Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

17-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRARL:2025:248

Zaaknummer

25-665/AL/OV

Inhoudsindicatie

voorzittersbeslissing. Verweerder heeft opgetreden voor een gemeente als wederpartij van klager en zijn advocaat (samen klagers). Op enig moment heeft verweerder de zaak voor het treffen van executiemaatregelen overgedragen aan een kantoorgenoot. Uit de stukken is niet gebleken dat verweerder daarbij betrokken is geweest. Verweerder is bovendien niet verantwoordelijk voor gedragingen van zijn collega. Klacht ongegrond

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 17 november 2025

in de zaak 25-665/AL/OV

naar aanleiding van de klacht van:

 

                       

gemachtigde: klager 2

en

                       

samen ook: klagers

 

over

 

verweerder

 

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) van 1 oktober 2025 met kenmerk 2395932 .

 

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klager 1 is eigenaar van een perceel grenzend aan een strook grond van een gemeente (hierna: de Gemeente).

1.2 De Gemeente heeft bij dagvaarding van 12 juli 2021 onder meer van klager 1 gevorderd dat de strook grond binnen veertien dagen na betekening van het vonnis volledig ontruimd dient te zijn, onder verbeurte van een dwangsom.

1.3 Klager 1 is in dit geschil door klager 2 bijgestaan. De Gemeente is aanvankelijk bijgestaan door verweerder.

1.4 Bij vonnis van 6 april 2022 heeft de rechtbank onder meer klager 1 veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis de strook grond volledig te ontruimen, 'in het bijzonder maar niet uitsluitend door verwijdering van de pilaar, de gemetselde muur, het aluminium hekwerk, de betonbanden en de struiken te verwijderen en verwijderd te houden, één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, zulks totdat in totaal een maximum van € 100.000,- is bereikt'.

1.5 Op 11 april 2022 heeft verweerder klager 1 gewezen op genoemd vonnis en hem namens de Gemeente verzocht om te voldoen aan de veroordeling tot ontruiming van de strook grond.

1.6 Op 12 april 2022 heeft klager 1 aan verweerder bericht dat hij aan de proceskostenveroordeling zal voldoen maar dat tegen het vonnis van 6 april 2022 hoger beroep zal worden ingesteld. Klager 1 heeft verweerder gevraagd of de Gemeente bereid is om de nakoming van het vonnis op te schorten totdat in hoger beroep uitspraak is gedaan. Voor het geval de Gemeente blijft volharden in haar standpunt tot ontruiming heeft klager 1 voorgesteld om vanwege de feestdagen de ontruimingstermijn op 30 april 2022 te stellen.

1.7 In zijn e-mail van 14 april 2022 heeft verweerder opgemerkt dat uit de e-mail van klager 1 van 12 april 2022 volgt dat klager 1 geen gehoor zal geven aan het verzoek tot nakoming van het vonnis zodat het vonnis daarom betekend zal worden. Klager 1 heeft in zijn e-mail van 15 april 2022 aan verweerder laten weten dat hij vrijwillig het vonnis zal uitvoeren. Het vonnis van 6 april 2022 is aan klager 1 betekend.

1.8 Op 19 april 2022 heeft klager 1 telefonisch contact gehad met verweerder. Daarop heeft verweerder in zijn e-mail van die dag aan klager 1 bevestigd dat hij, althans de Gemeente, het aangrenzende kinderdagverblijf op de hoogte zal brengen van het feit dat klager 1 het betreffende perceel moet ontruimen.

1.9 Verweerder heeft in zijn e-mail van 25 mei 2022 aan klager 1 gemeld dat hij volgens de Gemeente het vonnis niet behoorlijk is nagekomen.

