Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:237

Zaaknummer

25-626/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over een advies van een cassatieadvocaat. Niet gebleken dat het advies onjuist of kwalitatief onvoldoende was. Verweerder heeft klager tijdig en correct gewezen op de mogelijkheid om een second opinion aan te vragen. Klager kwam niet in aanmerking voor een toevoeging.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 november 2025 in de zaak 25-626/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van 16 september 2025 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) met kenmerk K134 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de op 22 oktober 2025 van klager ontvangen stukken. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager is in november 2012 uitgevallen en heeft zich ziekgemeld. Sindsdien is hij arbeidsongeschikt. Hij heeft eerder geprocedeerd tegen onder meer Q, waarvoor klager ook werkzaamheden heeft verricht. Q heeft volgens klager niet voldaan aan haar zorgplicht, zodat zij op grond van 7:658 BW aansprakelijk is voor klagers schade. Q is in 2019 ontbonden.  1.2    In 2023 heeft klager aansprakelijkheidsverzekeraar Achmea in rechte betrokken en gevorderd dat voor recht wordt verklaard 1) dat Achmea ex artikel 7:954 lid 1 BW juncto 7:658 BW gehouden is klagers schade (als gevolg van zijn werkzaamheden voor Q) te vergoeden en 2) dat Achmea zal worden veroordeeld tot betaling van € 200.000,- (als voorschot op de schadevergoeding).  1.3    Bij vonnis van 2 augustus 2023 heeft de kantonrecht klagers vorderingen afgewezen. Klager heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.  1.4    Bij arrest van 19 november 2024 heeft het gerechtshof het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. In het arrest staat onder meer:  “3.3 Gezien de gemotiveerde betwisting van Achmea kan niet als vaststaand worden aangenomen dat [klager] (naar het hof begrijpt, structureel) meer uren per week werkte dan past bij een fulltime werkweek (tot meer dan 80 uur per week). Evenmin staat vast dat sprake was van een jarenlang patroon van steeds verder opbouwende werkdruk, die ertoe leidde dat van ’s ochtend vroeg tot ’s avonds laat of zelfs ’s nachts arbeid werd verricht. (…) 3.4 (…) De kantonrechter heeft dus al geoordeeld dat [Q] geen werkgever of inlener van [klager] is geweest. Die beslissing is in kracht van gewijsde gegaan. (…) In deze procedure is daarom uitgangspunt dat [Q] geen werkgever of inlener van [klager] is geweest. (…) 3.9. Net als de kantonrechter, ziet ook het hof geen aanleiding tot toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Het causaal verband is daarvoor te onzeker. Burn-out is een multi-causale beroepsziekte waarvan de oorzaak ook (mede) kan zijn gelegen in omstandigheden die in de privésfeer van de werknemer vallen, zoals zijn persoonlijke aanleg of andere niet aan het werk gerelateerde omstandigheden. In dit geval is daar geen onderzoek naar gedaan (…). (…) Na betwisting door Achmea heeft [klager] ook onvoldoende feiten en omstandigheden met betrekking tot zijn werksituatie gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat de door hem gestelde klachten door het werk en niet door iets anders zijn ontstaan. (…) 3.10 Dat het hof de omkeringsregel niet toepast, betekent dat het aan [klager] is voldoende gemotiveerd te stellen (en zo nodig te bewijzen) dat (i) hij schade heeft geleden (ii) in de uitoefening van zijn werkzaamheden en (iii) daarmee dat er een causaal verband bestaat tussen de opgelopen schade en werkzaamheden. Het hof is van oordeel dat [klager] ten aanzien van deze onderwerpen afzonderlijk en in onderling verband en samenhang bezien onvoldoende concrete stellingen heeft betrokken. (…) Het had op de weg van [klager] gelegen concreet met stukken onderbouwd te stellen over de duur van de burn-out en in hoeverre de huidige arbeidsongeschiktheid daarmee verband houdt.” 