Rechtspraak
Uitspraakdatum
05-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:228
Zaaknummer
25-586/DH/DH
Inhoudsindicatie
Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat in hoedanigheid van bindend adviseur. Verweerster heeft haar bindend advies op zorgvuldige wijze en met inachtneming van de daarvoor geldende regels van ARAG opgesteld. De juistheid van het verwijt van klager dat het bindend advies inhoudelijke onjuistheden bevat en onvoldoende is gebaseerd op wet- en regelgeving kan de voorzitter, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerster, in het kader van deze tuchtrechtprocedure niet vaststellen. De omstandigheid dat klager zich in het door verweerster gegeven advies niet kan vinden betekent nog niet dat verweerster tuchtrechtelijk iets te verwijten valt. Klacht kennelijk ongegrond.
Uitspraak
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 5 november 2025 in de zaak 25-586/DH/DH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 29 augustus 2025 met kenmerk K024 2025 ia/cw, door de raad digitaal ontvangen op dezelfde datum, van de op de inventarislijst inhoudelijk genoemde bijlagen 03 tot en met 08 en van de op de inventarislijst procedureel genoemde bijlagen 1 tot en met 11. Daarnaast heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klager van 30 september 2025.
1 FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1 Klager is verwikkeld in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure tegen de gemeente X. Klager is hierin bijgestaan door ARAG. Aanvankelijk was er bij de rechtbank een zitting gepland op 6 juni 2024. 1.2 Op enig moment is tussen klager en ARAG een geschil ontstaan over de aanpak van de procedure tegen de gemeente X, omdat ARAG zich op het standpunt stelde dat de beroepsprocedure voor klager geen redelijke kans van slagen had. Daarop heeft een second opinion van de zaak plaatsgevonden door een andere jurist van ARAG. De uitkomst daarvan sluit aan bij het eerdere standpunt van ARAG. 1.3 Vervolgens heeft ARAG haar standpunten en die van klager uiteengezet in een uitbestedingsbrief. 1.4 Op 31 mei 2024 heeft het bureau van de Haagse Orde van Advocaten verweerster gevraagd om met spoed een bindend advies op te stellen in het geschil tussen klager en ARAG. Dezelfde dag heeft verweerster van ARAG een e-mail met bijlagen ontvangen, waarbij onder meer de uitbestedingsbrief van ARAG en het dossier van klagers zaak tegen gemeente X waren gevoegd. In deze e-mail heeft ARAG het volgende vermeld: ‘Op grond van de polisvoorwaarden kan een verzekerde een beroep doen op de geschillenregeling als er een verschil van inzicht bestaat over de aanpak van een zaak. Conform de afspraak tussen de Orde en ARAG heeft de Deken u genoemd als ter zake kundige advocaat aan wie het geschil ter bindende beslissing kan worden voorgelegd. Voor de standpunten van partijen verwijs ik kortheidshalve naar bijgevoegde geschillenbrief en overige bijlagen. Ik verzoek u op basis van aan u beschikbaar gestelde informatie aan partijen (verzekerde en ARAG) mede te delen welke van beide meningen u deelt. Een concreet antwoord op de gestelde vraag is daarbij het uitgangspunt. U wordt geacht geen nieuwe informatie bij uw oordeelsvorming te betrekken. Komt nieuwe informatie naar voren, dan verzoek ik u daarover met mij contact op te nemen, zodat kan worden bezien of deze informatie invloed heeft op de mening van de behandelaar. Er is geen bezwaar tegen als u verzekerden uitnodigt voor een nadere toelichting van hun standpunt. Uiteraard is ARAG ook tot nadere toelichting bereid. (…) Verzekerde, die de juistheid van de omschrijving van het geschil heeft bevestigd, staat in de cc.’ 1.5 Op 31 mei 2024 heeft verweerster ook een e-mail van klager ontvangen: (…) U informeert [verweerster] helaas niet goed. Uw “document” (uitbestedingsbrief mr. (…)) is incorrect. Ons eigen standpunt is opgenomen in onze eigen brief met bijlagen dd 10 mei 2024 aan de Deken, (…)..’ 1.6 Op 3 juni 2024 heeft verweerster een bindend advies (hierna: het bindend advies) opgesteld waarin zij stelt dat er een redelijke kans van slagen van het hoger beroep van klager is, mits het beroepschrift zou worden aangevuld. Daarop heeft ARAG alsnog een aanvullend beroepschrift opgesteld in de zaak van klager tegen de gemeente X. 1.7 Op 8 augustus 2024 heeft een jurist van ARAG verweerster een versie van het aanvullend beroepschrift gemaild met de vraag of hij met dat beroepschrift tegemoet is gekomen aan het bindend advies. Deze e-mail is in cc ook naar klager gestuurd. 1.8 Op 14 en 18 augustus 2024 heeft verweerster e-mails van klager ontvangen met daarin informatie over zijn geschil met de gemeente X. 1.9 Op 21 augustus 2024 heeft verweerster de jurist van ARAG, met klager in cc, gemaild: ‘Dank voor uw bericht. U heeft mij gevraagd om te beoordelen of uw aanvullend beroepschrift voldoet aan het bindend advies afgezet tegen het door Arag opgestelde aanvullende beroepschrift. Tevens heb ik de argumenten van de cliënten meegewogen. Ik heb ook nadere jurisprudentie onderzocht. Conclusie: Naar mijn idee zit de ARAG jurist goed. De juiste beroepsgronden en het juiste dictum zijn opgenomen. Er is geen ruimte voor een inhoudelijke beoordeling. (…).’ 1.10 In november 2024 heeft ARAG de behandeling van het dossier van klager gestaakt. 1.11 Op 19 januari 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerster ingediend. Op 24 januari 2025 heeft klager zijn klacht verder toegelicht.
