Rechtspraak
Uitspraakdatum
03-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TADRSGR:2025:215
Zaaknummer
25-240/DH/RO
Inhoudsindicatie
Raadsbeslissing. Verweerster heeft niet voldaan aan de zware zorgplicht die op haar als gemeenschappelijk echtscheidingsadvocaat rust. Na een mediationtraject via netjesscheiden.nl zijn klager en zijn partner bij verweerster terecht gekomen voor de afronding van de scheiding. Verweerster heeft één of twee keer met hen gesproken, maar wat er toen is besproken heeft verweerster niet vastgelegd en kan de raad daarom niet vaststellen. Van het informeren van klager over de verstrekkende financiële gevolgen van het opgestelde convenant door verweerster is niet gebleken. Daardoor heeft verweerster laakbaar gehandeld, met grote financiële gevolgen voor klager. Zij neemt geen verantwoordelijkheid voor haar gebrekkige handelen en lijkt die verantwoordelijkheid ook op klager af te schuiven, terwijl zij als advocaat de verantwoordelijkheid heeft om alle relevante zaken te bespreken en zo nodig navraag te doen bij partijen. Voorwaardelijke schorsing van vier weken.
Uitspraak
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 3 november 2025 in de zaak 25-240/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 1.1 Op 10 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster. 1.2 Op 9 april 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk R 2025/041 van de deken ontvangen. 1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 22 september 2025. Daarbij was klager, vergezeld van zijn moeder, aanwezig. Verweerster is, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen. 1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 20. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van verweerster van 6 mei 2025.
2 FEITEN 2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten. 2.2 Klager is gehuwd geweest. De huwelijkse voorwaarden (van 3 juni 2016) maken onderdeel uit van het klachtdossier, daarin staat onder meer vermeld: “De echtgenoten sluiten elke gemeenschap van goederen uit. (…) Artikel 9. 1. Indien het huwelijk wordt ontbonden door echtscheiding (…), zal tussen de echtgenoten worden afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. (…) 2. 8. In de verrekening worden niet betrokken: - de huidige eigen woning plaatselijk bekend (…)” 2.3 Klager en zijn (inmiddels ex-)partner wensten op enig moment te scheiden en hebben gekozen voor een online scheidingstraject via netjesscheiden.nl. In een mediationtraject met mediator H is een echtscheidingsconvenant tot stand gekomen. Klager en de partner hebben vervolgens één of twee gesprekken gehad met verweerster. 2.4 Op 26 maart 2024 hebben partijen het echtscheidingsconvenant ondertekend. Het convenant maakt onderdeel uit van het klachtdossier. In het convenant is onder meer opgenomen: “5.5 Partijen verklaren dat de man € 70.000,- uit privévermogen in de gezamenlijke woning heeft geïnvesteerd welke bij de verdeling van de woning zal worden verrekend. (…) 5.7 Partijen spreken af een minimumprijs van € 620.000,- in ieder geval te zullen accepteren. De opbrengst zal worden aangewend voor de verrekening van het privévermogen van € 70.000,- van de man, vervolgens voor de aflossing van de hypothecaire geldlening en voor de eventuele voldoening van de makelaarskosten. De restant opbrengst zal tussen partijen bij helfte worden verdeeld. (…) 9.2 Partijen verklaren af te wijken van de huwelijke voorwaarden. Zij zijn overeengekomen af te zien van het finaal verrekenbeding en hun partnerschap te beëindigen met uitsluiting van gemeenschap van goederen.” 2.5 Op 3 april 2024 heeft verweerster, namens klager en de partner, een gezamenlijk verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank. In het verzoekschrift heeft verweerster de rechtbank verzocht het door klager en de partner ondertekende scheidingsconvenant op te nemen in de echtscheidingsbeschikking. 