Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:218
Zaaknummer
25-218/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerder had klaagster tijdens een lopende procedure mogen verzoeken een ALV van de VvE uit te roepen met als doel het ontslag van klaagster als bestuurder. Geen sprake van dreigementen of beschuldigingen. Geen schending van artikel 21 Rv. Klacht ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 november 2025 in de zaak 25-218/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder gemachtigde: [kantoorgenoot]
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 14 oktober 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. Op 12 februari 2025 heeft klaagster haar klacht aangevuld. 1.2 Op 2 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025-037 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 september 2025. Daarbij waren klaagster en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 31. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klaagster op 18 april en 15 augustus 2025 nagezonden stukken.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Het gebouw [adres] 5/5A te [plaats] heeft drie appartementsrechten (nummers 5, 5A en 5B). Klaagster is eigenaar van het appartementsrecht 5 te [plaats] en bestuurder van de VvE hoofdsplitsing (HS). De eigenaars van de appartementsrechten 5A en 5B zitten in de VvE ondersplitsing (OS). De bestuurder van de VvE OS is de eigenaar van nummer 5B. In de VvE HS zit voor 50% de eigenaar van appartementsrecht 5 (klaagster) en voor 50% de VvE OS. 2.3 De VvE (HS), met klaagster als vertegenwoordiger, is een procedure bij de rechtbank gestart teneinde voorschotbedragen te innen van de eigenaren [K], [L] en de VvE (OS). 2.4 Bij vonnis van 7 juni 2024 heeft de rechtbank Arnhem – voor zover van belang – het volgende overwogen: “in conventie
5.1 Het meest verstrekkende verweer van [K], [L] en VvE OS is dat VvE HS niet ontvankelijk is in haar vordering, omdat een machtiging van de ALV ontbreekt om onderhavige procedure te voeren. Dat verweer slaagt. (…) Nu het bestuur niet over een machtiging beschikt, wordt VvE HS niet ontvankelijk verklaard in haar vorderingen ten aan zien van [K], [L] en VvE OS. in reconventie 5.2 [L] en VvE OS vorderen in reconventie ontheffing van [klaagster] uit haar bestuursfunctie. Artikel 5:131 lid 2 BW schrijft voor dat het bestuur door de vergadering van eigenaars wordt benoemd en te allen tijde door haar kan worden geschorst of ontslagen. Er heeft echter geen ALV plaatsgevonden, laat staan dat de gevorderde ontheffing uit de bestuurdersfunctie, oftewel ontslag van het bestuur als agendapunt geagendeerd is. (…) Nu de voorgeschreven ALV-route niet heeft plaatsgevonden, worden ook [L] en de VvE OS niet ontvankelijk verklaard in hun vordering.” 2.5 Ter zitting van 16 augustus 2024 hebben partijen in de procedure met kenmerk 11041555 AZ VERZ 24-3 (inzake het verzoek van klaagster tot vernietiging van de besluiten van de ALV van 29 maart 2024) de volgende afspraken gemaakt: “1. Zij zullen binnen een maand na heden een bijeenkomst beleggen, waarbij aanwezig zullen zijn verzoekster, verweerster en de nieuwe eigenaar van huisnummer 5a [B]. Dit zal een open gesprek zijn, waarbij alle vragen, inzagewensen en te bespreken punten worden behandeld. Aan de hand daarvan zal iedere participant een agenda opstellen ter bespreking in aanwezigheid van een deskundige ter advisering van kleine VvE’s. (…) Indien na de bijeenkomst met de deskundige er geen volledige overeenstemming bestaat op basis waarvan gezamenlijke besluiten kunnen worden genomen, kunnen partijen ieder de kantonrechter verzoeken om over deze geschilpunten met hen tijdens een nieuwe mondelinge behandeling in gesprek te gaan. (…)” 2.6 Ter uitvoering van de ter zitting van 16 augustus 2024 gemaakte afspraken hebben diverse besprekingen plaatsgevonden. Die hebben niet tot een oplossing geleid. Klaagster heeft de kantonrechter begin oktober 2024 laten weten dat partijen er onderling niet uitgekomen zijn en heeft verzocht een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen. 2.7 De eigenaars van de appartementsrechten 5A en 5B en de VvE OS hebben in deze periode verweerder benaderd voor rechtsbijstand. 