Rechtspraak
Uitspraakdatum
29-10-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:230
Zaaknummer
25-585/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijk geschil. Verweerders uitlatingen in zijn verweerschrift zijn niet onnodig grievend. Niet gebleken dat ze onwaar zijn. Het verweerschrift is binnen de wettelijke mogelijkheden ingediend. Klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 29 oktober 2025 in de zaak 25-585/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 29 augustus 2025 met kenmerk K249 2024 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klager is gescheiden. Hij en zijn ex-partner (hierna: de vrouw) hebben twee minderjarige dochters. Bij beschikking van 11 oktober 2013 heeft de rechtbank, onder meer, een zorgregeling met betrekking tot de kinderen bepaald. 1.2 Op 16 april 2024 heeft klagers advocaat bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend, strekkende tot wijziging van de eerder vastgestelde zorgregeling. In het verzoekschrift is onder meer vermeld: “5. Na het wijzen van voormelde beschikking is de zorgregeling wel uitgevoerd, maar heeft de man immer tegenwerking van de vrouw moeten ervaren. De man heeft veel last gehad van de gevolgen van de relatiebreuk. De vrouw zag aanleiding om voorwaarden te stellen aan de omgang tussen de man en de kinderen en daarin eigenmachtig te bepalen. De man heeft zich hierdoor immer achtergesteld en miskend gevoeld. (…) 7. (…) De man vindt al lange tijd dat hij veel te weinig betrokken kan zijn bij het leven van de kinderen, mede ook omdat de vrouw de man die betrokkenheid ook niet gunt en hem nauwelijks betrekt bij zaken die de kinderen aangaan.” 1.3 Op 2 juli 2024 heeft verweerder, namens de vrouw, een verweerschrift ingediend bij de rechtbank. In het verweerschrift staat onder meer: “3. (…) De vrouw heeft altijd gezocht naar een manier om de man de kinderen te laten blijven zien, ongeacht de situatie van de man. De vrouw overlegt daartoe een klein aantal van de vele documenten in de afgelopen jaren waaruit dit blijkt (productie 1). (…) 4. Dat de man stelt dat hij veel last heeft gehad van de relatiebreuk kan niet aan de vrouw worden verweten. De reden voor de relatiebreuk destijds is dat de man er een andere relatie op nahield en psychisch erg labiel was. (…) De vrouw heeft destijds vanwege het onvoorspelbare gedrag van de man in het belang van de kinderen geen gehoor gegeven aan de niet realistische wensen van de man dat hij de kinderen bij zich kon hebben met overnachtingen. Zowel de huisarts van de kinderen als Veilig Thuis zijn hierbij actief betrokken geweest, (…) De man stelt dit als eigenmachtig handelen van de vrouw te zien en zich immer miskend en achtergesteld te hebben gevoeld. De onophoudelijke stroom aan berichten van de man aan het adres van de vrouw staat in schril contrast met de niet onderbouwde stelling van de man dat hij nergens in is gekend en niet betrokken is bij de besluiten omtrent de kinderen. De vrouw spreekt de uitdrukkelijke wens uit dat de man stopt met de ongebreidelde stroom van berichten aan het adres van de vrouw. De vrouw is er bijvoorbeeld ook niet van gediend om nog steeds elk jaar grote bossen bloemen op moederdag en haar verjaardag van de man te ontvangen. (…) 5. (…) Het is kenmerkend dat de man dit projecteert als zijnde een gevolg van niet bestaande problemen tussen partijen. 6. (…) ‘De vrouw overlegt een aantal documenten, waaruit blijkt dat de man overal bij betrokken is geweest en hij daar vrijelijk zijn mening in kon geven’ 7. (…) ‘[Dochter E] heeft aangegeven dat het haar niet zoveel uitmaakt of de zorgregeling al dan niet worden ingewilligd’ Als producties bij het verweerschrift zijn onder meer gevoegd diverse (e-mail en WhatsApp)correspondentie, casusformulieren VTH uit 2016 en 2017 naar aanleiding van adviesvragen van de vrouw en uitdraaien van de huisarts van de vrouw. 