Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

19-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:235

Zaaknummer

25-619/DH/RO

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. Klacht is voor een deel kennelijk niet-ontvankelijk vanwege gebrek aan belang. Verweerder heeft namens zijn cliënte diverse keren gevraagd om de betreffende facturen en klager heeft geweigerd deze te verstrekken. Het stond verweerder dan ook vrij om zijn sommatie uiteindelijk via de deurwaarder aan klager te laten betekenen. Verder is geen sprake van het uitoefenen van oneigenlijke druk of van een belangenconflict. Klacht kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 19 november 2025 in de zaak 25-619/DH/RO

naar aanleiding van de klacht van:

1. klaagster vertegenwoordigd door klager 2. klager hierna ook samen te noemen: klagers

over:

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 15 september 2024 met kenmerk R 2025/083, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 15. 

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Klager is bestuurder van klaagster. Klaagster heeft een geschil met Stichting O. (hierna: de Stichting) over het verstrekken van facturen van aankopen gedaan door de voormalig bestuurder van de Stichting bij klaagster. Verweerder staat de Stichting hierin bij. Een kantoorgenoot van verweerder, mr. M., is een van de bestuurders van de Stichting. 1.2    Mr. M. heeft als een van de bestuurders van de Stichting informatie bij klaagster opgevraagd. 1.3    Op 14 maart 2025 heeft verweerder klager gemaild met de vraag om de betreffende facturen te mogen ontvangen: ‘(…)Van cliënte begrijp ik dat zij bij u facturen, u wel bekend, heeft opgevraagd met betrekking tot uitgaven die namens haar zijn gedaan bij [klaagster].U heeft echter aangegeven niet bereid te zijn deze facturen te verstrekken. Ik wijs u erop dat, indien [klaagster] beschikt over de betreffende facturen – en cliënte heeft uit een gesprek tussen een bestuurder van cliënte en u begrepen dat dit het geval is – [klaagster] verplicht is deze te verstrekken. Voor zover u van mening bent dat de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) hieraan in de weg zou staan, kan ik u melden dat dit niet het geval is. Het verstrekken van de facturen aan cliënte kwalificeert namelijk niet als verwerking in de zin van de AVG. De overeenkomst met [klaagster] is door cliënte gesloten en de uitgaven zijn namens cliënte gedaan, niet privé door een voormalig bestuurder. Cliënt heeft daarom recht op ontvangst van deze facturen; zij beschikt immers over een rechtmatig belang. Ik verzoek u vriendelijk doch dringend om mij uiterlijk vandaag om 18:00 uur de facturen te sturen. Indien [klaagster] niet over de facturen beschikt, verzoek ik u mij dit uiterlijk voor dat tijdstip per e-mail te bevestigen. Indien [klaagster] niet meewerkt aan dit verzoek, zal ik cliënte adviseren de rechter te verzoeken [klaagster] te veroordelen tot verstrekking van de facturen op grond van artikel 195a Rv. De kosten die hiermee gemoeid zijn, zullen voor rekening van [klaagster] komen. (…)’ 1.4    Op 17 maart 2025 heeft verweerder een herinnering aan klager gemaild. 1.5    Op 1 april 2025 heeft verweerder een sommatiebrief, gedateerd 28 maart 2025, gericht aan klaagster, door een deurwaarder laten betekenen aan het privéadres van klager. In deze sommatiebrief heeft verweerder het volgende opgenomen: ‘Onder verwijzing naar mijn eerdere berichten van 14 en 17 maart jl., voor de volledigheid aangehecht, bevestig ik hierbij dat u weigerachtig bent om gehoor te geven aan de sommatie om de betreffende facturen te verstrekken (…). Ik sommeer u te laatste malen de desbetreffende facturen aan mij te verzenden, binnen 2 dagen na ontvangst van dit bevel, bij gebreke waarvan ik andere rechtsmaatregelen zal treffen. IN dat geval zullen zowel [klager] als mevrouw […] in hoedanigheid van bestuurder (aldus in persoon) in rechte worden betrokken, met alle kosten van dien. Het komt mij voor dat u met uw opstelling een spreekwoordelijke dood lopende weg aan het bewandelen bent. U doet er daarom verstandig aan op uw schreden terug te keren en gehoor geven aan de sommatie. (….)’ 1.6    Op 3 april 2025 een jurist van ARAG zich namens klaagster bij verweerder gemeld. Daarop heeft verweerder op 4 april 2025 inhoudelijk gereageerd en klaagster gesommeerd om de betreffende facturen binnen vijf dagen te verstrekken. 1.7    Op 4 april 2025 heeft klager mede namens klaagster bij de deken een klacht over verweerder ingediend. Op 10 april 2025 heeft klager de klacht aangevuld.