1.5    Klager heeft verweerder gevraagd de mogelijkheden tot cassatie tegen het arrest te onderzoeken. Op 28 november 2024 heeft verweerder de opdracht aan klager bevestigd. In die e-mail staat onder meer: “Mijn uurtarief bedraagt momenteel € 280,00, te vermeerderen met BTW en verschotten. (…) Ik heb met u de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand besproken, maar daarvoor komt u niet in aanmerking, zo deelde u mij mede. Als laatste dag, dat cassatieberoep kan worden ingesteld, heb ik woensdag 19 februari a.s. geagendeerd (…).” 1.6    Op 29 november 2024 heeft klager per e-mail aan verweerder laten weten dat hij voor het cassatieadvies graag een fixed fee overeen wil komen.  1.7    Op 10 december 2024 heeft verweerder laten weten dat hij bereid is het advies voor een fixed fee van € 2.000,- ex btw te geven. Klager heeft diezelfde dag laten weten dat hem dat prima lijkt.  1.8    Op 19 december 2024 heeft verweerder aan klager onder meer geschreven: “De Raad voor Rechtsbijstand heeft de toevoegingsaanvraag afgewezen omdat uw inkomen de wettelijk vastgestelde financiële grenzen overschrijdt. (…) Ik wijs u nog extra op de mogelijkheid van peiljaarverlegging en/of bezwaar. Graag bespreek ik die mogelijkheden met u. Zoekt u daartoe telefonisch contact met mij?” Als bijlage heeft verweerder de afwijzing van de Raad voor Rechtsbijstand gevoegd. 1.9    Op 3 januari 2025 heeft verweerder zijn cassatieadvies naar klager gestuurd. Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven geen cassatiemogelijkheden te zien. In het advies staat onder meer:  “Het Hof heeft dat alles met juistheid in rov. 3.7. en 3.8 tot uitgangspunt genomen. Vervolgens echter komt het hof (…) tot het oordeel dat het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is. Dat is een feitelijk oordeel dat niet in cassatie kan worden getoetst. Onbegrijpelijk is dat niet; het hof motiveert dat in rov. 3.9 uitvoerig.  Dat heeft tot consequentie, dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet van toepassing is, en dat het aan u was om voldoende gemotiveerd te stellen (en zo nodig te bewijzen) dat (i) u schade heeft geleden (ii) in de uitoefening van uw werkzaamheden en (iii) daarmee dat er een causaal verband bestaat tussen de opgelegde schade en de werkzaamheden. En helaas komt het hof dan tot het oordeel dat u ten aanzien van deze onderwerpen afzonderlijk en in onderlig verband en samenhang bezien onvoldoende concrete stellingen heeft betrokken. Het hot motiveert dat zeer uitvoering in rov. 3.10. Ook dat alles is een feitelijk oordeel, althans een oordeel dat zozeer met de feiten is verweven, dat daarover in cassatie niet kan worden geklaagd. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet en niet gezegd kan worden dat het hof daarbij (bijvoorbeeld) essentiële stellingen uwerzijds onbesproken zou hebben gelaten; ik heb het dossier (en dan met name de memorie van grieven) daar minutieus op doorgenomen. (…) Graag licht ik mijn advies nog toe, mocht daar behoefte aan bestaan. Belt u in dat geval gerust.  Overigens staat het u vrij van mijn advies second opinion in te winnen. Daartoe resteert nog voldoende, maar ook weer niet heel veel tijd; de cassatietermijn verstrijkt immers op woensdag 19 februari a.s.” 1.10    Op 8 januari 2025 heeft klager in twee e-mails gemotiveerd aan verweerder laten weten dat hij het gegeven advies klachtwaardig vindt, dat verweerder belangrijke onderwerpen heeft genegeerd en dat klager verweerders nota betwist. 