2.8 Verweerder heeft klaagster op 8 oktober 2024 een aangetekende brief gestuurd waarin hij klaagster namens zijn cliënten verzoekt om – voor zover zij bestuurder van de VvE HS zou zijn - een ALV uit te roepen. Als agendapunten noemt hij onder meer de (her)benoeming (en ontslag) van het bestuur van de VvE en het machtigen van het bestuur tot het treffen van incassomaatregelen tegen leden met een achterstand in hun betalingsverplichtingen jegens de VvE. 2.9 Klaagster heeft verweerder in reactie hierop per e-mail van 11 oktober 2024 – voor zover van belang – het volgende bericht: “Zolang de rechtbank Arnhem geen vonnis heeft gewezen inzake het verzoek tot vernietiging van de besluiten van de door de VvE ondersplitsing (OS) gehouden ALV uit naam van de VvE hoofdsplitsing (HS), is het uitroepen van een ALV, zoals door u is verzocht namens uw cliënten (…) met de door u bepaalde agendapunten, die overeenkomen met de besluiten van de door de VvE OS gehouden ALV uit naam van de VvE HS op 29 maart 2024, op dit moment niet geïndiceerd. Een andere contra-indicatie voor uw verzoek is, dat de rechtbank Arnhem binnen afzienbare tijd een datum zal geven, wanneer de kantonrechter in een nieuwe mondelinge behandeling ter zitting in gesprek gaat met de drie eigenaars over de tussen partijen bestaande geschillen. (…) Uw agendapunten zijn derhalve onder de rechter maar zijn ook onderdeel van de niet ontvankelijke vorderingen in reconventie in het vonnis van de rechtbank Arnhem van 7 juni 2024. (…)” 2.10 Op 14 oktober 2024 heeft klaagster een klacht ingediend over verweerder. 2.11 Bij brief van 24 oktober 2024 heeft verweerder namens zijn cliënten een ALV van de VvE HS bijeengeroepen. 2.12 Op 11 november 2024 heeft deze (eerste) vergadering van de VvE HS plaatsgevonden. Op deze vergadering waren onvoldoende stemmen aanwezig om rechtsgeldige besluiten te kunnen nemen. 2.13 Op 19 november 2024 heeft verweerder namens zijn cliënten aan de VvE HS ter attentie van klaagster een e-mail gestuurd met – voor zover van belang – de volgende inhoud: “In artikel 4 van het reglement van de VvE staat dat het bestuur van de VvE gehouden is om na afloop van elk boekjaar een exploitatierekening op te stellen en aan de vergadering wordt voorgelegd. (…) Voor zover mijn cliënten bekend heeft u de voorbije jaren niet aan die verplichting voldaan. (…) bij deze wordt u verzocht om afschriften van de exploitatierekeningen over de boekjaren 2018, 2019, 2020, 2021, 2022 en 2023 binnen één week na vandaag aan mij te hebben verstrekt. (…) Mijn cliënten verlangen inzage in de volgende stukken:(…)” 2.14 Op 28 november 2024 heeft een tweede ALV plaatsgevonden, wederom uitgeroepen door de cliënten van verweerder. Klaagster is uitgenodigd hierbij aanwezig te zijn maar heeft daarvan afgezien. Wel aanwezig waren verweerder (als advocaat van de VvE OS en mevrouw [B] en mevrouw [T]) en [kantoorgenoot] (kantoorgenote van verweerder) als gevolmachtigde van de VvE OS, mevrouw [B] en mevrouw [T]. Tijdens deze ALV, waarbij verweerder als voorzitter optrad, is de heer [B] tot bestuurder van de VvE HS benoemd en klaagster als bestuurder ontslagen. 2.15 Op 9 december 2024 heeft verweerder namens de heer [B], de VvE OS, mevrouw [B] en mevrouw [T] de Kamer van Koophandel een brief gestuurd met – voor zover van belang – de volgende inhoud: “1. In deze brief doe ik een verzoek tot het inschrijven van een bestuurder bij bovengenoemde vereniging van eigenaars (hierna: de VvE) en het uitschrijven van de oud-bestuurder. (…) 3. Als bestuurder staat ingeschreven [klaagster]. [Klaagster] is echter bij unaniem besluit van de vergadering van de VvE als bestuurder ontslagen. Zij weigert haar medewerking aan haar uitschrijving en de inschrijving van de rechtsgeldig verkozen bestuurder in het handelsregister. (…) 11. Op 28 november 2024 heeft een vergadering plaatsgevonden van de VvE waarin [klaagster] als bestuurder is ontslagen en de heer [B] tot bestuurder van de VvE is benoemd.” 