Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

03-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:216

Zaaknummer

25-241/DH/DH

Inhoudsindicatie

Raasbeslissing. Klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een echtscheidingszaak in alle onderdelen ongegrond. Het is niet duidelijk waarover klaagster niet (goed) geïnformeerd is en/of op welk punt zij onvoldoende is begeleid. Ook wordt niet duidelijk welke documenten verweerder volgens klaagster had moeten opvragen. Dat de inschakeling van een volgende accountant onnodig was, kan de raad niet vaststellen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder rondom de second opinion is niet gebleken.

Uitspraak

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 november 2025 in de zaak 25-241/DH/DH naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 

over

verweerder  gemachtigde: mr. E.M. Kooij

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1    Op 8 juli 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. 1.2    Op 9 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K160 2024 van de deken ontvangen.  1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025. Daarbij waren klaagster en verweerder en zijn gemachtigde aanwezig. 1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlage van klaagster van 6 mei 2025.

2    FEITEN 2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2    Klaagster is verwikkeld (geweest) in een echtscheidingsprocedure. Zij is eerst bijgestaan door mr. S. In het najaar van 2023 heeft klaagster verweerder benaderd voor bijstand.  2.3    Het dossier bevat een document ‘vermogensopstelling [dhr. B], accountant 05-9-2023. 2.4    Op 12 december 2023 hebben klaagster en verweerder een gesprek gehad met accountant B over de (financiële) situatie en de vraag of er een overzichtelijke vermogensopstelling kon worden gemaakt.  2.5    Op 15 december 2023 en 23 december 2023 heeft klaagster berichten aan verweerder gestuurd over onder meer (de kosten voor) lekkage en/of achterstallig onderhoud.  2.6    Op 23 december 2023 heeft klaagster een bericht gestuurd aan verweerder over onder meer een bedrijfspand van de ex-partner en achterstallig onderhoud.  2.7    Op 5 januari 2024 stuurt klaagster via WhatsApp aan verweerder: “Hij was er nog niet aan begonnen”. 2.8    Half januari 2024 hebben klaagster en verweerder een bespreking gehad. Naar aanleiding daarvan schrijft klaagster in een bericht van 17 januari 2024 aan verweerder over de voor klaagsters gevoel oneerlijke (financiële) situatie tussen haar en de ex-partner. Klaagster schrijft daarbij onder meer: “Daarom wil ik dat we ook iets doen om het over economisch geweld/wangedrag art 1:107 bw of art 6:162bw te hebben. (…) Ik wil geen veroordeling want dat kan niet, maar dat we er serieus na kijken en dat het bij de rechtbank komt.” 2.9    Verweerder reageert diezelfde dag en schrijft onder meer: “Je gevoel omtrent de handelswijze, tijdens het huwelijk, van je ex is begrijpelijk. Echter, ik ga geen procedure of iets dergelijk aanhangig maken omtrent onrechtmatige daad of dergelijke. De aangedragen stellingen zijn juridisch niet houdbaar. Tijdens de bespreking met [accountant S] heb ik al aangegeven dat ik dit niet zal doen (…) Mijns inziens is de enige te bewandelen weg, waarbij de verwachting op het meeste resultaat is, nu om te trachten de zaak in onderling overleg te regelen. Verder procederen kan, maar daarbij zal dan rekening moeten worden gehouden met een lagere verdelingsopbrengst. Daarbij ben ik van mening dat verder procederen niet in jouw belang is.  