Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

24-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSHE:2025:162

Zaaknummer

25-453/DB/LI

Inhoudsindicatie

Raadsbeslissing. Klacht van een advocaat over de advocaat van de wederpartij. Verweerder heeft het Woo-verzoek mogen indienen bij de gemeente en niet bij klager (de advocaat van de gemeente). Evenmin had verweerder klager om goedkeuring hiervoor moeten vragen. Wel had verweerder klager moeten informeren over het Woo-verzoek. Geen inbreuk op de vertrouwelijke correspondentie tussen klager en zijn cliënte als de gemeente de correspondentie via de Woo openbaar had moeten maken. Klacht deels gegrond. Waarschuwing.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 24 november 2025

in de zaak 25-453/DB/LI

naar aanleiding van de klacht van:

 

klager

 

over:

 

verweerder

gemachtigde: [kantoorgenoot]

 

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 22 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Limburg (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 9 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K25-059 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 13 oktober 2025. Daarbij waren klager en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde, aanwezig.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 6.

 

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2 Verweerder treedt op als advocaat van de eigenaren van een perceel. Deze eigenaren hebben een geschil met de buren over erfdienstbaarheid. De gemeente is hierin ook betrokken geraakt als (privaatrechtelijke) eigenaar van twee naastgelegen percelen.

2.3 Bij tussenarrest van 4 juni 2024 heeft het gerechtshof bepaald dat twee andere eigenaren en de gemeente in het geding geroepen dienden te worden overeenkomstig artikel 118 Rv. Verweerder heeft dit gedaan. Daarop heeft klager zich als advocaat van de gemeente gesteld voor deze privaatrechtelijke procedure en een memorie van antwoord ingediend.

2.4 Verweerder heeft het voorstel gedaan om met alle partijen aan tafel te zitten om afspraken te maken. Op 3 juli 2024 heeft verweerder per e-mail het standpunt van de gemeente overgebracht en laten weten dat de gemeente geen rol voor haar ziet weggelegd in een bespreking, omdat bemiddeling een gepasseerd station is.

2.5 Op 8 juli 2024 heeft verweerder diverse vragen gesteld aan klager, waaronder:

“(…) 3. De gemeente staat iedereen toe op haar pad, maar vindt het bezwaarlijk om het pad te belasten met een zakelijk recht. Hoe verhoudt dat met elkaar? Wat zijn de gestelde bezwaren? Hoe verhoudt zich dit standpunt met het voorstel van de gemeente om cliënten een recht van overpad te verlenen? Wat is uw betrokkenheid hierin?

4. Partijen zullen tijdens de mondelinge behandeling verzocht worden om overleg te voeren. Waarom wenst de gemeente niet van te voren overleg te voeren? Wat is uw betrokkenheid hierin, gezien de gemeente mij vorige week heeft laten weten open te staan voor dergelijk overleg? (…)”

2.6 Op 28 augustus 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:

“(…) De gemeente is al jaren betrokken bij dit dossier en heeft meermaals en uitvoerig met de betrokken partijen en wijkagent overleg gevoerd. De gemeente heeft partijen voorts meermaals thuis bezocht. Desondanks en na kennisname van het procesdossier bleef de gemeente bereid tot minnelijk overleg, hetgeen veranderde nadat de zaak aan u werd uitbesteed. Wat is daarvoor de reden en wat is uw rol hierin geweest? (…)”

2.7 Op 5 september 2024 heeft klager inhoudelijk gereageerd.

2.8 Op 13 november 2024 heeft verweerder bij de gemeente een verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) gedaan, waarin hij onder meer verzoekt om:

“alle correspondentie tussen [klager], advocaat van de gemeente in deze kwestie en/of een of meer kantoorgenoten, en de burgemeester;

alle correspondentie tussen [klager], advocaat van de gemeente in deze kwestie en/of een of meer kantoorgenoten, en het college van B&W;

alle correspondentie tussen [klager], advocaat van de gemeente in deze kwestie en/of een of meer kantoorgenoten, en een of meer ambtenaren in dienst van of werkend in opdracht voor de Gemeente Valkenburg;”;