1.11    Op 9 januari 2025 om 9:04 uur heeft verweerder aan klager onder meer geschreven: “Ik heb met u de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand besproken, maar daarvoor kwam u niet in aanmerking, zo deelde u mij mede. Ook dat heb ik schriftelijk bevestigd, hetgeen u zelf daags daarna ook nog eens per mail aan mij heeft bericht. U wilde vervolgens een fixed fee overeenkomen. Ik heb dat goed gevonden en u ook dat bevestigd in mijn mail van 10 december jl. Daarna wilde u dat ik toch een toevoeging voor u zou aanvragen. Dat heb ik gedaan, maar zoals verwacht is deze afgewezen omdat uw inkomen de wettelijk vastgestelde financiële grenzen overschrijdt. Ik heb vervolgens met u de mogelijkheid van bezwaar en/of peiljaarverlegging besproken. U deelde mij mede dat dat geen zin had, omdat u nette inkomen ongeveer € 3.000,- per maand bedraagt.” 1.12    Op 9 januari 2025 om 9:09 uur heeft verweerder (als reactie op de twee in 1.10 genoemde e-mails van klager) aan klager onder meer geschreven: “Dit heb ik gelezen, maar doet mij niet van gedachten veranderen.  Ik heb er alle begrip voor dat u teleurgesteld bent over het feit dat ik geen cassatiemogelijkheden zie. (…) Als u zich niet bij mijn advies kunt neerleggen, wijs ik u nogmaals op de mogelijkheid van second opinion, waartoe ik verwijs naar [een link naar de Lijst van leden van de VCCA].”  1.13    Op 25 maart 2025 heeft klager verweerder aansprakelijk gesteld, waarbij hij onder meer schrijft: “Echter dat is anders indien rechtspraak / EU richtlijnen van openbare orde, geheel onbehandeld zijn gebleven. Terwijl deze altijd, gevraagd en ongevraagd getoetst moet worden.” Na ondertekening van de e-mail door klager volgt een “Rapport” waarin het onder meer gaat over de Europese Richtlijn 2003/88/EG en het arrest C-367/23 van het Hof van Justitie.  1.14    Op 3 april 2025 heeft verweerder aansprakelijkheid van de hand gewezen en daarbij onder meer geschreven: “Mij valt niets te verwijten. Mijn cassatieadvies is juist. Zie bijvoorbeeld ook de recente uitspraak van de Hoge Raad van 28 maart jl. en dan met name de conclusie van A-G Lindenbergh vóór dat arrest: ECLI:NL:PHR:2025:169, onder 4.1 t/m 4.7.  Dat advies is bovendien zodanig tijdig gedaan, dat u nog voldoende tijd had gehad om second opinion in te winnen.” 1.15    Op 6 juni 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder dat hij ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar Europese wetgeving van openbare orde, waardoor er ten onrechte geen positief cassatieadvies is gegeven.  2.2    Klager stelt dat verweerder tekort is geschoten in zijn zorgplicht, door ten onrechte geen cassatieberoep in te stellen tegen een arrest waarin het gerechtshof heeft nagelaten om ambtshalve te toetsen aan bepalingen van dwingend Europees recht (waaronder Richtlijn 2003/88/EG, het arrest met kenmerk C-367/23 van het Hof van Justitie en het Handvest van de Grondrechten voor de EU). Verweerder heeft diverse cassatiegrondslagen gemist. Hij had moeten aanvechten dat het gerechtshof het Unierecht niet heeft toegepast. Door dit na te laten heeft hij klager het recht op een effectieve rechtsbescherming ontnomen en is klager de mogelijkheid ontnomen om de kwestie bij de EU als klacht neer te leggen. 2.3    Klager stelt verder dat verweerder niet beschikt over de voor de toevoeging verplichte registratie arbeidsrecht. Klager twijfelt aan de geschiktheid van verweerder om de zaak inhoudelijk correct te beoordelen. Klager stelt dat verweerder ook niet voldoet aan de vereisten voor het behandelen van toevoegingszaken op dit gebied. 

