Rechtspraak
Uitspraakdatum
10-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:224
Zaaknummer
25-172/DH/DH
Inhoudsindicatie
Verweerster heeft en een familiekwestie polariserend gehandeld door op stellige wijze naar voren te brengen dat klager het kind niet heeft erkend, terwijl dat niet bleek te kloppen, althans niet was vereist in het land van geboorte. Verweerster heeft voorts niet voldaan aan haar onderzoeksplicht daartoe. Ook heeft verweerster niet gereageerd op meerdere e-mails van klager over de verrekening, terwijl de voorzieningenrechter twee/drie maanden daarvoor had aangedrongen op nader minnelijk overleg en bovendien verweerster zelf het initiatief heeft genomen voor dat overleg.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 10 november 2025 in de zaak 25-172/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 1 oktober 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 14 maart 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K203 2024 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 29 september 2025. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventaris genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de aanvullende stukken van klager van 10 juni 2025.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klager heeft een affectieve relatie gehad met mevrouw N (hierna: de vrouw). 2.3 Met ingang van 1 december 2023 hebben zij samen een huurovereenkomst gesloten voor een woning voor de duur van minimaal 12 maanden. 2.4 Op 10 januari 2024, toen klager en de vrouw vanwege vakantie in Canada waren, is de vrouw bevallen van een kind. Klager is als vader op de geboorteakte genoteerd en het kind heeft zijn achternaam gekregen. Vanwege complicaties rondom de bevalling heeft een ziekenhuisopname in Canada moeten plaatsvinden en was diverse medische bijstand in Canada noodzakelijk. Klager heeft de medische kosten betaald. Klager, de vrouw en het kind zijn langer in Canada gebleven. Bij terugkomst in Nederland is het kind geregistreerd bij de gemeente. 2.5 Klager en de vrouw hebben op 14 februari 2024 de relatie beëindigd en klager is uit de woning vertrokken. 2.6 Vanaf 27 februari 2024 heeft klager het kind niet meer gezien. Kort daarna heeft klagers advocaat een voorstel gedaan aan de vrouw voor omgang en terugbetaling van de zorgkosten. Vanaf 13 maart 2024 is de vrouw bijgestaan door verweerster. 2.7 Op 20 maart 2024 heeft verweerster in een brief aan de advocaat van klager geschreven: “(…) Het staat wel vast dat uw cliënt de biologische vader is van [het kind] en in dat verband is er natuurlijk een alimentatieverplichting vanaf de dag van zijn geboorte. (…) Verder vermeld ik, dat, nu er geen erkenning naar Nederlands of Canadees recht heeft plaatsgevonden, de achternaam van cliënte als achternaam van [het kind] moet worden vermeld op de geboorteakte, terwijl cliënte ook alleen het ouderlijk gezag over [het kind] heeft. Gaarne dus afgifte van geboorteakte en paspoort, die anders als vordering in het kort geding aan de orde zouden moeten komen. (…)” 2.8 Per 1 mei 2024 heeft klager een kamer gehuurd, wat de verhuurder op 24 mei 2024 per e mail heeft bevestigd. 2.9 Bij ambtshalve genomen besluit van 23 mei 2024 heeft de gemeente aan de vrouw bericht dat klager bij de inschrijving van het kind ten onrechte in het BRP als vader is opgenomen en dat klager pas opnieuw in het BRP kan worden opgenomen na erkenning door klager of het inleveren van een bewijs van erkenning. De gemeente heeft daarbij uitgelegd dat klager en de vrouw niet gehuwd waren en dat uit de geboorteakte niet kan worden opgemaakt dat klager het kind heeft erkend in Canada. 2.10 Op 28 mei 2024 heeft een zitting in kort geding plaatsgevonden. Bij vonnis van 11 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter in kort geding een voorlopige omgangsregeling bepaald tussen klager en het kind. Daarbij is onder meer overwogen dat de vrouw de kosten die klager heeft gemaakt voor de bevalling in Canada dient te vergoeden (omdat zij die kosten inmiddels van haar zorgverzekeraar vergoed heeft gekregen) en dat het aan (de advocaten van) partijen is om nader minnelijk overleg te voeren over de verdere finale verrekening tussen partijen. 2.11 Bij beschikking van 30 juli 2024 heeft de rechtbank bij voorlopige voorziening bepaald dat klager met ingang van 14 februari 2024 € 150,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, overeenkomstig de voor de zitting bereikte overeenstemming tussen klager en de vrouw. 