Daarbij heeft verweerder opgemerkt:

“Volledigheidshalve merk ik op dat ten aanzien van de correspondentie tussen de gemeente en haar advocaat geen uitzonderingsgronden aan openbaarmaking in de weg staan. Deze correspondentie dient daarom openbaar gemaakt te worden. Ik acht u bekend met de vaste lijn in de jurisprudentie (zie ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:605). In voornoemde uitspraak overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak onder meer dat de in artikel 11a van de Advocatenwet neergelegde geheimhoudingsplicht zich niet richt tot ontvangers van een door een advocaat opgesteld stuk.”

2.9 De gemeente heeft het Woo-verzoek op 18 november 2024 doorgestuurd aan klager als belanghebbende.

2.10 Op 21 november 2024 heeft klager aan verweerder geschreven:

“In opgemelde zaak ontving ik via cliënte tot mijn verbijstering bijgaand verzoek dat u gemeend hebt te moeten indienen.

1. Ik constateer allereerst dat u zich in deze zaak achter mijn rug om rechtstreeks tot mijn cliënte hebt gewend, zonder enige vooraankondiging of kennisgeving aan mij, en zelfs zonder mij gelijktijdig een afschrift toe te zenden.

2. Met uw verzoek om openbaarmaking van de correspondentie bedoeld onder de eerste drie bullet points van uw verzoek maakt u inbreuk op de geheimhoudersrelatie tussen mij en mijn cliënte, althans tracht u stukken in handen te krijgen die onder geheimhouding vallen en waarvan u geen kennis mag nemen.

3. U doet zulks bovendien onder het doen van onjuiste mededelingen dat zich ten aanzien van correspondentie tussen cliënte en haar advocaat geen uitzonderingsgronden van toepassing zijn en dat deze correspondentie daarom openbaar gemaakt moet worden, waarbij u ten onrechte suggereert dat zulks conform vaste jurisprudentie zou zijn.

Ik acht alle drie bovengenoemde elementen in strijd met hetgeen een behoorlijk handelen advocaat betaamt. (…)”

2.11 Diezelfde dag heeft verweerder gereageerd:

“Uw verbijstering doet vermoeden dat u voorafgaand aan het WOO-verzoek onbekend was met het gegeven dat stukken tussen een gemeente en een advocaat op grond van de Wet open overheid openbaar zijn, althans dat u de gemeente daarover niet in kennis heeft gesteld (dat zal blijken uit het WOO-verzoek). Ik kan mij namelijk niet voorstellen dat u als advocaat of de gemeente als overheidsorgaan verbijsterd kunnen zijn van een beroep op een uit artikel 110 Grondwet voortvloeiend recht op informatie.

Dit is niet de plek om over het WOO-verzoek van standpunten te wisselen. U bent belanghebbende in het WOO-verzoek. Indien u wenst op dit verzoek te reageren, dan dient u daarvoor gebruik ter maken van de door de Wet open overheid geboden mogelijkheid van het indienen vaneen zienswijze.

Het staat u en uw kantoor niet vrij de gemeente te adviseren over het WOO-verzoek. U bent belanghebbende in dit WOO-verzoek. Ik veronderstel u hiermee bekend.

Ik veronderstel u ook bekend dat de geheimhoudingsplicht uitsluitend op u als advocaat van toepassing is. Deze is niet van toepassing op de gemeente als ontvanger van uw stukken. Deze geheimhoudingsplicht zet de verplichting van de gemeente om op grond van de Wet open overheid de verzochte informatie te verstrekken ook niet opzij. Uw geheimhoudingsplicht ten opzichte van de gemeente is ook niet van toepassing op mij. De gemeente is immers niet mijn cliënte (maar die van u).”

