Naar boven ↑

Rechtspraak

Uitspraakdatum

05-11-2025

ECLI

ECLI:NL:TADRSGR:2025:221

Zaaknummer

25-596/DH/DH

Inhoudsindicatie

Voorzittersbeslissing. Klacht over de bijstand van de advocaat in een detentie/overleveringszaak. Niet gebleken dat verweerster de vertrouwelijkheid heeft geschonden en informatie met derden heeft gedeeld. Van afdreiging en/of bedreiging is geen sprake: verweerster heeft een geldbedrag gevraagd voor werkzaamheden die buiten het bereik van een toevoeging vielen. De juistheid van de verdere verwijten is niet vast te stellen. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Uitspraak

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 5 november 2025 in de zaak 25-596/DH/DH

naar aanleiding van de klacht van:

klager gemachtigde: [F]

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 2 september 2025 met kenmerk K062 2025 en van de op de bijbehorende inventarislijsten genoemde bijlagen.

1    FEITEN Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten. 1.1    Tegen klager is een Europees aanhoudings- of arrestatiebevel (EAB) uitgevaardigd door Bulgarije. Nederland is om zijn overlevering verzocht.  1.2    Verweerster heeft klager bijgestaan.  1.3    Het dossier bevat een gedeelte van een beroepschrift van verweerster, dat ingediend is namens klager. In dit beroepschrift wordt melding gemaakt van het feit dat klager een informant van de DEA is geweest. 1.4    Op 19 december 2024 heeft er een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de vrouw van klager en verweerster. 1.5    Klager heeft op enig moment een klacht ingediend bij verweersters kantoor. Bij brief van 10 januari 2025 heeft verweerster gereageerd en onder meer geschreven: “9. (…) In uw overleveringszaak heb ik u bijgestaan op basis van gefinancierde rechtsbijstand. Nadat de overleveringszaak in april jl. eindigde en u gebruik wilde blijven maken van mijn ad hoc dienstverlening, zoals het indienen van een strafonderbrekingsverzoek, (…) en andere incidentele werkzaamheden, hebben wij uw financiële mogelijkheden besproken m.b.t. het betalen van een voorschot voor al mijn niet nader op voorhand in omvang te definiëren werkzaamheden, die niet onder het bereik van de gefinancierde rechtsbijstand vallen. U gaf aan, dat u op dat moment niet over enige financiële middelen beschikte om welk bedrag dan ook te betalen en we hebben het voorlopig dan ook zo gelaten, waarbij ik mijn werkzaamheden wel onverminderd heb voortgezet, op uw aandringen en omdat uw gezondheidstoestand acute actie vereiste. 11. Wij hebben uiteindelijk tijdens mijn bezoek aan u in PI Zaanstad op 9 augustus jl. een vast bedrag van 10.000 euro inclusief BTW afgesproken voor al mijn werkzaamheden die buiten het bereik van de gefinancierde rechtsbijstand vallen, ongeacht het feit dat op dat moment mijn werkzaamheden al over de 50 uur zaten (het urenaantal, dat bij een uurtarief ad 200 euro inclusief BTW per uur neerkomt op 10.000 euro). We hebben toen ook afgesproken, dat ik u dus niet al mijn bestede uren zal declareren, maar dat ik u eind december, nadat uw toelage van de DEA binnen was, een declaratie zal doen toekomen voor een totaalbedrag ad 10.000 euro inclusief BTW. 12. In dat bedrag was tevens inbegrepen een nog op te stellen gratieverzoek. Een gratieverzoek komt in beginsel niet voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking, tenzij er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Zoals ik uw echtgenote heb medegedeeld, heb ik hierover contact gehad met de Raad voor Rechtsbijstand. Ik heb de Raad in grote lijnen uw situatie voorgelegd en de Raad vond dat er geen sprake was van een zeer uitzonderlijke omstandigheid. Ik was akkoord met een totaalbedrag ad 10.000 euro voor alle werkzaamheden. Ik heb u op dat moment dit niet schriftelijk bevestigd, omdat ik geen enkele reden had om u niet te vertrouwen en daarbij was er onduidelijkheid over het moment, wanneer u over voldoende financiële middelen zou beschikken en wanneer exact ik aan u dus alle gemaakte afspraken met zekerheid kon bevestigen en declareren. (…) 13. (…) Zoals ik u reeds voor het indienen van deze klacht heb bericht, zal ik u echter geen vergoeding in rekening brengen voor al mijn verrichte werkzaamheden, omdat