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten verweerder het volgende: a)     verweerder heeft de privacy van klager geschonden door berichten aan klager als bestuurder van klaagster naar het privéadres van klager te sturen in plaats van een het vestigingsadres van klaagster; b)     verweerder heeft oneigenlijke druk uitgeoefend door dreigende taal, het inschakelen van een deurwaarder en het geven van onredelijk korte reactietermijnen;  c)    verweerder heeft ‘onder één hoedje gespeeld’ met mr. M., zijn kantoorgenoot, door een stichting bij te staan waarvan mr. M. bestuurder is.   2.2    De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen en stukken van klagers ingaan.

3    VERWEER 3.1    Verweerder voert verweer tegen de klacht en doet daarbij allereerst een beroep op de niet-ontvankelijkheid van klager. Volgens verweerder zijn de klachtonderdelen die over klager persoonlijk gaan niet relevant voor de beoordeling van de klacht en is ten aanzien van klager sprake van een gebrek aan belang.  3.2    Voor wat betreft de inhoud van de klacht betwist verweerder dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerder op dat de wet een expliciete basis heeft om exploten aan het privéadres van bestuurders van een vennootschap te betekenen en dat dat binnen de deurwaarderij ook bestendige praktijk is om exploten aan vennootschappen te betekenen aan het privéadres van de bestuurders. Verder betwist verweerder dat hij dreigende, ongepaste of intimiderende taal heeft opgenomen in de sommatie. Daarbij merkt verweerder op dat het gebruikelijk is om bij inzagevorderingen de bestuurders in privé in rechte te betrekken voor het geval stukken zich niet onder het bedrijf maar onder de bestuurder bevinden en dat er ook andere juridische gronden zijn op basis waarvan het noodzakelijk kan zijn bestuurders persoonlijk aan te spreken.  Tot slot merkt verweerder op dat het hem vrijstaat om de Stichting, waarvan zijn kantoorgenoot een van de bestuurders is, bij te staan en dat van ‘onder één hoedje spelen’ met mr. M. geen sprake is.  3.3    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Ontvankelijkheid 4.1    De voorzitter stelt voorop dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. 4.2    Klaagster is de wederpartij van de Stichting, de cliënte van verweerder, in het geschil over het verstrekken van facturen. In het kader van dat geschil heeft verweerder contact gehad met klager, de bestuurder van klaagster. Verweerder heeft zijn e-mails van 14 en 17 maart 2025 gericht aan klager en de sommatie van 28 maart 2025 is betekend aan het adres van klager. Anders dan klaagster heeft klager dan ook een eigen rechtstreeks belang bij klachtonderdelen a) en b) waarin klager klaagt over de wijze waarop verweerder met hem communiceert. Klachtonderdelen a) en b) zijn dan ook kennelijk niet-ontvankelijk voor zover mede ingediend namens klaagster.  4.3    Ten aanzien van klachtonderdeel c) heeft klager geen eigen rechtstreeks belang bij zijn verwijt dat verweerder in het geschil met klaagster ‘onder één hoedje speelt’ met de kantoorgenoot van verweerder, medebestuurder van de Stichting. Het is klaagster die hier als wederpartij van de Stichting een eigen belang bij heeft om over te klagen. Klachtonderdeel c) is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk voor zover mede ingediend door klager.  Toetsingskader 4.4    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt  hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond 4.5    De voorzitter is van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de sommatiebrief van 28 maart 2025 door de deurwaarder op 1 april 2025 aan het privéadres van klager te laten betekenen. Verweerder heeft onder verwijzing naar de toepasselijke wetgeving toegelicht waarom hij de sommatiebrief aan het adres van klager als bestuurder van de vennootschap heeft laten betekenen. Van een onnodige en disproportionele betekening, zoals klager stelt, is de voorzitter daarbij niet gebleken. Verweerder heeft namens zijn cliënte diverse keren gevraagd om de betreffende facturen en klager heeft geweigerd deze te verstrekken. Het stond verweerder dan ook vrij om zijn sommatie uiteindelijk via de deurwaarder aan klager te laten betekenen. Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond 4.6    De voorzitter kan op grond van de overgelegde correspondentie niet vaststellen dat verweerder oneigenlijke druk op klager heeft uitgeoefend door het gebruiken van dreigende taal, het inschakelen van een deurwaarder of het geven van onredelijk korte reactietermijnen. Uit de correspondentie blijkt dat de Stichting en verweerder klager diverse keren tevergeefs hebben gevraagd om de facturen te verstrekken. Het feit dat verweerder uiteindelijk nog eenmaal een korte reactietermijn heeft gegeven, is dan ook niet onredelijk. Weliswaar heeft verweerder in de sommatiebrief van 28 maart 2025 in stevige bewoordingen duidelijk gemaakt wat de gevolgen waren als klager niet zou reageren, maar van onnodig kwetsende uitlatingen van verweerder is naar objectieve maatstaven geen sprake. De omstandigheid dat klager de toon en inhoud van communicatie van verweerder onnodig scherp en zeer intimiderend vindt, betekent niet dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Verder stond het verweerder vrij om de sommatiebrief door de deurwaarder aan het privéadres van klager te laten betekenen, omdat klager om zijn motiverende redenen geen gehoor gaf aan eerdere sommaties, zoals klager zelf ook in zijn stukken schrijft. Klachtonderdeel b) is dan ook kennelijk ongegrond.  Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond 4.7    De voorzitter kan niet vaststellen dat verweerder ‘onder één hoedje heeft gespeeld’ met zijn kantoorgenoot mr. M. die ook medebestuurder is van de Stichting. Klaagster heeft haar verwijt feitelijk niet onderbouwd en verweerder heeft dit uitdrukkelijk betwist. Voor zover klaagster met haar verwijt bedoelt dat sprake is van een belangenconflict volgt de voorzitter klaagster daarin niet.  4.8    Een advocaat mag, behoudens bijzondere omstandigheden, niet optreden tegen een cliënt of een voormalige cliënt. De advocaat mag zich immers niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn (voormalig) cliënt in een belangenconflict te raken. Daarnaast moet de (voormalig) cliënt er volledig op kunnen vertrouwen dat (vertrouwelijke)  gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de (voormalig) cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Deze binnen de beroepsgroep algemeen aanvaarde norm is uitgewerkt in gedragsregel 15. 4.9    De voorzitter is van oordeel dat van een situatie als bedoeld in gedragsregel 15 geen sprake is, omdat klaagster geen cliënte of voormalige cliënte van verweerder is geweest. Een mogelijke belangenverstrengeling is dan ook niet aan de orde. Hoewel de voorzitter begrijpt dat klaagster het vervelend vindt dat de kantoorgenoot van verweerder medebestuurder is van de Stichting waar zij een geschil mee heeft, betekent dat enkele feit niet dat verweerder als advocaat van de Stichting klachtwaardig ten opzichte van klaagster heeft gehandeld. Klachtonderdeel c) is daarom ongegrond. 

BESLISSING De voorzitter: - verklaart klachtonderdelen a) en b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk voor zover mede ingediend namens klaagster, en voor het overige kennelijk ongegrond; - verklaart klachtonderdeel c), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk voor zover mede ingediend door klager, en voor het overige kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S. Wierink, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door  mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.

Griffier                     Voorzitter

Verzonden op: 19 november 2025