Ik snap dat met deze reactie op jouw e-mail er mogelijk sprake is van een verschil van inzicht in de behandeling van de deze zaak. Of we gaan verder op de inslagen en met [S] besproken weg. Daarbij zal dan naar de situatie op 10 juli 2023 (peildatum) gekeken worden en niet verder in het verleden. Mocht je daartoe niet bereid zijn en toch de behoefte hebben om meer uit te laten zoeken, dan zul je een andere raadsman/vrouw moeten zoeken.” 2.10    Klaagster reageert diezelfde dag nog en schrijft dat zij alle vertrouwen heeft in verweerder en accountant S en dat het zeker niet haar intentie is om op zoek te gaan naar een andere raadsman. Ook schrijft ze dat ze geen extra procedure wil starten. 2.11    Op 17 of 19 januari 2024 heeft verweerder via WhatsApp aan klaagster onder meer geschreven: “we maken maandag een afspraak voor komende week. Tijdens die afspraak bespreken we alles nog een keer en dan ga ik een mail sturen, waar je dan bij bent, naar de wederpartij met het verzoek een voorstel te doen! Akkoord? M’n idee is om alles in een perspectief te proberen te plaatsen voor je en daarmee ook helderheid proberen te verschaffen.” 2.12    Op 7 februari 2024 stuurt verweerder een bericht aan klaagster over het (concept) ouderschapsplan.  2.13    Op 15 februari 2024 schrijft klaagster in een bericht aan verweerder onder meer dat het voorstel van de ex-partner er bijna aankomt en dat de ex-partner zich nu al niet houdt aan de afspraken in het ouderschapsplan.  2.14    Op 21 februari 2024 stelt klaagster diverse vragen aan verweerder over de inhoud van het ouderschapsplan, met het oog op de ondertekening die binnenkort gepland staat. 2.15    Op 28 februari 2024 heeft verweerder klaagster geïnformeerd over de door de wederpartij aan de rechtbank gevraagde aanhouding  in het kader van de onderhandelingen tussen partijen.  2.16    Op 25 april 2024 stuurt verweerder de ‘positie RC’ aan klaagster 2.17    Diezelfde dag stuurt klaagster een bericht aan verweerder en accountant S. Ze schrijft daarin onder meer dat ze dit geen overzicht van de rekening courant vindt en dat ze het een raar overzicht vindt. 2.18    Op 7 mei 2024 schrijft accountant S in een bericht aan klaagster en verweerder onder meer dat hij in een gesprek antwoord heeft gekregen op de vragen die hij nog had en dat hij nu een advies kan uitbrengen op de ontvangen opstelling van het gezamenlijke vermogen en de opstelling ervan. Uitgangspunt daarbij is de op 25 maart 2024 ontvangen opstelling.  In het bericht schrijft S onder meer: “7. Schikkingsvoorstel: Als bovenstaande aanpassingen in de vermogensopstelling worden doorgevoerd komt er een nog te betalen bedrag uit aan [klaagster] van € 156.000,-. In het voorstel is een aanvulling gedaan van € 25.000,-. Hiermee zou het schikkingsbedrag op € 181.000,- komen. Een uitwerking heb ik als bijlage toegevoegd. (….) Mijn advies zou dan ook zijn om op basis van bovenstaand de vermogensverdeling af te wikkelen.” 2.19    In reactie daarop stuurt klaagster haar commentaar aan accountant S, waarbij ze vraagt of hij ook de andere twee vermogensopstellingen die hij heeft gemaakt wil mailen. 2.20    Op 7 mei 2024 mailt accountant S aan klaagster en verweerder nog het volgende: “In het rekenen model zat nog een telfout waardoor het bedrag van het schikkingsvoorstel bij punt 7 uitkomt op € 173.000 plus de aanvulling van € 25.000 is € 198.000.” 