ik deze afspraak niet van tevoren schriftelijk heb vastgelegd en aldus daar geen beroep meer op kan doen, waardoor ik dus mijn verliezen voor lief zal moeten nemen. (…) 20. De beslissing van de RSJ kwam dan ook op 12 december jl. Ik heb u toen wederom gevraagd hoe het zit met de betaling van de DEA en of u de DEA heeft uitgelegd, dat ik als advocaat mij niet onder druk laat zetten door de DEA om dingen te schrijven of te doen, waar ik niet achter sta of waarvoor de tijd nog niet rijp is. U heeft mij toen medegedeeld, dat de DEA heeft gezegd, dat indien ik voor 20 december het gratieverzoek zal indienen, zij wellicht de opdracht voor de overboeking van uw vergoeding konden geven in het aantal werkdagen tussen Kerst en Oud en Nieuw, waardoor u toch dit jaar uw geld zou kunnen krijgen. Op dat moment heb ik u uitgelegd, dat ik niet binnen een paar dagen een omvangrijke gratieverzoek met bijlages, die in de honderden pagina’s zouden lopen en waarvoor u persoonlijk moest tekenen, kon opstellen, printen en, voorzien van alle bijlages, fysiek bij de Ministerie van Justitie kon aanbrengen. Daarbij naderde het betaalmoment en ik wilde eerst zekerheid met betrekking tot de vergoeding van mijn beloning, alvorens ik verdere werkzaamheden zou verrichten. U heeft mij toen medegedeeld, dat u dan geen geld van de DEA zal ontvangen en dat ik niet mijn afgesproken vergoeding zal krijgen. Ik heb u toen medegedeeld, dat indien de DEA u inderdaad zo voor het blok zet, u DEA zou moeten mededelen, dat u niet van uw advocaat kan vergen om na 8 maanden nog langer zonder enige vergoeding te werken en dat indien DEA inderdaad zo graag wil, dat het gratieverzoek wordt ingediend, dat zij uw vergoeding op het afgesproken moment dienen te betalen. U zou dan uw achterstallige advocaatkosten tijdig en zoals afgesproken kunnen voldoen, waarna ik u zal bezoeken in Sittard en we afspraken zouden maken  ver de vervolgstappen van het op te stellen gratieverzoek. 21. Uw echtgenote zou met DEA overleggen en zou u verzoeken om mij met spoed te bellen voor overleg. Op 19 december heeft uw echtgenote mij gebeld en medegedeeld, dat u mij niet wenst te spreken en mij tevens niet langer als advocaat wenst.” 1.6    Op 18 maart 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT 2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding en onethisch gedrag. Klager wijst op het volgende.  a)    Verweerster heeft de vertrouwelijkheid geschonden en het leven van klager in gevaar gebracht. Zij heeft – ondanks expliciete instructies – vertrouwelijke informatie gedeeld met derden, waaronder collega’s, de RSJ, de directie van de PI en mogelijk zelfs met gevangenismedewerkers en gedetineerden. b)    Verweerster heeft zich schuldig gemaakt aan afdreiging en bedreigingen. Klager wijst op 1) het feit dat verweerster hem een ultimatum heeft gesteld dat zij geen actie zou ondernemen als er niet € 10.000,- betaald zou worden, 2) het telefoongesprek, 3) een bericht dat verweerster heeft gestuurd en 4) de reactie op klagers klacht.  c)    Verweerster heeft geen kwitantie gestuurd, terwijl klager meerdere betalingen heeft gedaan. d)    Verweerster is haar beloftes – onder meer dat klager binnen 3-4 maanden vrij zou zijn en dat zij een gratieverzoek voor hem zou indienen – niet nagekomen.  2.2    Ter toelichting is aangevoerd dat klager verweerster, voor hij haar inhuurde, informeerde over zijn samenwerking met de DEA (Bulgarije en Nederland) in verband met het blootleggen van twee internationale criminele organisaties. Klager heeft verweerster daarbij expliciet gewaarschuwd voor het ernstige risico voor zijn leven en dat van zijn familie, vooral als hij aan Bulgarije zou worden uitgeleverd. Ondanks deze omstandigheden verzekerde verweerster dat zij zich volledig bewust was van de risico’s en zich zou inzetten om klager op een manier te verdedigen waarmee zijn veiligheid zou zijn gewaarborgd. Klager heeft ermee ingestemd dat de informatie over zijn samenwerking met de DEA alleen zou worden verstrekt aan het Nederlandse OM, de rechterlijke instanties en verweerster.  2.3    Klager eist onder meer een schadevergoeding van € 25.000,- voor alle schade die door verweersters handelen en nalaten is veroorzaakt. 

