Rechtspraak
Uitspraakdatum
05-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:222
Zaaknummer
25-615/DH/RO
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Ook als hij wel een belang had, zou de klacht te laat zijn ingediend.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 5 november 2025 in de zaak 25-615/DH/RO
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) van 11 september 2025 met kenmerk R 2025/081 en van de op de inventaris genoemde bijlagen 1 tot en met 19. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van klagers aanvullende stukken van 17 september 2025.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Verweerder heeft vanaf 20 november 2012 opgetreden als de advocaat van de verdachte van de moord op [slachtoffer]. Klager was op dat moment leidinggevende van de griffie strafrecht van de rechtbank Leeuwarden. 1.2 Op 15 juli 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel een klacht ingediend over verweerder. 1.3 Bij beslissing van 31 juli 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de Rotterdamse deken.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder tekort geschoten te zijn in de belangenbehartiging doordat hij de verdachte onvoldoende heeft verdedigd. Klager wijst in dat verband op de kernwaarden deskundigheid en integriteit en de gedragsregels 1, 6, 7 en 17. 2.2 Klager meent dat hij ontvankelijk is in zijn klacht, omdat het gaat om zwaarwegende juridische, morele en maatschappelijke omstandigheden die maken dat een inhoudelijke beoordeling geboden is ondanks de inmiddels verstreken tijd. Omdat het algemeen belang dit rechtvaardigt, kan klager ook als niet direct belanghebbende een klacht indienen, zo voert hij aan.
3 VERWEER 3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Hij is van mening dat klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de klacht te laat is ingediend en klager geen direct persoonlijk belang heeft bij de klacht.
4 BEOORDELING Toetsingskader 4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Als het gaat om het algemeen belang dat gediend is bij een tuchtprocedure, dan komt het klachtrecht bij uitsluiting toe aan de deken. 4.2 Daarnaast moet een klacht over een advocaat worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten in het verleden. Beoordeling 4.3 Klager is om meerdere redenen (kennelijk) niet-ontvankelijk in zijn klachten over de kwaliteit van de dienstverlening door verweerder. 4.4 Allereerst heeft hij geen eigen, rechtstreeks betrokken belang bij de klacht. Het was aan de verdachte zelf om een klacht in te dienen over verweerder als hij meende dat de kwaliteit van de dienstverlening onvoldoende was. Dat is niet aan klager, ook niet als voormalig medewerker van de rechtbank. 4.5 Klager heeft daartegen aangevoerd dat volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline ook bij afwezigheid van een persoonlijk belang een klacht ontvankelijk kan zijn, indien het maatschappelijk belang zwaarwegend is. Hij heeft in dat verband gewezen op twee beslissingen: HvD 10 juli 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:142 en HvD 7 februari 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:25. De voorzitter stelt vast dat de eerstgenoemde beslissing ziet op een artikel 13-beklag en dat het bij de tweede beslissing gaat om een dekenbezwaar. In geen van deze beslissingen wordt ingegaan op het belanghebbende-vereiste. De voorzitter gaat daar dus aan voorbij. Bovendien is het alleen aan de deken om een klacht in te dienen bij de tuchtrechter, als het gaat om kwesties die het algemeen belang raken. 4.6 Als klager al een belang zou hebben bij zijn klacht, wat niet het geval is, dan nog kan hij daarin niet ontvankelijk worden verklaard. Hij heeft zijn klacht ruim dertien jaar na de strafrechtelijke procedure, en daarmee ruim na afloop van de driejaarstermijn uit artikel 46g lid 1 onder a van de Advocatenwet ingediend. Er is niet gebleken van een uitzonderingssituatie als bedoeld in het tweede lid. 4.7 Klager heeft daartegen aangevoerd dat het gaat om het publieke vertrouwen in een eerlijke procesvoering en dat feiten van langere tijd geleden volgens het Hof van Discipline ook getoetst kunnen worden. Hij heeft gewezen op HvD 28 september 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:189. De voorzitter stelt vast dat dit niet door het Hof wordt geoordeeld in die beslissing. Sterker nog, het Hof bevestigt in die beslissing het onder 4.2 genoemde toetsingskader uit artikel 46g van de Advocatenwet. Ook aan wat klager hierover aanvoert wordt dus voorbijgegaan. 4.8 De voorzitter zal klager, op grond van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk verklaren wegens een gebrek aan belang bij de klacht.
BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.A.A. Traousis als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 november 2025