2.12 Op 1 augustus 2024 heeft verweerster aan klager geschreven: “Ik zend u hierbij een afschrift van mijn mailbericht aan mr. [D], de advocaat die voor u optrad in de kinderalimentatiezaak. Ik veronderstelde dat hij zich ook zou gaan stellen in de procedure bij de rechtbank die mw. [T] was begonnen over de afwikkeling van de DSW-uitkering en de huurovereenkomst, maar dat bleek niet het geval te zijn. Ik kreeg dan ook, toen ik de brief vorige week verzond aan de heer [D], bericht van een kantoorgenoot van hem (hij is op vakantie) dat hij niet in deze zaak voor u optreedt. Zoals u kunt lezen in mijn brief aan meneer [D], die ik dan nu aan u doe toekomen, ga ik ervan uit dat een en ander tussen u en [de vrouw] wordt afgewikkeld conform de verrekening die ik erbij heb gedaan als productie 5. (…)” In de genoemde brief d.d. 1 augustus 2024 van verweerster aan mr. D staat vermeld: “Hoewel u zich niet gesteld hebt in de dagvaardingsprocedure, die door uw cliënt is gestart bij de Rechtbank in Den Haag, wend ik mij tot u, om te komen tot een praktische oplossing. (…) Ik zend u hierbij een overzicht van de verrekening (prod.5), zoals in deze brief verwoord. (…) Ik ga er van uit dat we op deze wijze, waarover partijen zich eerder positief hebben uitgelaten, dit regelen. Daarom heb ik met bijgaand B-formulier ook de rechtbank bericht te kunnen instemmen met het doorhalen van de procedure (prod.6). (…) Graag verneem ik van u ter zake nog een bevestiging.” 2.13 Op 7 augustus 2024 heeft klager daarop gereageerd: “Ik hoopte dat we de uitspraak van de rechter onderling konden regelen zonder de tussenkomst van mijn advocaat. Helaas moet ik, net als bij enkele van uw eerdere uitspraken, ook de berekening in uw laatste brief aan mij in twijfel trekken. Ik kan niet akkoord gaan met de door u toegezonden berekening. (…) Daarom verzoek ik u vriendelijk om een vernieuwde berekening op te stellen op basis van de volgende feiten: 1. Huurbetalingen: Ik betaal de helft van de huur. 2. Servicekosten: Het is niet afgesproken dat ik voor de servicekosten moet opdraaien. (…) 3. Kosten door de vader: In het vonnis van de rechter is niet opgenomen dat ik verantwoordelijk ben voor eventuele kosten die door de vader zijn gemaakt. Uw cliënt heeft besloten in de woning te blijven wonen en geniet volledig van het woongenot. Het is redelijk dat zij de kosten voor alle benodigdheden om de woning aantrekkelijk te maken voor haar eigen rekening neemt. Aangezien de rechter nadrukkelijk in het vonnis heeft opgenomen dat de vergoeding volledig aan mij toebehoort, is het voor mij belangrijk dat de uitgaven op een eerlijke manier worden verdeeld, aangezien uw cliënt ervoor heeft gekozen het geld van mij te houden. Tot slot verzoek ik u dringend de uitspraken van de rechter te respecteren bij het maken van de vernieuwde berekening. Een correcte en eerlijke berekening is in het belang van beide partijen om verdere complicaties te voorkomen. Ik zie uw reactie met belangstelling tegemoet.” Verweerster heeft hierop niet gereageerd. 2.14 Eind augustus 2024 dan wel begin september 2024 heeft verweerster haar werkzaamheden voor de vrouw neergelegd. 2.15 Op 4 september 2024 heeft klager opnieuw aangedrongen op een herziene berekening. Verweerster heeft hierop niet gereageerd. 2.16 Op 5 september 2024 heeft de ambassade van Canada aan klager medegedeeld: “(…) In Canada we do not have such a document like they do here in The Netherlands. We acknowledge the parents with them being on the birth certificate. (…)” 2.17 Bij vonnis van 13 mei 2025 heeft de rechtbank Den Haag vastgesteld dat de Canadese geboorteakte, waarop klager als juridische vader van het kind is aangemerkt, voor erkenning in Nederland in aanmerking komt.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende. a) Verweerster heeft onjuiste uitspraken gedaan over de erkenning van het kind; b) Verweerster heeft tijdens de zitting onjuiste informatie verstrekt over de woonstatus van klager; c) Verweerster heeft een foutieve berekening van de kinderalimentatie gemaakt en heeft niet gereageerd op klagers verzoek om een herberekening; d) Verweerster heeft in strijd met de eerder gemaakte afspraken haar cliënte geadviseerd om het door de verzekering uitgekeerde bedrag achter te houden.
