Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TAHVD:2025:235

Zaaknummer

250265

Inhoudsindicatie

Verzet na afwijzende verwijzing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Deze heeft de juiste maatstaf gehanteerd en niet is gebleken dat hij van onjuiste of onvolledige feiten is uitgegaan. Het is niet de deken, maar de Raad van Discipline die een oordeel moet geven over een ingediende klacht. De deken mag in het kader van de afronding van het onderzoek een inschatting geven van hoe het oordeel van de raad zou kunnen luiden, maar is daartoe niet verplicht. Klager heeft de gelegenheid (gehad) om de klacht voor te leggen aan de tuchtrechter om daar te betogen dat het onderzoek van verweerder ontoereikend en/onzorgvuldig is geweest. De stafjurist van verweerder heeft klager op deze mogelijkheid gewezen. Klager heeft dit advies niet overgenomen en een klacht tegen de deken ingediend. Voor het oordeel over het  verwijzingsverzoek is van belang dat de mogelijkheid om de klacht aan de tuchtrechter voor te leggen bestond en dat klager daarvan op de hoogte was, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt door het vereiste griffierecht niet tijdig te betalen. 

Uitspraak

Beslissing van 17 november 2025 in de zaak 250265      naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van het hof van 14 augustus 2025  in de klacht van: 

    klager      tegen:     de deken

 

1    DE PROCEDURE 

1.1   Met de beslissing van 14 augustus 2025 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klager tot verwijzing van de klacht tegen verweerder afgewezen. Deze beslissing is gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2025:198.

1.2   Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 26 augustus 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Daarnaast bevat het dossier: - het verweerschrift

1.3      Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer.

2    DE FEITEN

2.1    Klager heeft een klacht ingediend over mr. De M. Verweerder heeft deze klacht geregistreerd onder nummer 48|24|137K. Op 24 april 2025 heeft verweerder een dekenstandpunt bekend gemaakt aan klager. 

2.2    Op 1 april 2025 heeft klager een tweede klacht ingediend over mr. De M. Verweerder heeft deze klacht geregistreerd onder nummer 48|25|051K. Op 28 april 2025 heeft verweerder bij monde van zijn stafjurist klager het advies gegeven deze (nieuwe) klacht niet langer door te zetten. Klager heeft verweerder bij e-mail van 13 mei 2025 bericht dat advies niet over te nemen; tevens dient hij een klacht in tegen de deken. Bij e-mail van 13 mei 2025 heeft verweerder klager laten weten de klacht in het klachtdossier 48|25|051K weer op te pakken. In die e-mail bericht de stafjurist van  verweerder klager ook dat hij zijn klacht tegen de deken over diens standpunt in het klachtdossier 48|24|137K rechtstreeks kan indienen bij het hof. Daaraan voegt de stafjurist toe dat als hij alsnog het griffierecht betaalt, de Raad van Discipline zijn klacht in behandeling zal nemen en deze onafhankelijk van de visie van de deken zal beoordelen. 

2.3    Bij e-mail van 5 juni 2025 stuurt klager zijn klacht ‘tegen het dekenstandpunt’ aan verweerder. Hij verzoekt verweerder deze door te sturen naar de Raad van Discipline, naar het hof begrijpt is bedoeld: het Hof van Discipline.

2.4    Bij e-mailbericht van 6 juni 2025 van de stafjurist is de klacht tegen de deken doorgestuurd naar het hof. Daarbij is tevens medegedeeld dat het griffierecht ‘voor doorzending van de onderliggende klacht’ nog niet is betaald.

2.5    Uit het vorenstaande begrijpt het hof dat klager een klacht heeft over de deken inzake (de totstandkoming van) het dekenstandpunt in het klachtdossier 48|24|137K. In het klachtdossier 48|25|051K was door verweerder in juni 2025 (nog) geen dekenstandpunt ingenomen en is de behandeling van dat dossier weer opgepakt. Het verwijzingsverzoek betreft dus alleen de klacht over de deken inzake het dekenstandpunt in het klachtdossier 48|24|137K.