2.16 Op 12 december 2024 heeft verweerder namens de VvE OS, [mevrouw B], [de heer B] en [T] een kort geding dagvaarding aan klaagster laten betekenen. Daarin heeft hij geen melding gemaakt van de door hem op 9 december 2024 aan de Kamer van Koophandel gezonden brief. 2.17 Op 16 december 2024 heeft klaagster bij de rechtbank een verzoekschrift strekkende tot vernietiging van de ter vergadering van de VvE HS d.d. 28 november 2024 genomen besluiten ingediend. 2.18 Op 9 januari 2025 heeft de mondelinge behandeling in het door verweerder aanhangig gemaakte kort geding plaatsgevonden. Daarbij waren als eisers, bijgestaan door verweerder, aanwezig: de heer en mevrouw [B] en mevrouw [T]. Als gedaagde was aanwezig: klaagster, vergezeld van haar advocaat [naam]. Tijdens de zitting hebben eisers en gedaagde afspraken gemaakt, welke als volgt zijn vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting: “1. Partijen zijn het er over eens dat zowel voor de VvE Hoofdsplitsing als voor de VvE Ondersplitsing een onafhankelijk en professioneel beheerder en bestuurder wordt benoemd. Dat zal één (rechts)persoon zijn voor beide VvE’s. 2. Voor zover de heer [B] heeft te gelden als bestuurder van de VvE Hoofdsplitsing doet hij afstand van zijn bestuursfunctie. Dat geldt ook voor [klaagster] voor zover zij nog bestuurder is van de VvE Hoofsplitsing. Dat geldt ook voor mevrouw [T] die bestuurder is van de VvE Ondersplitsing. 3. [Verweerder] en [de advocaat van klaagster], de advocaten van partijen, zullen in onderling overleg bepalen wie die beheerder en bestuurder wordt. (…) (…) 9. Partijen zullen alle procedures die aanhangig zijn bij de kantonrechter intrekken en zij dragen ieder de eigen kosten van deze procedures. (…)” Vast staat dat verweerder tijdens deze zitting geen melding gemaakt heeft van de door hem op 9 december 2024 aan de Kamer van Koophandel gezonden brief. 2.19 Op 29 januari 2025 heeft de Kamer van Koophandel de heer [B] met ingang van 28 december 2024 als bestuurder van de VvE HS ingeschreven en klaagster per diezelfde datum als bestuurder uitgeschreven. Klaagster heeft het bericht over deze wijzigingen op 1 februari 2025 per post ontvangen en heeft daartegen op 5 februari 2025 bezwaar gemaakt. 2.20 Op 12 februari 2025 heeft klaagster een aanvullende klacht over verweerder ingediend. 2.21 Op 27 juni 2025 heeft de Kamer van Koophandel het bezwaar van klaagster gegrond verklaard.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende. a) Laakbaar handelen door tijdens een lopende procedure te verzoeken de VvE bijeen te roepen om agendapunten te behandelen waarover reeds een procedure aanhangig is terwijl in die procedure bovendien is afgesproken dat dat de eigenaars van de appartementen – waaronder de cliënten van verweerder - door niemand mogen worden bijgestaan. b) Obstructie van de rechtsgang door primair te betwisten dat klaagster bestuurder is van VvE HS en subsidiair haar te ontslaan met als doel te voorkomen dat zij haar taken als bestuurder kan uitvoeren. c) Onzorgvuldig en onrechtmatig handelen door in zijn brief van 8 oktober 2024 zonder enige vorm van onderzoek dreigementen te uiten over het functioneren van klaagster als bestuurder van de VvE HS en haar zonder enig bewijs te beschuldigen van betalingsachterstanden. Vervolgens heeft verweerder zijn valse beschuldigen herhaald in een dagvaarding. d) Verweerder heeft geen bewijs geleverd dat hij de VvE OS vertegenwoordigt aan de hand van een besluit van de VvE OS gehouden vergadering of een ALV besluit. Verweerder heeft zich bovendien op geen enkele wijze aan de wet- en regelgeving gehouden die gelden voor het bijeenroepen, oproepen en houden van een ALV van de VvE HS en het opstellen van notulen. Het opmaken van valse documenten is strafbaar. e) Misleiden van de rechtbank en de wederpartij door in de kortgedingprocedure geen melding te maken van het in december 2024 bij de Kamer van Koophandel ingediende verzoek om [de heer B] in te schrijven als bestuurder van de VvE HS en klaagster uit te schrijven. Hierdoor heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 21 van het Wetboek van Rechtsvordering.