1.4 Op 5 juli 2024 is de zaak op de zitting van de rechtbank behandeld. 1.5 Bij beschikking van 16 augustus 2024 heeft de rechtbank een gewijzigde zorgregeling vastgesteld. 1.6 Op 5 december 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende. a) Verweerder heeft wederom schadelijke en onware dingen over klagers capaciteit als vader geschreven, en onwaarheden over de betrokkenheid van Veilig Thuis onder andere vanwege klagers vermeende psychische toestand. Verweerder is pas drie dagen voor de zitting met deze zaken gekomen, inclusief een ander voorstel, zodat er geen tijd meer was om te reageren. 2.2 Klager vindt de door verweerder gedane uitlatingen grievend, schadelijk en denigrerend naar hem als persoon en als vader. Hij stelt dat hij is neergezet als labiele, kindermishandelende schizofreen die niet voor zichzelf kan zorgen en zich als stalker opstelt, terwijl hij een goede en betrokken vader is, die een sterk en sociaal netwerk heeft en een hoger ambtenaar is. Klager vindt dit extra onacceptabel omdat verweerder weet dat de Kinderbescherming ook aanwezig is bij zo’n persoonlijke familiezaak die over de kinderen gaat. Dit is niet de eerste keer, maar is een patroon, waarbij klager verwijst naar zijn eerdere klacht uit juni 2023.
3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij betwist de klacht en heeft ter onderbouwing gewezen op de producties bij zijn verweerschrift, waaruit is op te maken er geenszins schadelijke en/of onware dingen zijn gezegd en evenmin dat dit betrekking zou hebben op klagers capaciteit als vader. Klager had bovendien ter zitting kunnen aangeven dat een en ander niet waar zou zijn, dat heeft klager nagelaten. Verweerder verwijst verder ook naar onder meer stukken van het AMK, onderdeel van Veilig Thuis, die op initiatief van de huisarts is benaderd. 3.2 Verweerder stelt dat het verweerschrift in overeenstemming met het procesreglement is ingediend bij de rechtbank, met een kopie aan klagers advocaat. 3.3 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader 4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 4.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij in iedere zaak afwegen: - het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure, - het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan, - het verloop van het geschil tot dan toe en - de kans op succes van de procedure. Beoordeling klacht 4.3 De klacht ziet in de kern op de door verweerder in het verweerschrift van 2 juli 2024 opgenomen stellingen. Klager stelt – kort gezegd – dat die uitlatingen onnodig grievend en onjuist zijn. De voorzitter volgt klager daarin niet. De voorzitter stelt voorop dat verweerder, als partijdig belangenbehartiger, het standpunt van zijn cliënte heeft verwoord, waarbij is afgegaan op de informatie die hij van zijn cliënte kreeg. 4.4 Met betrekking tot randnummer 3 van voornoemd verweerschrift overweegt de voorzitter dat verweerder daar namens zijn cliënte heeft gesteld dat zij altijd heeft gezocht naar een manier om de man de kinderen te laten blijven zien. Ter onderbouwing zijn ‘een klein aantal documenten’ overgelegd. Klager is het met die stelling niet eens, maar dat is onvoldoende voor de voorzitter om vast te stellen dat die stelling onjuist is. De stelling is functioneel en bovendien onderbouwd met stukken. Dat een selectie van stukken is overgelegd, maakt dat niet anders. Niet verwacht kan worden dat alle documenten en/of correspondentie worden overgelegd. Het was aan klager om hier in de procedure zo nodig verweer tegen te voeren. De stelling kan evenmin als grievend worden aangemerkt. 