2.21    Op 8 mei 2024 stuurt klaagster een bericht aan verweerder en accountants S over onder meer de AB-claim. Ze schrijft dat ze het niet eens is met de rekening courant schuld, dat de verdeling oneerlijk voelt en dat ze accountant J om een second opinion heeft gevraagd.  2.22    Op 13 mei 2024 vraagt klaagster in een bericht aan verweerder wat de ex-partner haar op basis van de beschikking van 27 oktober 2023 precies moet betalen. Verweerder heeft hierop gereageerd. 2.23    Op 13 mei 2024 schrijft verweerder in een bericht aan klaagster over de second opinion onder meer: “Dank voor de mail van deze accountant. Ik ben zeer benieuwd wat de uiteindelijke conclusie van deze accountant is. Van mijn kant zullen er geen vragen komen, daar ik veel lees over feitelijke aannames. (…) In dat alles overweeg ik ook dat [S] een keurig advies heeft gegeven en ik daarbij uit ga van zijn deskundigheid. De wil om een hoger bedrag te krijgen is begrijpelijk, maar ik vraag mij terdege af of dit haalbaar is.” 2.24    Op 16 mei 2024 stuurt klaagster de nieuwe vermogensopstelling van accountant J aan verweerder met de vraag of hij hier nog vragen over heeft. 2.25    Op 17 mei 2024 schrijft klaagster in een bericht aan verweerder onder meer: “Met de second opinion blijkt het wel degelijk een optie. Ik vind het dan ook erg teleurstellend dat je geen vragen aan [accountant J] hebt en alleen afgaat op het advies van [accountant S].”  2.26    Op 17 mei 2024 schrijft verweerder aan klaagster dat hij de opstelling heeft gezien en dat hij hieromtrent meer informatie van accountant S wil hebben, met de vraag of klaagster akkoord is dat de mening van S wordt gevraagd.  2.27    Op 17 mei 2024 schrijft verweerder aan klaagster verder: “Naar aanleiding van je e-mail, ontvangen vandaag om 10:31 uur, heb ik besloten mijn werkzaamheden in de deze kwestie te beëindigen. Voor de tweede maal hebben wij een heel ander idee over de te varen koers. Eerdere adviezen werden toen ter harte genomen, nu worden overval vraagtekens bij gezet. Ik stel vast dat er onvoldoende basis van vertrouwen is om mijn werkzaamheden voort te zetten. Bij deze verzoek ik je een andere advocaat te zoeken.” 2.28    Op 21 mei 2024 heeft klaagster een uitgebreide klacht aan verweerder gestuurd.  2.29    Op 23 mei 2024 mailt verweerder aan klaagster onder meer: “Ik heb mijn uiterste best gedaan om, in overleg met jou, een zo goed mogelijk resultaat te bereiken, met name wat betreft de verdeling van de huwelijks gemeenschap. Omdat ik als advocaat niet voldoende fiscale en financiële kennis heb, hebben we twee accountants geconsulteerd. (…)  De stelling dat je twee weken geleden van mij te horen hebt gekregen dat er geen zitting komt, maar dat ze zaak geschikt zal worden, is onjuist. Er is tot op heden geen zitting gepland en we zijn al lange tijd bezig geweest het schikkingsvoorstel van de wederpartij te toetsen. Tijdens het laatste contact met de fiscalist, waarbij wij beiden aanwezig waren, hebben we ook voorgesorteerd op een tegenvoorstel en daarmee hopelijk een afwikkeling van deze echtscheiding. Je bent hierbij geweest en geen teken gegeven van onvrede dan wel onbegrip. Pas later werd helder dat je een second opinion wilde en dit ook daadwerkelijk in gang gezet had.  Naar aanleiding van je mail d.d. 17 mei 2024, waarin helder werd dat je geen vertrouwen hebt in mijn adviezen en de te varen koers, heb ik besloten mijn werkzaamheden neer te leggen in deze kwestie.”