1.10 Onder meer klager 1 heeft op 4 juli 2022 tegen het vonnis de rechtbank van 6 april 2022 hoger beroep ingesteld.

1.11 Op 20 oktober 2022 heeft klager 1 de Gemeente gedagvaard in kort geding. In deze procedure heeft klager 1 onder andere een verbod gevorderd om uitvoering te geven aan de koopovereenkomst van de strook grond en om hem in de gelegenheid te stellen de strook grond alsnog te kopen.

1.12 Bij vonnis van 30 november 2022 heeft de rechtbank de vorderingen van klager 1 afgewezen. Klager 1 heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 12 maart 2024 heeft het gerechtshof het vonnis van 30 november 2022 bekrachtigd.

1.13 Op 25 juli 2023 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden arrest gewezen. De dwangsomveroordeling tegen klager 1 is in stand gebleven.

1.14 De Gemeente heeft op 26 juli 2024 derdenbeslag gelegd ter incasso van de dwangsommen die door klager 1 verbeurd zijn tot het moment waarop de strook grond volledig was ontruimd, op 13 juli 2022.

1.15 Verweerder heeft de zaak van de Gemeente ten behoeve van het treffen van executiemaatregelen overgedragen aan zijn collega mr. A. Mr. A heeft zich in een e-mail van 30 juli 2024 bij klagers gemeld als de opvolgend advocaat van de Gemeente.

1.16 Eind juli 2024 heeft mr. A namens de Gemeente executiemaatregelen getroffen om de verbeurde dwangsommen te incasseren. Daartoe is executoriaal beslag op de (zakelijke) bankrekeningen van klager 1 gelegd.

1.17 Op 18 december 2024 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder. In dezelfde klacht hebben klagers ook mr. A beklaagd. Die klachtzaak is bij de raad bekend onder zaaknummer 25-666/AL/OV.

 

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) richting klager 2, collega-advocaat, niet te streven naar een onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen door rauwelijks over te gaan tot het treffen van executiemaatregelen namens de Gemeente ten laste van klager 1, zonder klager 2 van dat voornemen tot het treffen van executiemaatregelen in kennis te stellen en tijd voor beraad te verlenen, waarmee verweerder in strijd heeft gehandeld met gedragsregels 6 lid 2 en 24;

b) de belangen van klager 1 onnodig te schaden door namens de Gemeente onverwacht en rauwelijks executiemaatregelen tegen hem te treffen zonder klager 1 of zijn advocaat - klager 2 - van dat voornemen tot het treffen van executiemaatregelen in kennis te stellen en tijd voor beraad te geven ter voorkoming van onnodige procedures en kosten.

 

3 VERWEER

De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

 

4 BEOORDELING

4.1 De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn.

4.2 Klager 1 beklaagt zich in klachtonderdeel b) over verweerder als de advocaat van zijn wederpartij, de Gemeente. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.

4.3 Klager 2 beklaagt zich in klachtonderdeel a) over verweerder als collega-advocaat. Een goede beroepsuitoefening binnen de advocatuur is gediend met een onderlinge verhouding tussen advocaten die berust op vertrouwen en welwillendheid. Daarom worden advocaten geacht zich te onthouden van al wat hun onderlinge verhouding kan verstoren.

4.4 Klagers beklagen zich aldus over de wijze van de executie en aanzegging van de dwangsommen door de Gemeente. De voorzitter is uit de stukken niet gebleken dat verweerder daarbij betrokken is geweest. Verweerder heeft de zaak van de Gemeente aan mr. A overgedragen. Klagers zijn daarvan in elk geval op 30 juli 2024 door mr. A op de hoogte gebracht. Aangezien verweerder niet verantwoordelijk is voor de gedragingen van mr. A, kan verweerder daarvan tuchtrechtelijk geen verwijt worden gemaakt. Dat betekent dat de voorzitter de klachtonderdelen a) en b) kennelijk ongegrond zal verklaren.

 

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht in beide onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

 

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn , plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr.  M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025.

 

Griffier                                                                     Voorzitter

 

Verzonden: 17 november 2025