2.6 Bij beschikking van 8 april 2024 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen klager en de partner uitgesproken en bepaald dat het door klager en de partner ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deelt uitmaakt van de beschikking. 2.7 Bij brief van 15 oktober 2024 heeft klagers advocaat verweerster aansprakelijk gesteld. Daarbij is verwezen naar de brief van klagers advocaat aan de ex-partner. In deze brief (oktober 2024) is door klagers advocaat onder meer vermeld: “Middels deze brief vernietigt cliënt dit echtscheidingsconvenant aangezien deze op grond van dwaling tot stand is gekomen. (…) Voorafgaande aan het huwelijk heeft u een akte huwelijkse voorwaarden laten opstellen door de notaris op grond waarvan u buiten iedere gemeenschap van goederen met elkaar bent gehuwd met een finaal verrekenbeding alsof er een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan in geval van echtscheiding. (…) Daarnaast staat expliciet in artikel 9 lid 8 van de huwelijkse voorwaarden dat (de waarde van) de toenmalige eigen woning van cliënt op het adres (…) niet in de “alsof” verrekening wordt betrokken. Voorafgaand aan het huwelijk was cliënt namelijk eigenaar van de hierboven genoemde woning te (…). Deze woning behoorde derhalve tot zijn privévermogen. Tijdens het huwelijk, in 2021, heeft cliënt deze woning verkocht en zijn verkoopopbrengst bedroeg € 399.917,14,- (zie bijgevoegde nota van verkoop). Cliënt heeft dit volledige bedrag geïnvesteerd in de woning die u kort daarvoor samen had gekocht (…) voor een aankoopsom van in totaal € 545.700,00. (…) Omdat de verkrijging van deze woning destijds voor meer dan de helft is gefinancierd met privévermogen van cliënt stelt cliënt zich primair op het standpunt dat deze woning krachtens zaaksvervanging (artikel 1:95 BW) tot het zijn privévermogen is gaan behoren en op grond van huwelijkse voorwaarden niet in de “alsof” verrekening bij echtscheiding diende te worden betrokken. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat een bedrag van € 399.917,14,- op grond van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden niet in de “alsof” verrekening had mogen worden betrokken en cliënt voor dat bedrag een vergoedingsrecht had op de gemeenschappelijke woning. (…) Volgens cliënt was het op dat moment uw beider bedoeling dat de verkoopopbrengst van de echtelijke woning eerst als het ware bij helfte zou worden verdeeld en dat dan vervolgens van het bedrag dat uw zou toe zou komen een bedrag van € 70.000,- zou worden afgetrokken ten gunste van hem. De voormalige echtelijke woning op het adres (…) is inmiddels verkocht en geleverd aan de kopers en de verkoopopbrengst bedraagt na aftrek van alle kosten, waaronder de hypotheekschuld, een bedrag van € 432.361,92. Het was dus aanvankelijk uw beider bedoeling dat hiervan aan u zou toekomen een bedrag van: (€ 432.361,92 : 2 = € 216.180,96 minus € 70.000,-) = € 146.180,96 en aan cliënt zou toekomen (€ 432.361,92 : 2 = € 216.180,96 plus € 70.000,-) = € 286.180,96. Volgens cliënt verkeerden jullie beiden in de - onjuiste - veronderstelling dat hij ten laste van zijn vermogen u met een bedrag van € 35.000,- zou bevoordelen. (…) Het hierboven genoemde vergoedingsrecht van cliënt van € 399.917,14 is dan ook niet berekend en niet met u besproken. (…) Concreet komt het er dus op neer dat u, ter zake van de gerealiseerde overwaarde van de (…), op grond van uw huwelijkse voorwaarden recht heeft op: (€ 432.361,92 minus € 399.917,14) = € 32.444,78 : 2 = € 16.222,39 en dat cliënt recht heeft op € 399.917,14 + € 16.222,39 = € 416.139,53 . (…) Volgens cliënt verkeerde u namelijk allebei in de veronderstelling dat u bevoordeeld zou worden met een bedrag van € 35.000,-, maar met wat u samen had willen afspreken ging het in feite om een veel hoger bedrag, namelijk (€ 146.180,96 minus € 16.222,39) € 129.958,57. Cliënt wist niet dat dit de