Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRAMS:2025:211

Zaaknummer

25-681/A/A

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing; klacht kennelijk niet-ontvankelijk. De klacht over verweerder ziet op gedragingen van verweerder op het moment dat hij nog geen advocaat was. Dit betekent dat het advocatentuchtrecht toen niet op hem van toepassing was.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 17 november 2025 in de zaak 25-681/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over:

verweerder 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 6 oktober 2025 met kenmerken 2395473 en 2395791/ER/AS, door de raad ontvangen op 6 oktober 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.1.  De klachten van klager zijn gericht tegen verweerder en zijn kantoorgenoot, mr. S. De klacht over mr. S is bij de raad geregistreerd onder het kenmerk 25-680/A/A. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    In februari 2024 heeft klager verweerder en zijn kantoorgenoot, mr. S, gevraagd om hem juridische bijstand te verlenen. Klager wilde bij de Politie Eenheid Amsterdam klachten indienen, omdat hij naar zijn zeggen bij twee incidenten - op 11 mei 2023 en 4 september 2023 - door de politie is mishandeld. Verweerder was op dat moment juridisch medewerker bij het kantoor. Hij is op 15 mei 2024 beëdigd tot advocaat.  1.2    Verweerder en mr. S hebben de klacht over het incident van 11 mei 2023 op 14 mei 2024 bij de politie ingediend. De politie heeft de klacht wegens een termijnoverschrijding (uiteindelijk) niet in behandeling genomen.  1.3    Klager heeft op 17 december 2024 bij de deken klachten ingediend over verweerder en mr. S. De deken heeft na een gezamenlijk onderzoek naar deze klachten, de klachten met één aanbiedingsbrief aan de raad gestuurd. In deze beslissing wordt uitsluitend beslist op de klacht over verweerder (25-681/A/A). 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder (en mr. S) dat de klacht van klager over het optreden van de politie op 11 mei 2023 opzettelijk te laat is ingediend. 

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING 4.1    De in artikel 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft   betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen.  4.2    De klacht over verweerder ziet op gedragingen van verweerder op het moment dat hij nog geen advocaat was. Dit betekent dat het advocatentuchtrecht toen niet op hem van toepassing was. Op grond hiervan zal de voorzitter de klacht over verweerder met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk niet-ontvankelijk verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk. 

Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025.

Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 17 november 2025