2 KLACHT 2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende: a) verweerster heeft een bindend advies opgesteld dat inhoudelijk diverse onjuistheden bevatte en ook overigens onvoldoende was gebaseerd op wet- en regelgeving; b) verweerster heeft op 21 augustus 2024 ARAG in het gelijk gesteld door met het opgestelde aanvullende beroepschrift akkoord te gaan zonder daarbij hoor- en wederhoor toe te passen en klager in de gelegenheid te stellen een mondelinge toelichting te geven. 2.2 De voorzitter zal hierna bij de beoordeling, waar nodig, op de stellingen en stukken van klager ingaan.
3 VERWEER 3.1 Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerster op dat zij het bindend advies van 3 juni 2024 en de aanvullende brief van 21 augustus 2024 naar eer en geweten heeft opgesteld. Volgens verweerster heeft zij steeds goed naar de belangen van klager gekeken en ook naar de ruime voor ARAG om door te procederen in de zaak tegen de gemeente X. Daarbij wijst verweerster erop dat zowel het bindend advies en de aanvullende brief in het voordeel van klager zijn uitgevallen. Verder merkt verweerster op dat zij bij het opstellen van het bindend advies geen (telefonische) bespreking heeft gehouden met ARAG en klager vanwege de spoedeisendheid van het advies door de destijds reeds geplande zitting op 6 juni 2024. Volgens verweerster heeft zij alle informatie uit het dossier zelf kunnen halen. 3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING Toetsingskader 4.1 De voorzitter stelt voorop dat het tuchtrecht bedoeld is om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Klachtonderdelen a) en b) zijn kennelijk ongegrond 4.2 Klachtonderdelen a) en b) gaan in de kern over de rol van verweerster als bindend adviseur in het geschil tussen klager en ARAG. De voorzitter zal beide klachtonderdelen daarom gezamenlijk beoordelen. 4.3 De voorzitter is op grond van de werkzaamheden die verweerster in haar hoedanigheid van bindend adviseur heeft verricht van oordeel dat er voldoende aanknopingspunten zijn met haar beroep van advocaat. Het advocatentuchtrecht is dan ook volledig van toepassing. 4.4 De voorzitter kan op grond van de stukken niet vaststellen dat verweerster zich bij de uitoefening van haar taak als bindend adviseur tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gedragen. Uit de inhoud van het bindend advies blijkt dat verweerster haar advies over de mogelijkheden in het geschil tussen klager en de gemeente X gemotiveerd uiteen heeft gezet op basis van de informatie die zij van ARAG en klager had ontvangen. Ook blijkt uit het advies dat verweerster heeft geadviseerd over een vervolgstap, namelijk een nadere onderbouwing van het beroepschrift waardoor klager alsnog een redelijke kans maakt op een geslaagde beroepsprocedure. Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerster haar bindend advies dan ook op zorgvuldige wijze en met inachtneming van de daarvoor geldende regels van ARAG opgesteld. De juistheid van het verwijt van klager dat het bindend advies inhoudelijke onjuistheden bevat en onvoldoende is gebaseerd op wet- en regelgeving kan de voorzitter, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerster, in het kader van deze tuchtrechtprocedure niet vaststellen. De omstandigheid dat klager zich in het door verweerster gegeven advies niet kan vinden betekent nog niet dat verweerster tuchtrechtelijk iets te verwijten valt. 4.5 Ten aanzien van de aanvullende brief van 21 augustus 2024 heeft verweerster de gang van zaken rondom de totstandkoming daarvan gemotiveerd toegelicht. Uit deze toelichting blijkt dat verweerster op verzoek van de behandelend jurist van ARAG heeft beoordeeld of het aanvullende beroepschrift van ARAG tegemoet komt aan haar advies, waarbij klager in de communicatie tussen ARAG en verweerster steeds in cc is meegenomen. Verder blijkt uit de toelichting van verweerster dat zij ook kennis heeft genomen van de e-mails van klager van 14 en 18 augustus 2024 en dat klager in zijn e-mails geen bezwaar heeft gemaakt tegen het verzoek van ARAG aan verweerster. Het was voor verweerster op dat moment niet nodig om klager apart te horen nu enkel de vraag voorlag of het aanvullende hoger beroepschrift voldoende aansloot bij het bindend advies van verweerster. De voorzitter vindt die afweging van verweerster begrijpelijk. 4.6 Tot slot heeft verweerster genoegzaam toegelicht waarom zij geen bespreking heeft gehouden met klager. Er zat spoed bij de zaak en op basis van de stukken in het dossier kon zij tot het advies komen. In dit dossier bevond zich, zoals klager ook vermeldt in zijn e-mail aan verweerster op 31 mei 2024, ook het inhoudelijke standpunt van klager, zoals weergegeven in de e-mail aan de deken van 10 mei 2024. 4.7 Gezien het voorgaande komt de voorzitter tot de conclusie dat verweerster in haar hoedanigheid van bindend adviseur niet klachtwaardig heeft gehandeld.
BESLISSING De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in beide onderdelen kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. A. van Luijck, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 november 2025