werkelijke bevoordeling zou zijn en had nimmer de bedoeling u een dergelijk hoog bedrag te schenken. (…) Cliënt is dan ook van mening dat hij niet goed is voorgelicht en misleid is door de ingeschakelde scheidingsmediator en advocaat, en dat hij afstand heeft gedaan van zijn aanspraken uit hoofde van uw huwelijkse voorwaarden zonder dat hij zich bewust was waar hij precies afstand van deed. Hij ging uit van een onjuiste veronderstelling, namelijk dat hij u € 35.000,- zou schenken. Gelet op het vorenstaande roept cliënt hierbij de buitengerechtelijke vernietiging van het echtscheidingsconvenant in. Cliënt is van mening dat de echtscheidingsconvenant op grond van dwaling (primair op grond artikel 3:196 BW en subsidiair op grond van artikel 6:228 BW) tot stand is gekomen. Hij is namelijk voor meer dan een vierde deel benadeeld. Het echtscheidingsconvenant is onder invloed van dwaling tot stand gekomen en zou bij een juiste voorstelling van zaken niet met de gemaakte afspraken zijn gesloten. De dwaling van cliënt is te wijten aan verkeerde dan wel onvolledige inlichtingen en begeleiding door achtereenvolgens de scheidingsbegeleider en de advocaat. Bij een juiste voorstelling van zaken had cliënt nooit het onderhavige echtscheidingsconvenant voor akkoord ondertekend. Cliënt had immers niet de bedoeling u een hoger bedrag dan € 35.000,- te schenken. (…) Concreet betekent dit dat cliënt een vordering op u heeft ten bedrage van € 164.958,57 en aanspraak maakt op de (terug-)betaling van dit bedrag. 2.8 Op 1 mei 2025 heeft verweerster zich laten uitschrijven als advocaat.
3 KLACHT 3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij niet aan haar zorgplicht als advocaat heeft voldaan door na te laten het scheidingsconvenant te controleren op juridische juistheid. Hierdoor zijn, in klagers nadeel, grote financiële fouten gemaakt. 3.2 Klager stelt dat verweerster slechts als doorgeefluik heeft gefungeerd voor de mediator van netjescheiden.nl. Er zijn grote financiële fouten gemaakt, die zowel voor klager als ook (fiscaal) voor de ex-partner nadelig zijn. Verweerster en de mediator hebben op geen enkel moment navraag gedaan naar de werkelijke waarde van de aankoop van klagers eerste woning bij verkoop (€ 200.000,- eigen geld plus € 200.000,- overwaarde bij verkoop). Dit bedrag zou volgens de huwelijkse voorwaarden volledig voor klager zijn. De mediator heeft uitgelegd dat de ex-partner geen recht had op het geld uit de eerste woning volgens de huwelijke voorwaarden. Onder voorwaarden heeft klager voor de kinderen vervolgens afgezien van het finaal verrekenbeding, zodat de kinderen ook bij de ex-partner een fatsoenlijk onderkomen zouden hebben. Klager en zijn ex-partner hebben de verdeling zo besproken dat het totaal bedrag na verkoop van de huidige woning zou worden gedeeld door twee en vervolgens zou de ex-partner € 70.000,- van dat deel aan klager geven. Tevens zou alles wat dan overbleef boven de € 100.000,- aan klager worden terugbetaald als de ex-partner op enig moment haar huidige woning zou verkopen. Het bedrag van € 100.000,- is niet opgenomen in het convenant. Het bedrag van € 70.000,- wel, maar de berekening volgens het convenant is niet conform de afspraak tussen partijen. Dit werd pas duidelijk toen klager de factuur van de notaris ontving. Zowel bij de mediator als bij verweerster was niet bekend om welke bedragen het ging en hier is ook geen navraag naar gedaan. Klagers huidige advocaat heeft hem erop gewezen dat het convenant aan alle kanten rammelt, door verweerster niet is gecontroleerd aan de hand van echte cijfers en documenten en dat het financiële gedeelte minimaal is. Het convenant heeft er nu juist voor gezorgd dat er totaal geen contact meer is tussen klager en zijn ex-partner en dat klager financieel fors is benadeeld. Ook moet de ex-partner nu belasting betalen omdat klager ‘onbedoeld’ haar een bedrag heeft geschonken.