4 VERWEER 4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Beoordelingskader 5.1 Naar vaste jurisprudentie van het hof van discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. 5.2 De onderhavige klacht betreft het handelen van verweerder als advocaat van de wederpartij. De maatstaf die de raad bij de beoordeling daarvan hanteert, is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen. 5.3 Voor de beoordeling van de klacht wordt bij bovenstaande uitgangspunten aansluiting gezocht. Klachtonderdeel a) 5.4 Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van de raad ongegrond. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt naar het oordeel van de raad niet dat verweerder niet aan klaagster had mogen verzoeken een ALV uit te roepen. Dat er een procedure liep, doet daar niet aan af. Het vonnis van 7 juni 2024 bevat ook geen beslissing over (her)benoeming of ontslag van het bestuur. De rechter wijst er juist op dat de hiertoe te bewandelen weg het oproepen via een ALV is. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de zitting van 16 augustus 2024 ook niet dat partijen niet mogen worden bijgestaan. De gesprekken tussen klaagster en de cliënten van verweerder waren spaak gelopen. Klaagster had om die reden de kantonrechter verzocht de zaak weer op zitting te plannen. Intussen is verweerder door zijn cliënten benaderd en heeft hij hen bijstand verleent. Dat stond hem vrij. Klachtonderdeel b) 5.5 Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Het uitroepen van een ALV met als doel een bestuurder te ontslaan is als zodanig immers niet klachtwaardig. Het betwisten van de hoedanigheid van bestuurder als zodanig, evenmin. Hiermee is niet een gerechtelijke procedure of rechtsgang belemmerd. Verweerder heeft de belangen van zijn cliënten behartigd en dat stond hem vrij. Klachtonderdelen c) en d) 5.6 Naar het oordeel van de raad bevat de brief van verweerder aan klaagster van 8 oktober 2024 geen dreigementen of beschuldigingen. Verweerder was door zijn cliënten, waaronder de VvE OS, verzocht hun belangen te behartigen. Hij mag daarbij uitgaan van de informatie die hij van zijn cliënten krijgt en hoeft daar in beginsel geen extra onderzoek naar te doen. Ook de in de dagvaarding opgenomen stellingen, kon verweerder in het belang van zijn cliënten naar voren brengen. Het is vervolgens aan de rechter om de stellingen te beoordelen. Bij de rechter kan ook aan de orde worden gesteld wat de (juridische) waarde is van documenten, zoals notulen van een ALV. Dat verweerder valse documenten heeft opgesteld, is de raad in ieder geval niet gebleken. Voorts is verweerder niet verplicht om de volmacht van zijn cliënten (of een bewijs van een besluit van een ALV van zijn cliënt, de VvE OS) aan een wederpartij, in dit geval klaagster, te tonen. Ook over de aan hem verstrekte opdracht is hij aan een wederpartij geen verantwoording verschuldigd. Het beroep van advocaat heeft naar zijn aard en functie in het rechtsbestel een bijzonder karakter waarvoor in het kader van beëdiging daartoe een eed of belofte dient te worden afgelegd. Eén van de karakteristieken is dat een advocaat op zijn woord dient te worden geloofd, bijvoorbeeld als hij -zoals in dit geval- stelt namens een cliënt op te treden. Ook deze klachtonderdelen zijn derhalve ongegrond. Klachtonderdeel e) 5.7 Vast staat dat verweerder, ten tijde van de zitting van 9 januari 2025, wist dat er een procedure bij de Kamer van Koophandel liep om zijn cliënt, in de plaats van klaagster, in te schrijven als bestuurder van de VvE (HS). Ook staat vast dat verweerder dit niet in de dagvaarding heeft vermeld en hij hiervan ter zitting en tijdens de schikkingsonderhandelingen geen melding heeft gemaakt. Het is begrijpelijk dat klaagster onaangenaam verrast was toen zij later op de hoogte raakte van de procedure bij de Kamer van Koophandel. Evenwel oordeelt de raad dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door die procedure niet aan de rechter en/of klaagster te melden. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat onder punt 2 van de schikkingsafspraken is overeengekomen dat zowel zijn cliënt als klaagster niet als bestuurder zou optreden tot het aantreden van de nieuwe bestuurder. Voor de raad is tevens navolgbaar de stelling van verweerder dat de procedure bij de Kamer van Koophandel met het oog hierop niet van belang leek. Dit zo zijnde was er geen verplichting van verweerder ex artikel 21 Rv om melding te maken van het verzoek aan de Kamer van Koophandel. Verweerder heeft bovendien onweersproken gesteld zijn cliënt te hebben geïnstrueerd zich hieraan te houden na ontvangst van de beslissing van de Kamer van Koophandel, waarmee deze cliënt op 29 januari 2025 (met terugwerkende kracht) als bestuurder in het register van de Kamer van Koophandel werd ingeschreven. Ook dit klachtonderdeel is naar het oordeel van de raad ongegrond. BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, voorzitter, mrs. W. Knoester en C.J. van Weering, leden, bijgestaan door mr. M.M.C. van der Sanden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 november 2025
