Rechtspraak
Uitspraakdatum
17-11-2025
ECLI
ECLI:NL:TAHVD:2025:233
Zaaknummer
250264
Inhoudsindicatie
Beklag artikel 13 ongegrond. Geen redelijke kans van slagen.
Uitspraak
Beslissing van 17 november 2025 in de zaak 250264 naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster tegen: de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken 1.1 Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. De deken heeft bij beslissing van 26 mei 2025 een advocaat aangewezen om klaagster bij te staan in een zaak tegen N. Nadien heeft klaagster de deken bericht dat de zaak N niet op zichzelf staat, maar verweven is met een zaak tegen H (en diens vennootschap G). Klaagster heeft de deken gevraagd om de opdracht aan de aangewezen advocaat uit te breiden met de kwestie H/G, althans om ook voor de kwestie H/G een advocaat aan te wijzen.
1.2 De deken heeft dit laatste verzoek afgewezen met de beslissing van 2 juli 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de zaak onvoldoende kans van slagen heeft. Bij brief van 7 juli 2025 heeft de deken klaagster bericht dat zij geen aanleiding zag om de beslissing van 2 juli 2025 te herzien.
Bij het hof 1.3 Klaagster heeft op 31 juli 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Het beklag is ingediend in vervolg op e-mails van klaagster aan het hof van 18, 21 en 24 juli 2025.
1.4 Verder bevat het dossier: - het verweer van de deken - de repliek - de dupliek
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klaagster was eigenaar van een villa. Zij heeft daar enige jaren samengewoond met de vader van N (hierna: N sr.), met wie zij destijds een affectieve relatie had. Klaagster had plannen met verbouw- en nieuwbouwplannen voor 47 appartementen op de locatie van de villa. In 2020 is de villa van klaagster via onderhandse executoriale verkoop, met toestemming van de rechtbank, verkocht aan N en zijn vennootschap.
2.2 Klaagster is van mening dat de executieverkoop van haar villa onrechtmatig is geweest. Zij wil rechtsmaatregelen nemen jegens N sr. en/of H/G.
2.3 De door de deken op 26 mei 2025 in de zaak N aangewezen advocaat (hierna: de advocaat) heeft klaagster op 27 mei 2025 onder meer het volgende bericht:Tijdens de bespreking die wij daarstraks hadden, zijn wij uitgebreid ingegaan op de vordering die jij meent te hebben op [N]. Als onderbouwing voor die vordering noemde jij tijdens onze bespreking dat [N] de villa aan de [adres] voor € 2.000.000,- heeft verkocht, terwijl de villa volgens jou veel meer waard was geweest en jij schade hebt geleden door deze verkoop tegen een te lage waarde. Tijdens de bespreking hebben wij vervolgens het Kadaster geraadpleegd. Uit de gegevens bij het Kadaster blijkt dat het niet [N] is die de betreffende villa heeft verkocht, maar [G]. Laatstgenoemde had een hypotheekrecht op de villa, in verband met een verstrekte lening voor een kortlopend krediet. Toen die kortlopende lening niet (meer) kon worden terugbetaald, heeft zij de veiling van de villa aangezegd. Vervolgens is namens [G] een verzoek bij de rechtbank ingediend om de villa onderhands te mogen verkopen (/dit herleiden wij uit de stukken van het Kadaster en hetgeen jij ons noemde). De verkoopprijs bij de onderhandse verkoop bedroeg € 2.883.000,-. Volgens jou was dat lager dan de waarde waar een derde de villa mogelijk voor had willen kopen (/nadat een vergunning zou zijn verleend), maar aanzienlijk meer dan de waarde die in een taxatierapport staat vermeld. De rechter heeft de onderhandse verkoop goedgekeurd, waarna de villa is verkocht aan [N] en [de vennootschap van N]. Op basis van hetgeen jij ons tijdens het gesprek noemde, zien wij geen reëele mogelijkheden voor een procedure tegen [N]. Dit onder meer omdat [N] niet de partij is die de villa heeft verkocht. Om die reden nemen we deze zaak (vooralsnog) niet aan. Wel spraken we met jou af dat jij ons nog een (beknopt) overzicht en een paar stukken zal sturen die mogelijk een ander licht op de zaak werpen. Ik verwacht echter niet dat dit invloed zal hebben op hetgeen ik hiervoor noemde.