3    KLACHT 3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:  a)    Verweerder heeft klaagster niet goed geïnformeerd over het verloop van haar zaak en heeft klaagster onvoldoende begeleid. Verweerder was bevooroordeeld over klaagster, haar vragen werden als niet belangrijk afgedaan. b)    Verweerder heeft geen documenten opgevraagd die naar klaagsters mening belangrijk zijn. Klaagster heeft op verzoek van verweerder documenten aangeleverd die achteraf niet relevant bleken te zijn. Zij vraagt zich af waarom verweerder daarover wilde beschikken. c)    Verweerder heeft geen rekening gehouden met de door klaagster gemaakte kosten. Zo adviseerde verweerder klaagster een andere accountant in te schakelen. Deze accountant stelt dat hij in opdracht van verweerder handelt, maar klaagster moet wel de rekeningen betalen. Facturering verloopt via verweerder. De accountant heeft eenzelfde vermogensopstelling gemaakt als klaagsters eerdere accountant, dat was zonde van de extra kosten. Ook de bijstand door verweerder heeft klaagster onnodig veel geld gekost. d)    Verweerder wilde niet overleggen met of vragen stellen aan de door klaagster (voor de second opinion) ingeschakelde accountant. e)    Er is geen dossier opgebouwd. Aan klaagsters nieuwe advocaat is slechts één document overgedragen. Hierdoor moest klaagsters nieuwe advocaat alles opnieuw bij de wederpartij opvragen 3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER  4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij heeft toegelicht dat hij direct na de overname van de zaak het verzoek bij klaagster heeft neergelegd om een gesprek te entameren met haar accountant. Dit omdat de belangrijkste vraag was wat qua vermogen tot het huwelijksvermogen behoorde en wat de waarde was van wat klaagster zou ontvangen. In december 2023 is uitgebreid gesproken met de accountant van klaagster (de heer B). In januari 2024 had deze accountant nog niets gestuurd. Verweerder heeft toen op verzoek van klaagster contact opgenomen met een andere accountant. Deze stap was nodig omdat de eerste accountant geen advies had gegeven, van een eerdere opstelling was geen sprake. 4.2    Verweerder heeft verder toegelicht dat het streven was om de zaak geheel in der minne op te lossen, zonder inhoudelijke behandeling ter zitting. Klaagster kon zich aanvankelijk met dat advies verenigen. Verweerder en accountant S hebben er alles aan gedaan om zo veel mogelijk aan de wensen van klaagster – een zo hoog mogelijk bedrag te verkrijgen en een huis zonder hypotheek – te voldoen. Dat klaagster een second opinion wenste, verraste verweerder, daar hij het idee dat dat de zaak feitelijk klaar was om te schikken en het advies van accountant S de goedkeuring van klaagster kon wegdragen. Toen de nieuwe vermogensopstelling van de als second opinion geraadpleegde accountant binnen kwam, bleek dat advies niet in overeenstemming met dat van accountant S.  4.3    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING Toetsingskader 5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  Klachtonderdeel a) 5.2    Klaagster verwijt verweerster allereerst dat zij niet goed is geïnformeerd over het verloop van haar zaak en dat zij door hem onvoldoende is begeleid. De raad kan dat op grond van het klachtdossier niet vaststellen. Uit het klachtdossier blijkt verweerder de zaak heeft aangenomen en dat niet lang daarna een gezamenlijk gesprek is geweest met de accountant (december 2023), omdat een vermogensopstelling nodig was. Vanaf dat moment is de bijstand met name daarop gericht geweest, met het oog op een te treffen minnelijke regeling. In januari 2024 heeft verweerder duidelijk gemaakt dat hij geen procedure aanhangig zou maken over de handelwijze van de ex-partner tijdens het huwelijk. Hij heeft dit op 17 januari 2024 ook schriftelijk bevestigd. Klaagster kon zich daar op dat moment in vinden. Eind februari 2024 heeft verweerder klaagster geïnformeerd over het door de wederpartij aan de rechtbank verzochte uitstel van de procedure vanwege de lopende onderhandelingen. Vervolgens is gecommuniceerd over de door accountant S uitgebrachte opstelling en/of advies, waarna klaagster zelf aanleiding heeft gezien een second opinion aan te vragen. Het is de raad niet duidelijk waarover klaagster niet (goed) geïnformeerd is en/of op welk punt zij onvoldoende is begeleid. 5.3    Het verwijt dat verweerder bevooroordeeld was over klaagster, wordt door klaagster niet concreet onderbouwd. Dat haar vragen door verweerder als niet belangrijk zijn afgedaan, blijkt niet uit het klachtdossier. De raad kan dit niet vaststellen.     