, zoals hij van tevoren heeft laten weten.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1-1 tot en met 8.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager was voorheen advocaat bij advocatenkantoor van verweerder. Klager heeft na zijn uitschrijving als advocaat € 10.000,- van verweerder gevorderd. Ook heeft klager verzocht om de polis van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en bewijzen van premiebetaling.
2.3 Half september 2024 is tussen hen, onder begeleiding van de deken, een vaststellingsovereenkomst gesloten die inhoudt dat verweerder het bedrag van € 10.000,- per direct zou betalen. Klager zou daartegenover instemmen met het overdragen van de dossiers en mutatie van de toevoegingen naar een ander kantoor. Verweerder heeft het bedrag niet direct (volledig) overgemaakt.
2.4 Op 28 september 2024 en 2 oktober 2024 heeft klager betalingsherinneringen verstuurd.
2.5 Verweerder heeft zich per 31 december 2024 uitgeschreven als advocaat.
2.6 Verweerder heeft over de periode oktober 2024 tot en met maart 2025 de volgende betalingen gedaan:
07-10-2024 € 2.000,-
11-11-2024 € 1.000,-
02-12-2024 € 1.000,-
31-12-2024 € 1.000,-
03-02-2025 € 1.000,-
03-03-2025 € 1.000,-
2.7 Op 7 mei 2025 heeft klager aan de deken bericht dat er twee aanvullende betalingen van € 1.000,- zijn gedaan zodat er in totaal € 9.000,- is betaald, waar bij de laatste betaling is vermeld “slotbetaling regeling”.
2.8 Klager heeft ter zitting van 13 oktober 2025 bevestigd dat het volledige bedrag van € 10.000,- inmiddels is betaald.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.
a) Verweerder heeft stelselmatig nagelaten om een afspraak met klager, die via de deken tot stand is gekomen, na te komen;
b) Verweerder heeft nagelaten om een gewaarmerkt afschrift van de polis en bewijzen van premiebetaling aan klager te overleggen
3.2 Klager heeft ter zitting toegelicht dat hij er belang bij heeft om de polis en het bewijs van premiebetaling te krijgen, omdat hij deze bij zijn uitschrijving als advocaat moest verstrekken aan de deken om aan te tonen dat het uitlooprisico verzekerd is.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Het gaat hier om een klacht tegen verweerder in de hoedanigheid van bestuurder van een advocatenkantoor. Het in de artikelen 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, kan voor hem het advocatentuchtrecht gelden. Dat is in ieder geval zo als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen de verweten gedraging en de beroepsuitoefening van advocaat. Maar ook als dergelijke aanknopingspunten ontbreken, toetst de tuchtrechter (alsnog) of de advocaat bij het handelen in die andere hoedanigheid het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
Klachtonderdeel a)
5.2 Normaal gesproken is het niet aan de tuchtrechter, maar aan de civiele rechter om te oordelen over (het nakomen van) geldvorderingen. Omdat de vaststellingsovereenkomst in dit geval onder begeleiding van de deken is gesloten, is de raad echter van oordeel dat de civielrechtelijke kwestie daarmee ook binnen de kaders van het tuchtrecht valt. De raad is van oordeel dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld door een afspraak te maken ten overstaan van de deken en deze vervolgens niet na te komen. Dat het bedrag inmiddels is betaald en die overeenkomst uiteindelijk is nagekomen, doet er niet aan af dat verweerder te dien aanzien niet integer heeft gehandeld. Het bedrag zou namelijk ineens betaald worden en niet in delen, verspreid over een langere periode. Klachtonderdeel a) is daarom gegrond.
Klachtonderdeel b)
5.3 Verweerder heeft niet betwist dat hij de polis en bewijzen van premiebetaling tot op heden niet heeft verstrekt aan klager. Gelet op de toelichting die klager over de noodzaak daarvan heeft gegeven, is de raad van oordeel dat hij ook een gerechtvaardigd belang heeft bij het ontvangen daarvan. Het kon van verweerder dan ook worden verwacht dat hij deze stukken aan klager zou geven. Door dit niet te doen, is de raad van oordeel dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel b) is gegrond. De raad gaat ervan uit dat de deken zich ook zal inspannen om de polis en bewijzen van premiebetaling bij verweerder op te vragen, indien hij deze stukken van klager verlangt.
Conclusie
5.4 De klacht is in zijn geheel gegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Verweerder heeft niet integer gehandeld door ten overstaan van de deken afspraken te maken met klager en deze vervolgens niet na te komen. Ook kon van hem worden verlangd om de polis en bewijzen van premiebetaling van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering aan klager te overleggen. De raad is van oordeel dat verweerder daarmee in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde integriteit. Omdat er een kernwaarde is geschonden, acht de raad de maatregel van berisping passend en geboden.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4.
Aldus beslist door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mrs. A.A.T van Ginderen en U.T. Hoekstra, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 24 november 2025