2.4 De advocaat heeft klaagster op 21 juli 2025 onder meer het volgende bericht:In datzelfde artikel [noot hof: een door klaagster aan de advocaat verstrekt krantenartikel uit 2019] lezen wij, alsmede in een kort geding vonnis tussen [N sr.] en [G] (welk vonnis u aan ons zond) en het arrest van een hof dat daarop volgde (/dit arrest hebben wij zelf gevonden) dat in november 2009 aan u door (de voorganger van) [G] een lening van € 2.000.000,- is verstrekt tegen een rentepercentage van 10% en dat de hoofdsom uiterlijk in december 2012 diende te zijn afgelost. En dat de heer [N sr.] zich middels een notariële borgstellingsovereenkomst borg stelde voor al hetgeen u verschuldigd bent. Voorts lezen wij dat vanwege problemen de villa destijds na 9 jaar nog altijd niet verkocht zou zijn. Hoewel wij nogmaals expliciet opmerken dat ons kantoor de kwestie tegen [G] niet in behandeling heeft en ook niet zal nemen, merken wij op dat wij vooralsnog geen aanknopingspunten hebben gezien dat [G] onrechtmatig tot uitwinning van haar hypotheekrecht is overgegaan. (…) Uit hetgeen ons bekend is maken wij op dat [G] al véél, véél, langer dan oorspronkelijk was bedoeld op de terugbetaling van de geldlening wachtte. Dat zij na jaren wachten tot uitwinning van het hypotheekrecht overging, komt ons dan ook niet onrechtmatig voor. U noemde tijdens het gesprek op kantoor dat er een derde was die interesse had om de villa te kopen, maar dat die derde als voorwaarde stelde dat er een bepaalde vergunning/bestemmingsplanwijziging zou komen en dat deze vergunning er ten tijde van de onderhandse executoriale verkoop nog niet was. Een getekende intentie- en/of koopovereenkomst met de derde was er daarom ook nog niet. Naar wat wij begrijpen werd er op het moment de villa via onderhandse executoriale verkoop werd verkocht al vele, vele jaren op de vergunningen/bestemmingsplanwijziging gewacht. In een door u opgesteld overzicht met gebeurtenissen noemt u zelfs dat de aanvraag voor zorgappartementen al vanaf 2003 liep en dat inmiddels (we leven in 2025) alles bijna rond zou zijn (/maar dat de bestemmingsplanwijziging/vergunningen ook nu in 2025 nog steeds niet definitief zijn). Van een hypotheekverstrekker kan in beginsel niet worden verlangd dat hij jaren blijft wachten op een waardestijging die zich mogelijk gaat voordoen. De waarde van het pand U stelt dat de waarde van het pand vele malen hoger was dan de in de leveringsakte genoemde koopprijs van € 2.883.000,-. Enige onderbouwing van die hogere waarde hebben wij niet van u ontvangen. Ook het taxatierapport dat destijds door [G] bij de rechtbank zou zijn ingediend en waarin een véél lagere waarde dan € 2.883.000,- zou staan, hebt u ons niet gezonden. (…) Uit hetgeen u zelf opmerkt, leiden wij af dat u zelf niet zozeer vindt dat de koopprijs van destijds (€ 2.883.000,-) te laag was, maar dat u meende dat gewacht had moeten worden tot een bestemmingsplan zou zijn gewijzigd/vergunningen zouden zijn verleend, omdat daarmee de waarde zou stijgen. Van een hypotheekhouder kan, zoals hiervoor vermeld, in beginsel echter niet worden verlangd dat hij jaren wacht op een dergelijke (onzekere) waardestijging. Wij hebben vooralsnog dan ook geen aanknopingspunten gezien dat [G] onrechtmatig jegens u heeft gehandeld. De daadwerkelijk betaalde koopprijs Zoals ik in mijn e-mail van 9 juli 2025 aan u noemde, volgt uit de leveringsakte dat de notaris € 2.883.000,- heeft ontvangen op zijn derdengeldenrekening, alsook dat de notaris