4 VERWEER 4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: - het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, - het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, - het verloop van het geschil tot dan toe en - de kans op succes van de procedure. Klachtonderdeel a) 5.3 Verweerster heeft in haar brief van 20 maart 2024 zonder voorbehoud gesteld dat klager het kind niet heeft erkend. Die stelling was in zoverre onjuist, omdat de vermelding van klager op de geboorteakte van het kind naar Canadees recht al voldoende was voor het zijn van juridische ouder van de minderjarige. Anders gezegd, in Canada gelden andere regels voor erkenning van een kind. Het had op de weg van verweerster gelegen om nader onderzoek te doen naar de gevolgen van de geboorte in Canada en hoe het erkennen van kinderen naar Canadees recht is geregeld, voordat zij deze stelling innam. Dat heeft verweerster niet gedaan, althans daarvan is niet gebleken. Dat er volgens haar cliënte geen sprake was van erkenning en verweerster daarover niets in de geboorteakte zag staan, ontslaat verweerster niet van haar eigen onderzoeksplicht om na te gaan hoe de erkenning in een ander land is geregeld voordat zij een dergelijke stellige uitlating doet. Klager en de vrouw, beiden voorzien van de Nederlandse nationaliteit en samenwonend in Nederland, hadden tijdens hun reis naar Canada een affectieve relatie. Niet is betwist dat klager de biologische vader van het kind is. De geboorteakte vermeldt klager als vader en het kind draagt de achternaam van klager. Tegen deze achtergrond waren er voldoende omstandigheden om in dit geval niet (meteen) uit te gaan van de informatie van haar cliënte en om de juistheid van die informatie te controleren. Verweerster heeft ter zitting toegelicht dat dit een minder prangend onderwerp was omdat de gemeente nog onderzoek zou doen naar de erkenning, maar ook dan had zij tegen de geschetste achtergrond niet zonder voorbehoud kunnen opschrijven dat klager het kind niet heeft erkend. De raad is van oordeel dat verweerster hiermee de belangen van klager op onevenredige wijze heeft geschaad. Anders dan verweerster stelt, ziet de raad wel in dat klager hiervan nadeel heeft ondervonden. Klager heeft toegelicht dat verweersters cliënte het vermeende ontbreken van de erkenning en het daarmee ontbreken van zeggenschap over het kind tegen hem heeft gebruikt en dat hij als gevolg daarvan acht maanden geen contact met het kind heeft gehad. Hoewel de opstelling van de vrouw en de onduidelijkheid bij de gemeente daar ook een aandeel in zullen hebben gehad, heeft verweersters handelen op zijn minst geleid geleid tot polarisatie tussen de ouders van het kind. Dat kan verweerster tuchtrechtelijk worden verweten. Klachtonderdeel a) is gegrond. Klachtonderdeel b) 5.4 Verweerster wordt verweten op de zitting van 28 mei 2024 ten onrechte te hebben gezegd dat klagers tijdelijke verblijfplaats “onzin” was. Dit is niet onderbouwd met bijvoorbeeld een proces-verbaal, zodat de raad niet kan vaststellen of verweerster dat zo heeft gezegd. Daartegenover heeft verweerster toegelicht dat uit de stukken van klagers advocaat bleek dat klager in een andere gemeente woonde dan haar cliënte. Zij heeft daarbij toegelicht dat het voor haar cliënte nodig was om te weten waar klager verbleef, om tot een omgangsregeling te kunnen komen. Gelet op de omstandigheid dat de raad niet kan vaststellen dat het is gezegd zoals klager heeft gesteld, is klachtonderdeel b) ongegrond. Klachtonderdeel c) 5.5 De raad stelt voorop dat het niet aan de tuchtrechter is om te controleren of alimentatieberekeningen juist zijn. Het is aan partijen onderling om hierover overleg te voeren of dit aan de civiele rechter voor te leggen. Het opnemen van posten in een voorstel tot verrekening die daarin volgens de wederpartij niet thuishoren, is op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het is in dat geval aan de wederpartij om bezwaar te maken tegen die posten. 