 

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende.

a) Verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 25, door zonder vooraankondiging aan, medeweten van of goedkeuring van klager rechtstreeks een Woo-verzoek in te dienen bij de gemeente;

b) Verweerder heeft inbreuk gemaakt op de geheimhoudersrelatie tussen klager en zijn cliënte, door een Woo-verzoek in te dienen bij de gemeente;

c) Verweerder heeft ten onrechte beweerd dat het vaste jurisprudentie is dat er geen uitzonderingsgronden in de weg staan aan openbaarmaking van correspondentie tussen een gemeente en diens advocaat.

 

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

5 BEOORDELING

Toetsingskader

5.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die de tuchtrechter bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

5.2 Gedragsregel 8 luidt: De advocaat dient zich zowel in als buiten rechte te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat die onjuist is.

5.3 Gedragsregel 24 luidt: In het belang van de rechtzoekenden en van de advocatuur in het algemeen streven advocaten naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen.

5.4 Gedragsregel 25 luidt:

1. De advocaat stelt zich met een partij betreffende een aangelegenheid, waarin deze naar hij weet door een advocaat wordt bijgestaan, niet anders in verbinding dan door tussenkomst van die advocaat, tenzij deze laatste hem toestemming geeft rechtstreeks met die partij in verbinding te treden. Deze regel geldt onverminderd wanneer de bedoelde partij zich tot de advocaat wendt.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de advocaat die een aanzegging met rechtsgevolg doet, dat rechtstreeks aan een partij doen, mits met gelijktijdige verzending van een afschrift aan diens advocaat en op voorwaarde dat de mededeling aan een partij beperkt blijft tot deze aanzegging met rechtsgevolg. Indien de advocaat het beoogde rechtsgevolg ook kan bereiken door zijn brief alleen aan de advocaat van een partij te zenden, geldt voormelde uitzondering niet.

Klachtonderdeel a)

5.5 De raad is van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door het Woo-verzoek rechtstreeks in te dienen bij de gemeente en zonder dat hij daaraan voorafgaand verweerder heeft gevraagd om toestemming. Wel had verweerder klager van het verzoek in kennis moeten stellen. Dat licht de raad als volgt toe.

5.6 Vooropgesteld wordt dat gedragsregel 25 ziet op situaties waarin een partij ‘betreffende een aangelegenheid’ wordt bijgestaan door een advocaat. Klager stond de gemeente enkel bij in de privaatrechtelijke procedure. Een bestuursrechtelijk Woo-verzoek valt daar dus in strikte zin niet onder. Daar komt bij dat het uitgangspunt in het bestuursrecht is dat aanvragen worden ingediend bij het bevoegde bestuursorgaan. Dat volgt zo uit artikel 4:1 van de Awb. Dat geldt voor de Woo niet anders, aangezien artikel 4.1 van de Woo ook bepaalt dat het verzoek wordt gericht tot het bevoegde bestuursorgaan. Deze wetten in formele zin bepalen dus hoe aanvragen rechtsgeldig ingediend kunnen worden. Zij gaan voor op lagere regelgeving, zoals in dit geval de gedragsregels voor de advocatuur, waarbij ook nog eens geldt dat bestuursorganen niet gebonden zijn aan deze advocatuurlijke gedragsregels. Verweerder mocht het Woo-verzoek dus indienen bij de gemeente zelf, waarna dit verzoek ook in behandeling zou worden genomen.

5.7 Evenmin had verweerder klager om goedkeuring moeten vragen hiervoor. De Woo voorziet op een laagdrempelige wijze in het recht op toegang tot overheidsinformatie. Zo hoeft een aanvrager geen belang te hebben (artikelen 1.1 en 4.1 lid 3 van de Woo) en kunnen de verzoeken ‘vormvrij’ worden ingediend (artikel 4.1 lid 2 van de Woo). Ook hier geldt dat deze bepalingen uit een wet in formele zin niet kunnen worden doorkruist door lagere, niet bindende regelgeving uit de gedragsregels voor de advocatuur. Een vereiste goedkeuring zou niet alleen verweerders rechten op grond van de Woo belemmeren, maar ook die van zijn cliënte(n).