5.4    Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder is op dit punt niet gebleken. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Klachtonderdeel b) 5.5    Klaagster verwijt verweerder dat hij geen documenten heeft opgevraagd die naar klaagsters mening van belang waren. Welke documenten dat precies waren, wordt niet duidelijk. Klaagster maakt ook niet duidelijk welke documenten zij op verzoek van verweerder wel heeft aangeleverd, terwijl die achteraf niet relevant bleken te zijn. Dat verweerder op dit punt klachtwaardig heeft gehandeld, is de raad niet gebleken. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Klachtonderdelen c) en d) 5.6    Deze beide klachtonderdelen zien op de accountant en de door klaagster aangevraagde second opinion. Verweerder heeft, omdat hij niet over voldoende fiscale en financiële kennis beschikt, een accountant ingeschakeld voor de vermogensopstelling. Dat is niet onbegrijpelijk, gezien de complexiteit van de situatie. Er was toen kennelijk al een voorlopige opstelling gemaakt (d.d. 5 september 2023). Dat verweerder met die opstelling bekend was, kan de raad niet vaststellen. In december 2023 is door klaagster en verweerder in ieder geval gesproken met accountant B en afgesproken dat deze een vermogensopstelling zou maken. Toen deze in januari 2024 nog niet begonnen was of in ieder geval nog geen opstelling had gemaakt, is accountant S ingeschakeld. Klaagster was hiervan op de hoogte en zij heeft meermaals contact met S gehad. Accountant S heeft uiteindelijk in april/mei 2024 een opstelling c.q. advies uitgebracht. De raad kan niet vaststellen dat dit onnodig was. Vanzelfsprekend brengt het inschakelen van een accountant kosten met zich mee. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. 5.7    Klaagster heeft er vervolgens begin mei 2024 voor gekozen een second opinion te vragen bij accountant J. Het advies van deze accountant wijkt af van het advies van accountant S. Of het advies van accountant J hetzelfde is als de eerste vermogensopstelling van accountant B kan de raad niet vaststellen. 5.8    Klaagster verwijt verweerder nog dat hij niet wilde overleggen met en/of vragen stellen aan de voor de second opinion ingeschakelde accountant. Op 13 mei 2024 heeft verweerder laten weten dat er geen vragen zullen komen en heeft hij verwezen naar het advies van accountant S. Op 17 mei 2024 heeft verweerder echter aan klaagster geschreven dat hij de opstelling heeft gezien en dat hij hierover meer informatie van accountant S wilde, met de vraag aan klaagster of het akkoord is dat de mening van S wordt gevraagd. Verweerder wilde de bevindingen uit de second opinion kennelijk laten beoordelen door de accountant die eerder ingeschakeld was. Zo ver is het niet gekomen, nu verweerder kort daarna vanwege de vertrouwensbreuk zijn werkzaamheden voor klaagster heeft beëindigd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is niet gebleken. 5.9    Voor zover klaagster verweerder ook verwijt dat zijn bijstand haar veel geld heeft gekost, geldt dat klaagster dit verder niet concreet heeft onderbouwd. Uit het dossier blijkt niet wat verweerder aan klaagster heeft gefactureerd voor welke werkzaamheden, nog los van het feit dat de raad geen declaratiegeschillen beslecht.  5.10    De raad is dan ook van oordeel dat ook deze klachtonderdelen ongegrond zijn.  Klachtonderdeel e) 5.11    Klaagster verwijt verweerder dat er geen dossier is opgebouwd en dat er door verweerder  slechts één document aan haar nieuwe advocaat is overgedragen. Verweerder heeft dit betwist. Hij heeft bovendien onbetwist gesteld dat hij geen vraag of verzoek van klaagsters nieuwe advocaat hierover heeft gehad. Het klachtdossier bevat diverse correspondentie, inclusief vermogensopstellingen van de accountants. De raad kan niet vaststellen dat geen sprake is geweest van dossieropbouw.  5.12    Ter zitting heeft klaagster toegelicht dat dit verwijt (ook) ziet op dossieropbouw rondom onder meer het achterstallig onderhoud en het nakomen van het ouderschapsplan. Zij verwachtte dat verweerder daarover contact met de wederpartij zou opnemen, bij wijze van dossieropbouw. Namens verweerder is daarover opgemerkt dat in dergelijke zaken niet te veel in de aanval moet worden gegaan, omdat dat het overleg vertroebelt. Hoewel verweerders communicatie en verwachtingsmanagement op dit punt beter had gekund, acht de raad dit onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. 

BESLISSING De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. H.F.R. Heemstra, voorzitter, mrs. J.G. Colombijn-Broersma en M.G. van den Boogerd, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 3 november 2025