zal zorgdragen voor doorbetaling aan de rechthebbenden (/eventuele andere hypotheekhouders, beslagleggers, etc.). U stelt dat er slechts € 2.000.000,- is betaald. Dat blijkt volgens u uit een rekeningafschrift dat u hebt ontvangen. Dat rekeningafschrift is echter nietszeggend, nu het een rekeningafschrift is van een betaling door de notaris op de rekening van [G]. Dit zegt niets over het bedrag dat door de koper is betaald. Dat de notaris niet de volledige koopsom van € 2.883.000,- heeft overgeboekt aan [G], maar slechts € 2.000.000,- is ook niet vreemd, nu er meer schuldeisers waren en uit de akte vaststelling veilingvoorwaarden van 7 januari 2020 blijkt dat er voor slechts een bedrag van € 2.000.000,- een hypotheekrecht was gevestigd ten gunste van [G]. Als er daarnaast dus in ieder geval een tweede hypotheekhouder was (/zoals u tijdens het gesprek op ons kantoor heeft genoemd), is het logisch dat het meerdere (o.a.) aan deze tweede hypotheekhouder is uitgekeerd (/tot het bedrag u hem verschuldigd was/en tot het bedrag waarvoor het hypotheekrecht was gevestigd). Welke bedragen er aan wie zijn uitbetaald kunt u zien op de nota van afrekening van de notaris (/niet in ons bezit).
2.5 De advocaat heeft klaagster op 9 september 2025 onder meer bericht: Volledigheidshalve merk ik overigens op dat wij ondanks al hetgeen wij eerder noemden de stukken die u ons vandaag stuurde alsnog kort hebben bestudeerd. Op basis daarvan luid onze conclusie nog altijd dat wij geen reële mogelijkheden zien voor een procedure tegen [N].
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag 3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij voert aan dat N sr., N en H gecoördineerd samen zijn opgetreden in het executietraject, waarbij onder meer sprake is van misleiding, een ongeldige en ondeugdelijke taxatie, een vals voorgestelde executiewaarde, niet tijdige en/of overeenkomstig veilingrapport betaalde koopprijs en vermoedelijk procesfraude. Dat betekent volgens klaagster dat er sprake is van een onrechtmatige eigendomsoverdracht en één onlosmakelijk feitencomplex. Klaagster heeft begrepen dat het pand verkocht gaat worden en wenst beslag te leggen om haar verhaalsmogelijkheden jegens N en H niet te verliezen.
3.2 De deken heeft totaal niet gereageerd op het door klaagster verstrekte overzicht van vermogensbestanddelen, waarop beslag kan worden gelegd, terwijl deze gegevens cruciaal zijn voor een effectieve behandeling van de zaak. Klaagster stelt dat bewijsstukken (waaronder processtukken, politiedossiers, veilingstukken en verklaringen) voorhanden zijn. De deken heeft onjuist en ondeugdelijk aangewezen, de aansprakelijkheidskwestie totaal niet inhoudelijk beoordeeld en verantwoordelijkheid afgeschoven.
3.3 Ten onrechte heeft de aangewezen advocaat aangegeven dat hij geen reële mogelijkheden ziet tot juridische actie jegens N (en evenmin tegen H/G) en de zaak niet verder zal oppakken. Die conclusie is gebaseerd op onvolledige informatie, aangezien klaagster beschikt over voldoende en juridisch toetsbaar bewijsmateriaal.
3.4 Klaagster is van mening dat de deken ondanks haar herhaalde verzoeken om uitbreiding van de aanwijzing of aanwijzing van een andere advocaat ter zake de aansprakelijkstelling van H/G, ten onrechte geen inhoudelijke beoordeling, nader onderzoek of actie heeft uitgevoerd. Volgens klaagster wordt haar toegang tot een effectieve rechtsgang gefrustreerd doordat de eerder aangewezen advocaat niet haar zaak tegen H/G behandelt.