3    VERWEER 3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd.  3.2    Klachtonderdeel a) Verweerster stelt dat zij binnen kantoor collegiaal overleg heeft gevoerd. Alle advocaten komt vertrouwelijkheid toe. Verweerster heeft in klagers zaak twee keer een verzoek ingediend bij de RSJ, een orgaan dat belast is met rechtspreken over zaken van gedetineerden. De samenwerking met de DEA ia alleen in het eerste verzoek genoemd. Verweerster wijst erop dat klager zelf toestemming heeft gegeven om melding te maken van zijn samenwerking met de DEA aan rechterlijke instanties. Klager heeft van alle ingediende stukken, waaronder de verzoeken tot strafonderbreking en beroepschriften, steeds een afschrift ontvangen. Verweerster betwist dat zij informatie heeft gedeeld met anderen.  3.3    Klachtonderdeel b) Verweerster heeft toegelicht dat zij klager op toevoegingsbasis heeft bijgestaan. Voor zaken die niet toevoegwaardig waren heeft zij met klager een bedrag afgesproken als vergoeding voor die werkzaamheden. Dat bedrag is niet betaald. Nadat verweerster werd meegedeeld dat klager niet voornemens was om te betalen, heeft zij haar werkzaamheden neergelegd. De inhoud van de genoemde berichten is niet onbetamelijk.  3.4    Klachtonderdeel c) Verweerster stelt dat zij van klager geen (contante) gelden zonder kwitantie heeft aangenomen. 3.5    Klachtonderdeel d) Verweerster heeft klager geen beloftes gedaan, behalve dat zij haar best voor hem zou doen, wat zij ook heeft gedaan.  3.6    De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING Toetsingskader 4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.  Klachtonderdeel a) 4.2    Het verwijt is dat verweerster de vertrouwelijkheid heeft geschonden en (daardoor) het leven van klager in gevaar heeft gebracht. Klager heeft dit verwijt niet (met stukken) onderbouwd en verweerster heeft dit betwist. Dat verweerster vertrouwelijke informatie met de directie van de PI en/of gevangenismedewerkers en gedetineerden heeft gedeeld, kan de voorzitter dan ook niet vaststellen. Ook kan op grond van het klachtdossier niet worden vastgesteld dat verweerster het leven van klager in gevaar heeft gebracht.  4.3    De voorzitter stelt vast dat verweerster klagers zaak in het kader van collegiaal overleg met collega’s binnen kantoor heeft besproken. Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Advocaten mogen samenwerken en voor alle advocaten geldt een geheimhoudingsplicht.  4.4    De voorzitter stelt verder vast dat verweerster de informatie over de samenwerking met de DEA heeft opgenomen in een processtuk dat zij namens klager bij de RSJ heeft ingediend. Klager heeft echter aangegeven dat informatie hierover met onder meer de rechterlijke instanties gedeeld mocht worden. De RSJ is een dergelijke rechterlijke instantie. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is dan ook geen sprake.  4.5    De voorzitter verklaart dit klachtonderdeel dan ook kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel b) 4.6    Dit verwijt ziet allereerst op het ultimatum dat door verweerster is gesteld. De voorzitter begrijpt uit verweersters reactie op de (door haat kantoor opgepakte) klacht (zie 1.5) dat zij geruime tijd diverse werkzaamheden voor klager heeft verricht die niet onder een toevoeging vallen en waarvoor uiteindelijk een vast bedrag van € 10.000,- is afgesproken. Dat bedrag was (nog) niet betaald. Ook het nog in te dienen gratieverzoek viel buiten het bereik van een toevoeging. Dat verweerster een geldbedrag wenste te ontvangen voor de door haar – al geruime tijd – verrichte werkzaamheden voor klager, is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Zij hoeft immers niet kosteloos werkzaamheden te verrichten. Van afdreiging en/of bedreiging is niet gebleken, nog los van het feit dat het oordeel hierover voorbehouden is aan de strafrechter.  4.7    Het dossier bevat geen stukken over de inhoud van het gesprek tussen verweerster en de vrouw van klager. De voorzitter kan daarom niet vaststellen wat er in het gesprek is gezegd en hoe verweersters houding is geweest. Het verwijt met betrekking tot dit telefoongesprek mist daarmee feitelijke grondslag. 4.8    Bij de klacht is wel het (WhatsApp-)bericht van verweerster gevoegd (in  het Bulgaars). In de dekenvisie is een vertaling van de berichten (gedateerd 20 december 2024) opgenomen. De voorzitter heeft daar kennis van genomen, maar ziet daarin geen afdreiging of bedreiging of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.  4.9    De voorzitter verklaart daarom ook dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel c) 4.10    Het verwijt is dat verweerster geen kwitanties heeft gestuurd voor betalingen die klager heeft gedaan. Verweerster betwist dat zij betalingen heeft ontvangen waarvoor zij geen kwitanties heeft afgegeven. Nu verdere stukken ontbreken, kan de voorzitter de juistheid van dit verwijt niet vaststellen. Dit verwijt is daarom kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel d)  4.11    Het verwijt is dat verweerster beloftes niet is nagekomen. Verweerster heeft betwist de door klager gestelde beloftes te hebben gedaan. De voorzitter kan ook hier de juistheid van het verwijt niet vaststellen nu verdere onderbouwing ontbreekt. Voor wat betreft het indienen van het gratieverzoek wordt ook verwezen naar hetgeen is overwogen bij klachtonderdeel b (onder 4.6). Ook dit verwijt is daarom kennelijk ongegrond. Conclusie 4.12    De voorzitter is ook anderszins niet gebleken van misleiding of onethisch gedrag van verweerster. De klacht wordt in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard.

BESLISSING De voorzitter verklaart:  de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025.

Griffier         Voorzitter

Verzonden op: 5 november 2025