4 VERWEER 4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Zij heeft toegelicht hoe de procedure via netjesscheiden.nl verloopt. Verweerster stelt dat bij de mediator inhoudelijk wordt gesproken over de – in onderling overleg – te maken afspraken. Bij verweerster worden de gemaakte afspraken nogmaals besproken en wordt gecontroleerd of de gemaakte afspraken duidelijk zijn voor partijen. 4.2 Verweerster stelt dat klager en zijn ex-partner de nota van afrekening van de notaris niet in het klantportaal hebben geüpload, waardoor deze niet beschikbaar was voor de mediator. De nota was ook voor verweerster niet beschikbaar bij de controle van de inhoud van het convenant. Klager en zijn ex-partner gaven aan dat zij in overleg samen al tot een bedrag in het licht van de afrekening waren gekomen. De mediator heeft partijen moeten uitleggen dat het nemen van een bedrag vooruit uit de overwaarde anders diende te geschieden dan wat partijen zelf voor ogen hadden. Dit onderwerp is derhalve weldegelijk uitgebreid aan bod gekomen. Tijdens de controle van het convenant bij verweerster is dit verder bevestigd aan partijen. Er is door partijen nimmer gesproken over de door klager in de klacht genoemde bedragen van € 200.000,- eigen geld en € 200.000,- overwaarde bij verkoop. Deze bedragen zijn pas later aan het licht gekomen bij de notaris. Er is toen door verweerster en de mediator bij partijen op aangedrongen om een addendum op te stellen om aanvullende afspraken in het licht van de woning vast te leggen. Helaas gaf de ex-partner nul op het rekest. 4.3 Verweerster stelt dat zij niet heeft kunnen weten dat er ook nog een overbruggingshypotheek uit de verkoopopbrengst van een andere woning van klager was, omdat de nota van afrekening nimmer door partijen is overgelegd en partijen consequent zelf ook spraken over een privébedrag van € 70.000,-. Partijen hebben de mediator verkeerd geïnformeerd over de hoogte van het privégeld van klager en hebben verzuimd de benodigde gegevens te uploaden. Controle van het bedrag was daardoor niet mogelijk. 4.4 Verweerster betwist dat zij klachtwaardig heeft gehandeld. Zij herkent zich niet in het verwijt dat het convenant aan alle kanten zou rammelen. Het convenant en ouderschapsplan zijn met grote zorgvuldigheid opgesteld. Er zijn meerdere momenten geweest voor het maken en controle van afspraken. Verweerster stelt dat weldegelijk is gesproken over de gevolgen van het afzien van het finaal verrekenbeding. 4.5 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING Toetsingskader 5.1 Op de advocaat die optreedt als enige advocaat van twee partijen om een echtscheiding tot stand te brengen rust volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline een zware zorgplicht. De advocaat dient zich ervan te vergewissen dat beide partijen de regeling zoals in een convenant opgesteld begrijpen en indien een partij met minder genoegen neemt dan waarop deze aanspraak kan maken, deze partij die concessie welbewust aanvaardt. Die verplichting bestaat ook indien de advocaat dat convenant niet heeft opgesteld en hij daartoe geen opdracht heeft gekregen. De advocaat draagt immers verantwoordelijkheid voor de inhoud van de stukken die hij bij de rechtbank indient (zie HvD 13 januari 2025, ECLI:NL:TADRSGR:2025:1, waarin ook wordt verwezen naar HvD 9 april 2018, 170327, HvD 7 januari 2013, 6375 en HvD 7 december 2012, 6363). 5.2 Het hiervoor geformuleerde uitgangspunt raakt de kernwaarde van de partijdigheid, die uitzondering lijdt in het geval een advocaat in een echtscheidingskwestie voor beide partijen optreedt. Juist omdat het optreden voor beide partijen een uitzonderingssituatie is, dient dat optreden met bijzondere waarborgen te worden omkleed. Beoordeling 5.3 Verweerster, die is opgetreden als gezamenlijk echtscheidingsadvocaat voor klager en de partner, is daarin naar het oordeel van de raad tekortgeschoten. Zij heeft in haar bijstand niet voldaan aan de zwarte zorgplicht die op haar rustte. Verweerster heeft klager en de partner één of twee