Verweer 3.5 Het hof zal hierna voor zover nodig ingaan op het verweer van de deken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader 4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klaagster gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Overwegingen van het hof 4.2 In deze beklagprocedure gaat het uitsluitend om de afwijzingsbeslissing van 2 juli 2025 (herhaald in de e-mail van de deken van 7 juli 2025) en daarmee over de vraag of een procedure tegen H/G over de executieverkoop in 2020 voldoende kans van slagen heeft. Voor zover klaagster en de deken in de processtukken ook op andere zaken zijn ingegaan, laat het hof dat buiten beschouwing, omdat die zaken buiten het bestek van het aanwijzingsverzoek vallen.
4.3 Het hof constateert dat klaagster veel stellingen inneemt in haar e-mails aan het hof, maar deze stellingen niet of nauwelijks heeft onderbouwd met – relevante – achterliggende stukken. In het bijzonder heeft klaagster diverse losse e-mails uit verschillende jaren vóór en na de executoriale verkoop van de villa overgelegd, die op zich helemaal niets zeggen over de uiteindelijke gang van zaken bij de verkoop van de villa. Zo benadrukt klaagster in haar berichten aan het hof voortdurend dat als koopprijs voor de villa niet € 2.883.000,- zou zijn betaald, maar € 2.000.000,-. Het hof wijst erop dat de advocaat in zijn brief aan klaagster van 21 juli 2025 (zie hiervoor in 2.4) uitgebreid is ingegaan op de kwestie van de koopprijs, waarbij hij zich niet alleen heeft gebaseerd op de stukken waarop klaagster zich in deze beklagprocedure beroept, maar ook op diverse andere documenten en processtukken, die klaagster in deze procedure niet heeft overgelegd.
4.4 De advocaat heeft op basis van zijn analyse van de beschikbare gegevens geconcludeerd dat hij onvoldoende mogelijkheden ziet om de door klaagster gewenste procedure(s) met een redelijke kans op succes te voeren. De redenering van de advocaat komt het hof niet als ondeugdelijk of onjuist voor. Klaagster heeft ook niet aangevoerd dat de advocaat van onjuiste gegevens is uitgegaan, maar uitsluitend dat hij van onvolledige gegevens is uitgegaan. Klaagster stelt te beschikken over ‘voldoende en juridisch toetsbaar bewijsmateriaal’ waaruit zou blijken dat een procedure wél kansrijk zou zijn, maar zij heeft dit bewijsmateriaal niet overgelegd. Zij heeft evenmin inhoudelijk onderbouwd waaruit dat bewijsmateriaal concreet bestaat en wat het inhoudt. Dit alles had echter wel op haar weg gelegen.
4.5 De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om (onder meer) te kunnen beoordelen of een procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat klemt des te meer, nu de in de zaak N aangewezen advocaat reeds op 27 mei 2025 een negatief advies had gegeven. Dat advies betrof weliswaar alleen de zaak N, maar het bevatte ook relevante informatie over H/G, op grond waarvan de deken klaagster reeds op 23 juni 2025 heeft bericht een procedure tegen H/G niet kansrijk te achten. Het was dan ook aan klaagster om concreet, aan de hand van feiten (wat is er wanneer gebeurd en wat is daarbij volgens klaagster op welk moment en waarom fout gegaan) met de onderliggende documenten (bewijsstukken), voldoende aanknopingspunten aan de deken aan te leveren om de haalbaarheid van een procedure te kunnen inschatten. Dat heeft zij toen niet gedaan. Evenmin heeft zij dat in de beklagprocedure gedaan nadat de advocaat in zijn brief van 21 juli 2025 in feite ook een nadrukkelijk negatief advies voor een procedure tegen H/G heeft gegeven. In het bijzonder biedt het dossier naast klaagsters (veelvuldig herhaalde, maar geenszins onderbouwde) stellingen geen objectief gegeven om te twijfelen aan de juistheid van de door de advocaat gegeven adviezen.
4.6 De deken heeft haar afwijzing dan ook mogen baseren op de haar ten tijde van de beslissing bekende advisering van de advocaat. De latere berichten van de advocaat onderbouwen de afwezigheid van een redelijke kans van slagen alleen maar. Het beklag is ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 2 juli 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel ongegrond.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en J. Frons, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 17 november 2025.