5.6 Dat bezwaar heeft klager op 7 augustus 2024 gemaakt, waarbij hij verweerster verzocht om een nieuwe berekening te maken. Verweerster heeft daarop, ondanks rappel, niet gereageerd. Dat mocht wel van haar worden verwacht. Hoewel een advocaat in beginsel niet gehouden is om inhoudelijk te reageren op brieven van de wederpartij (zie bijvoorbeeld HvD 15 augustus 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:158, onder 8.8; RvD Arnhem-Leeuwarden 15 maart 2021, ECLI:NL:TADRARL:2021:51, onder 4.10, en RvD Arnhem-Leeuwarden 16 maart 2020, ECLI:NL:TADRARL:2020:119, onder 4.10), is de raad van oordeel dat verweerster onder deze omstandigheden de gerechtvaardigde belangen van klager op onevenredige wijze heeft geschonden. De voorzieningenrechter heeft (de advocaten van) klager en de vrouw meegegeven om overleg te voeren over de verdere verrekening. Verweerster heeft daarmee het startschot gegeven door een voorstel tot verrekening te doen op 1 augustus 2024. Wanneer de wederpartij daarop vervolgens reageert en in debat wil gaan, is het onbehoorlijk om daar in het geheel niet op te reageren. Als de bezwaren van klager niet tot een ander standpunt leidde van haar cliënte, dan had verweerster ook dat kort kunnen mededelen. Verweerster heeft klager nu onnodig in onzekerheid laten verkeren. Daartegenover heeft verweerster aangevoerd dat zij meent dat het niet van haar kan worden verwacht dat zij hierover op kosten van haar cliënte in discussie met klager zelf te moeten treden en dat hij een advocaat had moeten vinden. Daarmee miskent verweerster dat het niet aan haar is om te bepalen of klager zich wel of niet laat bijstaan door een advocaat om tot een akkoord te komen over de verrekening. 5.7 Gelet hierop zal de raad klachtonderdeel c) gegrond verklaren. Klachtonderdeel d) 5.8 Volgens klager zou de cliënte van verweerster op 16 augustus 2024 hebben gezegd dat zij de uitkering van de verzekering voor de medische kosten kon achterhouden. Dat is door verweerster betwist en door klager ook niet onderbouwd. De raad kan daarom niet vaststellen of dit advies is gegeven. Dat betekent dat klachtonderdeel d) ongegrond is.
6 MAATREGEL 6.1 Verweerster heeft en een familiekwestie polariserend gehandeld door op stellige wijze naar voren te brengen dat klager het kind niet heeft erkend, terwijl dat niet bleek te kloppen, althans niet was vereist in het land van geboorte. Verweerster heeft voorts niet voldaan aan haar onderzoeksplicht daartoe. Ook heeft verweerster niet gereageerd op meerdere e-mails van klager over de verrekening, terwijl de voorzieningenrechter twee/drie maanden daarvoor had aangedrongen op nader minnelijk overleg en bovendien verweerster zelf het initiatief heeft genomen voor dat overleg. 6.2 De raad acht de maatregel van een waarschuwing passend.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, dient verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem te vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en b) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerster dient het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, over te maken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING De raad van discipline: - verklaart klachtonderdelen a) en c) gegrond; - verklaart klachtonderdelen b) en d) ongegrond; - legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op; - veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.1; - veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in overweging 7.3.
Aldus beslist door mr. S.M. Krans, voorzitter, mrs. W.R. Arema, M.M. van Wijk, A.T. Bol en E.A.L. van Emden, leden, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 10 november 2025