2.6    Een klacht tegen een deken is geen middel om de inhoud van een dekenvisie over de klacht tegen een advocaat ter discussie te stellen. Een klager kan de klacht, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de(ze) tuchtrechter. Klager kan in de procedure bij de raad van discipline (inzake het klachtdossier 48|24|137K) zijn bezwaren tegen (de totstandkoming van het dekenstandpunt van) de deken inbrengen en naar voren brengen op welke punten de visie van de deken volgens hem niet deugt en dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan verweerder. 

2.7    Gelet op het bovenstaande heeft de voorzitter de klacht tegen de deken niet verwezen. 

3    VERZET EN VERWEER

Gronden van het verzet  3.1   Klager  heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat het oordeel van de voorzitter om de klacht niet te verwijzen het uitgangspunt van onafhankelijkheid en onpartijdigheid miskent. Volgens klager kunnen alleen zwaarwegende redenen een afwijzing om een klacht te verwijzen rechtvaardigen, deze redenen ontbreken hier.

3.2   Klager stelt dat zijn klacht niet alleen ziet op het dekenstandpunt, maar juist ook op de totstandkoming daarvan. Daarbij zijn door hem aangedragen argumenten en producties genegeerd. Ook is volgens klager sprake van schending van de zorgvuldigheidspicht bij de behandeling van zijn klacht. De voorzitter heeft miskend dat er een duidelijk onderscheid bestaat tussen de klacht tegen mr. de M en de klacht tegen de deken. Klager stelt zich op het standpunt dat een burger die klaagt over een deken erop moet kunnen vertrouwen dat zijn klacht door een onafhankelijke deken zorgvuldig wordt beoordeeld. Door dit te weigeren is klagers recht op effectieve rechtsbescherming (artikel 6 EVRM en artikel 47 Handvest EU) illusoir. Klager heeft het hof verzocht de beslissing van 14 augustus 2025 te vernietigen en de klacht tegen de deken alsnog, conform artikel 46c lid 5 Advocatenwet, te verwijzen.

Verweer 3.3  De deken heeft aangevoerd dat hij de beslissing van de voorzitter van 14 augustus 2025 inhoudende dat een klacht over de deken geen middel is om de inhoud van een dekenstandpunt ter discussie te stellen, onderschrijft. Hij heeft opgemerkt dat het toetsingskader bij een klacht over een advocaat in zijn hoedanigheid als deken zeer beperkt is en dat de deken vrij is in de wijze waarop hij het onderzoek naar een klacht inricht.  

2    BEOORDELING

Verzet mogelijk? 4.1  De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artik el 13 van het procesreglement.

Maatstaf 4.2  Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

Overwegingen 4.3  Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Deze heeft de juiste maatstaf gehanteerd en niet is gebleken dat hij van onjuiste of onvolledige feiten is uitgegaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over.

4.4   Wat in verzet naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Van belang is dat niet de deken, maar de Raad van Discipline de tuchtrechter is die een oordeel moet geven over een ingediende klacht. De deken is het voorportaal, die ervoor zorgt dat de voor de tuchtrechter relevante informatie zoveel mogelijk wordt verzameld. De deken mag een poging tot bemiddeling doen, maar is daartoe niet verplicht. De deken mag in het kader van de afronding van het onderzoek een inschatting geven van hoe het oordeel van de raad zou kunnen luiden, maar is daartoe niet verplicht. De deken heeft een grote mate van vrijheid bij de totstandkoming en het bepalen van het dekenstandpunt. Bovendien is de tuchtrechter op geen enkele wijze aan zo’n inschatting van de deken gebonden. 

4.5  Klager heeft de gelegenheid (gehad) om de klacht voor te leggen aan de tuchtrechter om daar te betogen dat het onderzoek van verweerder ontoereikend en/onzorgvuldig is geweest. De stafjurist van verweerder heeft klager in de e-mail van 13 mei 2025 op deze mogelijkheid gewezen. Klager heeft dit advies niet overgenomen en een klacht tegen de deken ingediend. Voor het oordeel over het  verwijzingsverzoek is van belang dat de mogelijkheid om de klacht aan de tuchtrechter voor te leggen bestond en dat klager daarvan op de hoogte was, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt door het vereiste griffierecht niet tijdig te b etalen.

4.6      Het hof zal daarom het verzet van klager ongegrond verklaren.

5      BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 17 november 2025.