keer gesproken, na afronding van het mediationtraject. Wat er toen is besproken, kan de raad niet vaststellen. Verweerster heeft geen schriftelijke verslaglegging van het gesprek/de gesprekken overgelegd, noch heeft zij andere stukken overgelegd waaruit iets blijkt over de inhoud van haar bijstand. Nergens blijkt uit dat verweerster met klager (en de partner) heeft besproken welke verstrekkende financiële gevolgen het in het mediationtraject opgestelde convenant zou hebben. Gelet op de inhoud en verstrekkende financiële gevolgen had verweerster dit uitdrukkelijk met klager en de partner moeten bespreken en dat ook schriftelijk moeten vastleggen. Verweerster heeft dat nagelaten en daarvan valt haar een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Dat de mediator één en ander al besproken zou hebben, doet aan dit alles niet af, nu de raad dit niet kan vaststellen en dit verweerster bovendien niet ontslaat van haar eigen verplichtingen als advocaat. 5.4 Verweerster lijkt bovendien haar verantwoordelijkheid af te willen schuiven op klager en de ex-partner door te stellen dat zij de afrekening van de notaris niet in het klantportaal hebben geüpload. Het is echter verweersters verantwoordelijkheid als advocaat om alle relevante zaken te bespreken en zo nodig navraag te doen naar bijvoorbeeld (de waarde van) een eerdere woning. Dat heeft zij nagelaten. De raad is dan ook van oordeel dat verweerster volstrekt niet heeft voldaan aan de op haar rustende zware zorgplicht. Uit de brief van klagers advocaat van oktober 2024 blijkt dat de door verweerster gemaakte fouten grote financiële gevolgen hebben voor klager. De klacht is dan ook gegrond.
6 MAATREGEL 6.1 Verweerster heeft niet voldaan aan de zware zorgplicht die op haar als gemeenschappelijk echtscheidingsadvocaat rust. Na een mediationtraject via netjesscheiden.nl zijn klager en zijn partner bij verweerster terecht gekomen voor de afronding van de scheiding. Verweerster heeft één of twee keer met hen gesproken, maar wat er toen is besproken heeft verweerster niet vastgelegd en kan de raad daarom niet vaststellen. Van het informeren van klager over de verstrekkende financiële gevolgen van het opgestelde convenant door verweerster is niet gebleken. Daardoor heeft verweerster laakbaar gehandeld, met grote financiële gevolgen voor klager. Zij neemt geen verantwoordelijkheid voor haar gebrekkige handelen en lijkt die verantwoordelijkheid ook op klager af te schuiven, terwijl zij als advocaat de verantwoordelijkheid heeft om alle relevante zaken te bespreken en zo nodig navraag te doen bij partijen. Dat rekent de raad haar aan. 6.2 De raad is van oordeel dat sprake is van laakbaar gedrag waardoor klagers vertrouwen in de advocatuur een ernstige deuk heeft opgelopen. De raad acht oplegging van een voorwaardelijke schorsing van vier weken passend.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten: a) € 50,- reiskosten van klager, b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en c) € 500,- kosten van de Staat. 7.3 Verweerster moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door. 7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer. BESLISSING De raad van discipline: - verklaart de klacht gegrond; - legt aan verweerster de maatregel van schorsing voor de duur van vier weken op; - bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster de navolgende algemene voorwaarde niet heeft nageleefd; - stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging; - stelt de proeftijd op een periode van twee jaren, ingaande op de dag dat deze beslissing onherroepelijk wordt. - veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager; - veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; - veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4,
Aldus beslist door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mrs. J.G. Colombijn-Broersma en M.G. van den Boogerd, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2025.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 3 november 2025