5.8 Wel is de raad van oordeel dat verweerder klager had moeten informeren over het Woo-verzoek dat hij had gedaan. Zoals hiervoor al is toegelicht, valt het Woo-verzoek niet onder de in gedragsregel 25 genoemde situatie. Dat laat onverlet dat het Woo-verzoek raakte aan de privaatrechtelijke aangelegenheid waarin klager de gemeente bijstond, omdat verweerder daarin onder meer vroeg naar de correspondentie tussen klager en de gemeente. Verweerder had dit niet achter de rug van klager om mogen doen, zeker niet nadat hij daarover al met hem had gecorrespondeerd. Advocaten dienen op grond van gedragsregel 24 te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen. Van verweerder mocht worden verwacht dat hij met open vizier streed door klager te informeren dat hij het Woo-verzoek zou gaan doen, dan wel had gedaan. Dat klager daarover uiteindelijk ook geïnformeerd zou worden als belanghebbende in het kader van de Woo-procedure, doet niet af aan verweerders eigen verantwoordelijkheid. De raad zal klachtonderdeel a) dan ook gegrond verklaren.

Klachtonderdeel b)

5.9 De geheimhoudingsplicht rust op de advocaat en strekt ter bescherming van de cliënte. De cliënte mag met die vertrouwelijke correspondentie doen en laten wat zij wil. In dit geval gaat het om een gemeente. Deze gemeente is, via haar bestuursorganen, verplicht om informatie openbaar te maken als wordt voldaan aan de regels van de Woo. Zoals hiervoor al is aangegeven, mag eenieder een verzoek tot openbaarmaking doen en zo ook verweerder. Als het bestuursorgaan tot openbaarmaking besluit, dan is de informatie vervolgens voor iedereen toegankelijk en dus niet meer geheim. Ook verweerder mag die informatie dan inzien en gebruiken. Daarbij geldt dat als de wetgever in formele zin de geheimhoudingsplicht uit artikel 11a van de Advocatenwet had willen laten prevaleren boven de Woo, hij daartoe een uitzonderingsgrond had kunnen opnemen in de Woo. Dat is niet gebeurd (zie bijvoorbeeld ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870, onder 9.2). Verweerder kan dus niet worden verweten dat hij inbreuk maakt op de vertrouwelijkheid tussen klager en zijn cliënte. Klachtonderdeel b) is ongegrond.

Klachtonderdeel c)

5.10 Gedragsregel 8 ziet op het verstrekken van onjuiste feitelijke informatie. Dat houdt niet in dat verweerder geen ander juridisch standpunt mag innemen over het al dan niet bestaan van jurisprudentie. Klagers argument dat de vaste rechtspraak waaraan verweerder heeft gerefereerd, feitelijk niet bestaat en daarom onder gedragsregel 8 valt, slaagt niet. Ook daarmee gaat het alsnog in de kern over een andere interpretatie van de jurisprudentie. Klachtonderdeel c) is ongegrond.

Conclusie

5.11 Klachtonderdeel a) is gegrond. De klacht is voor het overige ongegrond.

MAATREGEL

5.12 Verweerder heeft een Woo-verzoek gedaan over de correspondentie tussen klager en zijn cliënte, nadat hij deze eerder desgevraagd niet van klager kreeg. Door het verzoek achter klagers rug om in te dienen, is de raad van oordeel dat verweerder niet welwillend heeft gehandeld richting zijn beroepsgenoot. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. De raad acht het opleggen van een waarschuwing afdoende om ervoor te zorgen dat verweerder dit soort verzoeken in toekomstige gevallen op behoorlijke, ‘transparante’ wijze zal doen.

 

6 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

6.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

6.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

a) € 50,- reiskosten van klager,

b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en

c) € 500,- kosten van de Staat.

6.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

6.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

 

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart klachtonderdeel a) gegrond;

- verklaart klachtonderdelen b) en c) ongegrond;

- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.4.

 

Aldus beslist door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, mrs. A.A.T van Ginderen en U.T. Hoekstra, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 november 2025.

 

Griffier                                                                            Voorzitter

 

Verzonden op: 24 november 2025