4.5 Met betrekking tot randnummer 4 geldt dat verweerder met de stelling dat klager op het moment van de relatiebreuk ‘psychisch erg labiel’ was de visie van zijn cliënte heeft verwoord, zo volgt ook uit de in het verweerschrift gegeven context, zoals weergegeven onder 1.3, waarna verdere onderbouwing van deze stelling volgt. Verweerder heeft zijn stelling dat sprake was van onvoorspelbaar gedrag van de man onderbouwd met stukken. Dit betreffen stukken waaruit blijkt dat de vrouw destijds (in 2016/2017) melding heeft gemaakt bij Veilig Thuis en ook bij haar huisarts een en ander besproken heeft. Duidelijk is daarmee dat Veilig Thuis en de huisarts betrokken zijn geweest, zodat de stelling op dat punt niet onwaar is. Bovendien heeft klager de mogelijkheid gehad tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank te reageren op deze stellingen van de vrouw. Ook de stelling over de onophoudelijke c.q. ongebreidelde stroom berichten van klager is door verweerder met stukken onderbouwd. Dat het in beide gevallen om stukken gaat die al wat ouder zijn, is kennelijk het gevolg van het feit dat door partijen wordt verwezen naar gebeurtenissen en omstandigheden uit het verleden. Dat is op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het is niet onbegrijpelijk dat klager de ingenomen stellingen als kwetsend ervaart. De voorzitter is echter van oordeel dat de stellingen niet onnodig grievend zijn en dat de onwaarheid ervan niet is gebleken. 4.6 Met betrekking tot randnummer 5 is de voorzitter van oordeel dat verweerder dit standpunt namens zijn cliënte mocht innemen. Hoewel ook hier niet onbegrijpelijk is dat klager dit als kwetsend heeft ervaren, is dat op zichzelf onvoldoende. Verweerder is zijn ruime mate van vrijheid niet te buiten gegaan. 4.7 Met betrekking tot randnummer 6 geldt, zoals hiervoor ook onder 4.4. overwogen, dat voldoende is dat een selectie van stukken is overgelegd. Ook hier geldt dat het aan klager was om in de procedure zo nodig verweer te voeren. 4.8 Met betrekking tot randnummer 7 geldt dat verweerder mocht afgaan op de informatie die hij van zijn cliënte ontving. Beide minderjarige kinderen hebben in het gesprek met de kinderrechter verteld hoe voor hen een zorgregeling eruit zou moeten zien. Dochter E heeft in dat gesprek verteld een wat ruimere zorgregeling te willen. Wat de minderjarige kinderen van partijen hebben verteld aan de kinderrechter is aan partijen tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden. De rechter heeft uiteindelijk deze mening doorslaggevend geacht bij het vaststellen van een nieuwe zorgregeling. De voorzitter kan dan ook niet vaststellen dat verweerder op dit punt informatie heeft verstrekt waarvan hij wist dat die onjuist was. 4.9 De voorzitter is dan ook van oordeel dat verweerder in zijn verweerschrift niet onnodig grievend is geweest. Evenmin kan de voorzitter vaststellen dat verweerder informatie heeft verstrekt waarvan hij wist dat die onjuist was. Dat de Raad voor de Kinderbescherming (mogelijk) op zitting zou zijn, verandert hieraan niets. De Raad heeft een adviesfunctie voor de rechter op grond van artikel 810 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv), ongeacht eventuele eerdere betrokkenheid in hulpverlening in een gezin. De Raad wordt, overeenkomstig het Procesreglement Familie en Jeugdrecht rechtbanken, opgeroepen tijdens de mondelinge behandeling te verschijnen. 4.10 Het verweerschrift is drie dagen voor de zitting ingediend. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat de indiening is gebeurd met inachtneming van het geldende procesreglement. Op grond van artikel 282 in samenhang met 278 Rv mag tot aan de mondelinge behandeling verweer gevoerd worden. Het indienen van het verweerschrift is dus binnen de wettelijke mogelijkheden. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook geen sprake. 4.11 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 29 oktober 2025