3    VERWEER 3.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij stelt dat de klacht grotendeels een exposé van Europees recht behelst. Dat recht (voor zover dat al juist door klager is weergegeven) deed en doet verweerders advies niet anders zijn. De conclusies die klager trekt, met name door Europese rechtspraak, zijn onjuist. In feitelijke instanties is door/namens klager ook geen (direct) beroep op dat Europese recht gedaan.  3.2    Verweerder voldoet als cassatiespecialist aan de eisen om ook arbeidsrechtelijke kwesties aan de Hoge Raad voor te leggen, temeer omdat het in deze zaak ging om vermeende werkgeversaansprakelijkheid en verweerder tevens letselschadespecialist is, ook op toevoegingsbasis (waarvoor klager niet in aanmerking kwam). 3.3    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  4.2    In deze zaak gaat het met name om het door verweerder gegeven cassatieadvies. Artikel 7.6 van de Verordening op de Advocatuur (Voda) bepaalt dat de advocaat de cliënt tijdig en schriftelijk adviseert over a) de kansen van het cassatieberoep, b) de kosten en risico’s van het cassatieberoep en c) de opportuniteit van een cassatieberoep, gelet op de te verwachten rechtsgang na vernietiging en eventuele (terug)verwijzing. Beoordeling 4.3    Klager verwijt verweerder dat hij essentiële punten, waaronder met name de Europese regelgeving en jurisprudentie, niet heeft betrokken bij zijn cassatieadvies, als gevolg waarvan ten onrechte een negatief cassatieadvies is gegeven. Hoewel in het cassatieadvies inderdaad niet naar Europese regelgeving en jurisprudentie wordt verwezen, is dat onvoldoende om te stellen dat verweerder tekort is geschoten. Het is de voorzitter niet gebleken dat het advies onjuist of kwalitatief onvoldoende is. Verweerders advies voldoet (voor zover relevant) aan de vereisten van artikel 7.6 van de Voda. In het advies zijn de beslissingen van het gerechtshof stap voor stap langsgelopen, waarbij verweerder heeft gemotiveerd waarom daartegen geen (succesvol) cassatieberoep mogelijk is. Verweerders advies is zoals dat van een redelijk bekwame en redelijk handelende (cassatie)advocaat verwacht mag worden.  4.4    Verweerder is bovendien na kritiek op zijn cassatieadvies ingegaan op op- en aanmerkingen die klager heeft gemaakt.  4.5    Voor zover klager verwijt dat verweerder hem het recht op een effectieve rechtsbescherming is ontnomen, geldt het volgende. Verweerder heeft reeds in zijn opdrachtbevestiging melding gemaakt wanneer de termijn om cassatieberoep in te stellen verloopt, zijn cassatieadvies ruim zes weken voor het verlopen van deze termijn naar klager gestuurd, met vermelding dat klager een second opinion kan inwinnen en (wederom) het moment van verstrijken van de termijn, en na een ontstane discussie over verweerders advies klager (wederom en meermalen) gewezen op de mogelijkheid om een second opinion te vragen, met verwijzing naar een lijst van advocaten die in civiele cassatiezaken bij de Hoge Raad mogen procederen. De voorzitter is van oordeel dat verweerder dit tijdig en correct heeft gedaan en dat klager nog voldoende tijd had om een andere advocaat in te schakelen en zijn zaak aan de Hoge Raad voor te leggen. Kortom, verweerder kan hiervan geen verwijt worden gemaakt.  4.6    Voor zover klager klaagt over verweerders deskundigheid en de benodigde registraties (zie 2.2), geldt dat klager dit niet verder heeft onderbouwd. Verweerder heeft dit uitdrukkelijk betwist (zie 3.2). Verweerder is ook lid van de Vereniging van Civiele Cassatieadvocaten.  4.7    Klager lijkt zich er verder over te beklagen dat mogelijkheden voor het verkrijgen van een toevoeging onbenut zijn gebleven. De voorzitter is van oordeel dat uit de tussen klager en verweerder gevoerde e-mailcorrespondentie afdoende blijkt dat de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand is besproken, dat duidelijk was dat klager daarvoor niet in aanmerking kwam, dat klager en verweerder een fixed fee zijn overeengekomen, dat klager daarna toch verlangde dat verweerder een toevoeging zou aanvragen, dat verweerder dat heeft gedaan, dat de Raad voor Rechtsbijstand de aanvraag heeft afgewezen en dat verweerder klager hiervan op de hoogte heeft gebracht. Verder blijkt dat verweerder klager heeft gewezen op de mogelijkheid van peiljaarverlegging en bezwaar. Uit verweerders e-mail van 9 januari 2025 volgt dat peiljaarverlegging volgens klager geen zin zou hebben, gezien zijn inkomen. De voorzitter is van oordeel dat verweerder op dit punt voldoende voor klager heeft gedaan.  4.8    Voor zover klager in zijn aanvulling van 22 oktober 2025 nieuwe klachten indient, geldt dat dit op gespannen voet staat met artikel 46c van de Advocatenwet. In dit artikel wordt bepaald dat klachten worden ingediend bij de deken en dat de deken daarnaar onderzoek instelt. De voorzitter laat nieuwe klachten daarom buiten beschouwing. Hetgeen klager als nadere toelichting in zijn bericht van 22 oktober 2025 heeft opgenomen, is vanzelfsprekend wel meegenomen. Conclusie 4.9    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025

Griffier                 Voorzitter

Verzonden op: 19 november 2025